Artikel

De tien geboden

Met de ‘tien geboden’ wordt verwezen naar de tien belangrijkste voorwaarden die gelden voor Gods verbond met Israël. Ze staan opgesomd in Exodus 20:1-17. Het grootste deel ervan bestaat uit verbodsregels. 
De tien geboden zijn van zeer groot belang geweest voor de ontwikkeling van de joods-christelijke beschaving.

Terminologie

De benaming ‘tien geboden’ komt uit Exodus 34:28. Daar krijgt Mozes het bevel om ‘de tien geboden’ (in het Hebreeuws letterlijk ‘de tien woorden’) op twee platte stenen te schrijven.

Opbouw

De tien geboden worden vaak onderverdeeld in drie delen:

  1. De proloog (Exodus 20:1-2) waarin God zichzelf bekendmaakt en de reden noemt waarom hij het volk de tien geboden geeft:
  2. De eerste vier geboden over de omgang van de mens met God:
    • tegen polytheïsme;
    • tegen beeldenverering; 
    • tegen het misbruiken van Gods naam;
    • over het vieren van de sabbat.
  3. De laatste zes geboden over de omgang van de mens met zijn naaste: een opsomming van sociale en morele basisprincipes voor de Israëlitische gemeenschap:
    • over het betonen van eerbied aan de ouders;
    • tegen moord;
    • tegen overspel;
    • tegen diefstal;
    • tegen het afleggen van een vals getuigenis; 
    • tegen hebzucht.

Twee versies

De tien geboden staan behalve in Exodus 20:1-17 ook in Deuteronomium 5:6-21. Er zijn kleine verschillen tussen de twee versies, met name in het vierde en tiende gebod.

Datering en auteurschap

De tien geboden in hun uiteindelijk vorm, zoals ze in de Bijbel staan, dateren waarschijnlijk uit de tijd van de ballingschap of de eeuw daarna (zesde of vijfde eeuw voor Christus). Maar in een oudere vorm kunnen ze al uit een veel vroegere periode stammen. Welk periode dat precies geweest is, daarover zijn de meningen verdeeld. In de bijbelse traditie zelf worden de tien geboden met Mozes in verband gebracht.
 

Toelichting

De tien geboden bevatten basisprincipes voor de omgang van de mens met God en met de medemens. Hieronder volgt bij elk gebod een korte toelichting.

  1. ‘Vereer naast mij geen andere goden’ In het eerste gebod eist God van het volk dat het alleen hem vereert en geen andere goden.
  2. ‘Maak geen godenbeelden …’ Het tweede gebod verbiedt iedere vorm van beeldenverering. Het gaat daarbij niet alleen om beelden van vreemde goden, maar ook om het verbeelden van de God van Israël zelf. In het Oude Nabije Oosten geloofde men dat je met behulp van godenbeelden een bepaalde macht over een godheid kon uitoefenen. Door het vereren van een godenbeeld kon je je verzekeren van de zegen en bescherming van de godheid. Het tweede verbod wil duidelijk maken dat de God van Israël een soevereine God is; mensen kunnen geen macht over hem uitoefenen en ze mogen dat ook niet proberen.
  3. ‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet…’ Aan de naam van God werd kracht toegekend. Mensen mogen de naam van God niet gebruiken om er zelf macht mee uit te oefenen. Ze mogen Gods naam bijvoorbeeld niet inzetten om een vloek of een valse eed te bekrachtigen.
  4. ‘Houd de sabbat in ere…’ De sabbat (de zevende dag) wordt aangewezen als een dag van rust voor mens en dier. Het is ook een dag om terug te denken aan Gods bevrijding van zijn volk uit Egypte (Deuteronomium 5:15). 
  5. ‘Toon eerbied voor uw vader en uw moeder …’ Het vijfde gebod is niet zozeer bedoeld voor jonge kinderen. Het is vrij algemeen gericht op het in standhouden van de familie – één van de belangrijkste bouwstenen van de (Israëlitische) samenleving.
  6. ‘Pleeg geen moord’ In de Hebreeuwse Bijbel wordt een woord gebruikt dat ‘vermoorden’ betekent, dus iemand doden buiten elk juridisch kader om. Misschien was deze regel specifiek bedoeld als een verbod op de individuele uitoefening van bloedwraak. De regel kan ook gaan over een onmenselijke behandeling die de dood tot gevolg heeft. 
  7. ‘Pleeg geen overspel’ Het zevende gebod staat voor de bescherming van het huwelijk. Het verbiedt seksuele gemeenschap tussen een (wel of niet getrouwde man) en de vrouw van een andere man. 
  8. ‘Steel niet’ Een verbod op het stelen van andermans eigendom. Misschien heeft de tekst ook het stelen van mensen op het oog, namelijk om die tot slaaf te maken. 
  9. ‘Leg over een ander geen vals getuigenis af …’ Het negende gebod verbiedt het afleggen van een vals getuigenis over iemand bij de rechter. Door zo’n getuigenis zou iemand ten onrechte ter dood veroordeeld kunnen worden (zie 1 Koningen 21:8-14). 
  10. ‘Zet uw zinnen niet op het huis van een ander …’ Het tiende gebod veroordeelt het verlangen van mensen om personen of dingen die niet van henzelf zijn, te willen hebben. Het verbiedt ook de actie om die begeerde personen of dingen in bezit te krijgen.

Bijbelverzen

  • Deuteronomium 5:6-21
  • Exodus 20:1-17