Artikel

vertrouwen OT

Vertrouwen heeft in het Oude Testament meestal te maken met de keus om te steunen op onbetrouwbare personen of dingen, of om alleen op God te vertrouwen. Vertrouwen en geloven zijn in het Oude Testament nauw met elkaar verbonden. Het Hebreeuwse woord aman kan zowel ‘vertrouwen' als ‘geloven’ betekenen.

Vertrouwen op personen of dingen

Het belangrijkste woord voor ‘vertrouwen’ in het Oude Testament is batach. Dit werkwoord betekende oorspronkelijk: zich in een veilige situatie bevinden, zich op zijn gemak voelen. Die betekenis komen we bijvoorbeeld tegen in Rechters 18:7.
In andere teksten betekent dit woord: vertrouwen. Vaak heeft het woord een negatieve bijklank: zich veilig wanen maar vervolgens bedrogen uitkomen, omdat iemand steunt op onbetrouwbare personen of dingen.
Dat is bijvoorbeeld het geval als mensen hun vertrouwen stellen op afgoden (Psalm 115:8; Jesaja 42:17), op andere mensen (Jeremia 17:5), op legers (Jesaja 36:4-9; Hosea 10:13) of op rijkdom (Spreuken 11:28; Psalm 49:7).

Vertrouwen op God

Het Oude Testament roept mensen op om geen steun te zoeken bij onbetrouwbare personen of dingen, maar alleen op God te vertrouwen (zie Spreuken 3:5;Jeremia 17:5-7). Alleen bij God vinden ze veiligheid. Juist als iemand zich in moeilijke en donkere omstandigheden bevindt, kan hij bij God veiligheid en bescherming zoeken (Jesaja 30:15; Jesaja 50:10). Wie op God vertrouwt, ontvangt rijkdom en bescherming en wordt met liefde omringd (Spreuken 28:25; Spreuken 29:25; Psalm 32:10).
In de psalmen belijden dichters regelmatig hun vertrouwen op God (zie Psalm 13:6; Psalm 26:1; Psalm 28:7). Steeds bevindt de psalmdichter zich in een noodsituatie en is er geen andere mogelijkheid dan om zijn toevlucht bij God te zoeken. Zich veilig voelen bij God is de enige vaste steun in het menselijk leven.

Vertrouwen en geloven

Het tweede woord voor ‘vertrouwen’ in het Hebreeuws is ʾaman. De algemene betekenis van dit woord is ‘vast zijn, zeker zijn, betrouwbaar zijn’. Het woord kan ook in specifieke zin gebruikt worden om aan te geven dat iemand op God vertrouwt. Wie zijn vertrouwen stelt op God, steunt op Gods standvastigheid en betrouwbaarheid (zie Genesis 15:6).
Het woord ʾaman kan ook vertaald worden met ‘geloven’ ((zie Psalm 78:22). Vertrouwen en geloven liggen in het Oude Testament dus dicht bij elkaar.

Bijbelverzen

  • Psalmen 26:1
  • Psalmen 28:7
  • Psalmen 32:10
  • Spreuken 28:25
  • Spreuken 29:25
  • Jesaja 30:15
  • Jesaja 50:10
  • Jeremia 17:5-7
  • Psalmen 13:6
  • Spreuken 3:5