Artikel

gerechtigheid OT: gerechtigheid van mensen

Op veel plaatsen in het Oude Testament wordt benadrukt dat mensen moeten leven ‘in gerechtigheid’, of dat mensen ‘rechtvaardig’ moeten zijn. Vaak hebben de begrippen ‘gerechtigheid’ en ‘rechtvaardigheid’ een juridische lading. Maar ze kunnen ook verwijzen naar het juiste gedrag dat God van mensen verlangt. Tot slot kan ‘rechtvaardigheid’ samenhangen met geloof in God en vertrouwen op hem.

Gelijk hebben volgens de wet

‘Gerechtigheid’ heeft in het Oude Testament vaak een betekenis die hoort bij de rechtspraak. Het gaat er dan om hoe iemand zich verhoudt tot de wet of tot God als rechter.
Als iemand ‘rechtvaardig’ is, heeft hij de wet aan zijn kant staan. Juda zegt bijvoorbeeld over Tamar: ‘Ze is rechtvaardiger dan ik’ (Genesis 38:26). Daarmee bedoelt hij: de wet geeft Tamar gelijk. Rechters in Israël moeten ‘rechtvaardige’ (onschuldige) mensen ‘rechtvaardig verklaren’, dat wil zeggen: vrijspreken (Exodus 23:7; Deuteronomium 25:1). Een rechter moet rechtspreken ‘in rechtvaardigheid’ (Leviticus 19:15): op een onpartijdige manier.

Zich op de juiste manier gedragen

Met name in de klassieke profeten komt tsèdèq/tesedaqa, ‘gerechtigheid’ vaak voor in combinatie met het Hebreeuwse woord misjpat, ‘(rechts)orde’ of ‘recht’. Deze woorden samen worden meestal vertaald als ‘recht en gerechtigheid’. Ze beschrijven de juiste orde, die God in deze wereld ingesteld heeft. Die zal pas volledig werkelijkheid worden als God koning zal zijn (zie Jesaja 32:1). Maar mensen moeten zich nu al gedragen in overeenstemming met die orde door zich te houden aan Gods wetten. Dat geldt voor ieder vlak van het leven, zoals:

  • het sociale vlak: het handhaven van de juiste sociale orde door recht te doen aan onderdrukte en kwetsbare mensen (2 Samuel 15:4; Psalm 82:3). Dat is niet alleen de plicht van gewone rechters, maar ook van koningen (Hosea 13:10).
  • het cultische vlak: het uitvoeren van de juiste rituelen bij de verering van God.

Een goede relatie met God

In een aantal teksten in het Oude Testament wordt rechtvaardigheid verbonden met een goede relatie tot God: wie in God gelooft, op hem vertrouwt en bij hem schuilt, die is rechtvaardig. In Genesis 15:6 wordt Abram rechtvaardig genoemd op grond van zijn geloof (zie verder bijvoorbeeld Psalm 37:39-40).

Bijbelverzen

  • 2 Samuel 15:4
  • Psalmen 37:39-40
  • Micha 6:8
  • Genesis 15:6