Artikel

genade NT

Genade is in het Nieuwe Testament de onverdiende gunst en de goedheid die God aan mensen laat blijken. Vaak wordt dit verder ingevuld als Gods redding van de mensen door Jezus Christus.

Terminologie

In vertalingen van het Nieuwe Testament is ‘genade’ meestal de weergave van het Griekse woord charis. Dat woord betekent ‘gunst’ of ‘goedgunstigheid’, maar kan daarnaast ook ‘goedheid’, ‘geschenk’, ‘dank’, ‘zegen’ of ‘plezier’ betekenen.

Genade als hulp van God

Genade duidt in het Nieuwe Testament meestal op de hulp die God aan mensen geeft, of op de zegen die hij hun toebedeelt. Zo kunnen de christenen in Macedonië dankzij Gods genade de gemeente in Jeruzalem ondersteunen, ondanks hun eigen armoede (2 Korintiërs 8:1). God geeft zijn genade aan mensen die in nood zijn en die hem om hulp vragen (1 Petrus 5:5).

Genade als Gods redding door Christus

Genade verwijst in het Nieuwe Testament ook vaak naar de genade die God aan de mensen bewezen heeft dankzij Jezus Christus: Door Jezus worden gelovigen gered, ook al hebben ze dat niet verdiend. Paulus stelt Gods genade tegenover de daden van mensen. Hij schrijft dat gelovigen niet worden gered door hun eigen inspanningen–door zich te houden aan de Joodse wet–maar alleen door Gods genade (Efeziërs 2:8-9). Uit genade neemt God mensen als rechtvaardigen aan, als ze geloven in Jezus Christus (Galaten 2:21).
Ook in andere delen van het Nieuwe Testament, zoals in het evangelie volgens Johannes, worden verdienste door de wet en genade tegenover elkaar geplaatst (zie bijvoorbeeld Johannes 1:14-18).

Geestelijke gaven als genade

Het woordje charis (‘genade’) wordt in het Nieuwe Testament soms gebruikt met ongeveer dezelfde betekenis als charisma. Dan duidt het op geestelijke gaven waarmee gelovigen door God worden toegerust. Zo bestaat de ‘genade’ (charis) die Paulus van God ontvangt uit zijn apostelschap (Romeinen 12:3). Hier ligt waarschijnlijk het idee achter dat christenen van God ‘uit genade’ gaven ontvingen om de kerk op te bouwen.