Noach
Artikel

Noach

Noach is de man die met zijn gezin en een groot aantal dieren de grote vloed overleeft. Hij doet dat door een ark te bouwen, waarin ze veertig dagen rondvaren. Na de vloed krijgen Noach en zijn gezin de opdracht om de aarde weer te bevolken.

De naam Noach

De naam Noach betekent: rust. Noachs vader Lamech brengt de naam in verband met het werkwoord ‘troosten’, want, zegt hij: ‘Deze zoon zal ons troost geven voor ons harde werken’ (Genesis 5:29).
Noachs drie zonen Sem, Cham en Jafet zijn volgens de Bijbel de stamvaders van alle volken op aarde (Genesis 10).

Noach en de ark

God heeft spijt dat hij de mensen en dieren gemaakt heeft, omdat ze alleen maar slechte dingen doen. God wil daarom alle mensen van de aarde wegvagen, behalve Noach, omdat die goed leeft.
God geeft aan Noach de opdracht om een ark te bouwen. In die ark moeten behalve Noach en zijn vrouw en hun drie zonen met hun vrouwen ook van alle dieren een mannetje en een vrouwtje passen. Als de ark klaar is en iedereen erin zit, sluit God de deur.
In veertig dagen overstroomt een vloed de aarde, zodat alles honderdvijftig dagen lang bedekt is met water. Daarna begint het water te zakken.

De boog in de wolken

Noach laat een raaf en een duif los. Als eerst de raaf en daarna de duif niet meer terugkomt bij de ark, weet Noach dat de aarde weer droog is. Hij gaat naar buiten en bouwt een altaar om God te danken met een offer.
God belooft dat hij de aarde nooit meer zo zal vervloeken. Hij zegent Noach en zijn zonen, en geeft ze de opdracht om kinderen te krijgen, zodat er overal op aarde weer mensen komen. Als teken van zijn verbond met de mensen plaatst God een boog in de wolken, de regenboog.

Zegen en vloek

Noach wordt landbouwer en legt een wijngaard aan. Hij wordt dronken van zijn eigen wijn en gaat naakt in zijn tent liggen. Zijn zoon Cham merkt dat, en vertelt het aan zijn twee broers. Sem en Jafet pakken een mantel en bedekken hun vader daarmee.
Als Noach wakker wordt, is hij boos op Cham en vervloekt hij Kanaän, de zoon van Cham. Maar Sem en Jafet en hun nakomelingen zegent hij.

Bijbelverzen

  • Jesaja 54:9
  • Matteüs 24:37
  • Lucas 17:26
  • 1 Petrus 3:20
  • 2 Petrus 2:5
  • Genesis 6-10
  • Hebreeën 11:7