harnas
Artikel

harnas

Wanneer in de Bijbel wordt gesproken van een harnas, gaat het niet om een harnas dat het hele lichaam bedekt. Een harnas in de Bijbel is een borstkuras of een schubbenpantser.
Israëlitische soldaten droegen over het algemeen geen harnas, maar alleen een schild om hun lichaam te beschermen. Een harnas hoort in de Bijbel vooral bij de uitrusting van koningen en legerleiders.

Borstkuras

Een borstkuras was gemaakt van stroken leer of metaal. Aan de voorkant waren ze aan elkaar verbonden en met riemen waren ze over de schouders vastgemaakt. Zo was het bovenlichaam beschermd.
Het borstkuras komt oorspronkelijk uit Griekenland. Uit afbeeldingen weten we dat de Zeevolken, waartoe waarschijnlijk ook de Filistijnen toe behoorden, gebruik hebben gemaakt van een borstkuras. Mogelijk hebben zij dit type harnas in Israël geïntroduceerd.

Schubbenpantser

Een schubbenpantser was een leren schort waarop dakpansgewijs honderden kleine metalen plaatjes waren vastgemaakt. Het was lichter en flexibeler dan een borstkuras, zodat een soldaat zich er beter in kon bewegen. Een schubbenpantser was vooral belangrijk voor boogschutters of wagenmenners, omdat zij geen handen vrij hadden om zich met een schild te beschermen.
Schubbenpantsers werden in Egypte al gebruikt in de 15e eeuw voor Christus. Ook de Assyriërs gebruikten schubbenpantsers.
In 1 Koningen 22:34 wordt beschreven hoe koning Achab van Israël gedood wordt door een pijl die tussen de schubben van zijn pantser doordringt. Mogelijk gebeurde dat bij zijn oksel, een bekende zwakke plaats bij een schubbenpantser.

Harnas als metafoor

Het harnas wordt in de Bijbel ook een aantal keren gebruikt als beeld, bijvoorbeeld voor de gerechtigheid van God. In Jesaja 59:17 staat: “Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan en zette de helm van de redding op zijn hoofd”. In 1 Tessalonicenzen 5:8 wordt het harnas gebruikt als beeld voor de christenen die voorbereid moeten zijn op de komst van Christus, met “het harnas van geloof en liefde”.

Bijbelverzen

  • 1 Tessalonicenzen 5:8-9
  • 1 Samuel 17:38-39