Artikel

Mensenzoon

In de evangeliën spreekt Jezus geregeld over zichzelf als ‘de Mensenzoon’.

Mensenzoon, of een zoon van een mens

Het Hebreeuwse ben adam of het Aramese bar enasj betekende oorspronkelijk een vertegenwoordiger van het mensdom, gewoon een mens dus. Sommige passages in de evangeliën zou je zo kunnen lezen (bijvoorbeeld Marcus 2:10).

Mensenzoon als messiaanse titel

In de meeste evangelieteksten is ‘de Mensenzoon’ een titel, en niet ‘gewoon’ een mens. De achtergrond van deze titel ligt in de joodse apocalyptiek. In Daniël 7:13-14 treedt een gestalte op ‘die eruitzag als een mens’. Hij ontvangt uit Gods hand het eschatologische koningschap. De gestalte in Daniël wordt in het boek zelf geïnterpreteerd als een groep: ‘het volk van de heiligen van de hoogste God’ (zie Daniël 7:27).
Een tekst als Marcus 14:62 sluit aan bij de traditie uit Daniël. Met Mensenzoon bedoelt Jezus de rechter die namens God over de wereld zal oordelen aan het einde van de tijd.

Verdere ontwikkeling van de titel

De ideeën over de Mensenzoon werden in het vroege christendom verder ontwikkeld. Ideeën dat de Mensenzoon moest lijden en zou opstaan (bijvoorbeeld Marcus 8:31), waren in de joodse traditie niet bekend.
‘De Mensenzoon’ heeft in de andere evangeliën dezelfde betekenis gekregen als de messias. Het is niet helemaal duidelijk of Jezus dat zelf ook zo bedoelde. Het is waarschijnlijker dat de vroegchristelijke traditie die betekenis aan de titel Mensenzoon heeft gegeven onder invloed van het opstandingsgeloof.

Mensenzoon en Zoon van God

Het is niet gemakkelijk om het onderscheid te zien tussen ‘Mensenzoon’ en ‘Zoon van God’. In de praktijk lijken de twee termen dezelfde functie gekregen te hebben.

Bijbelverzen

  • Marcus 2:10
  • Marcus 2:28
  • Marcus 8:31
  • Marcus 9:9
  • Marcus 9:12
  • Marcus 9:31
  • Marcus 10:33
  • Marcus 10:45
  • Marcus 13:26
  • Marcus 14:21
  • Marcus 14:41
  • Marcus 14:62
  • Daniël 7:13-14
  • Marcus 8:38