Artikel

barmhartigheid OT

Barmhartigheid is in het Oude Testament: de liefde van God voor mensen of van mensen onderling, die tot uiting komt in daden.

Terminologie

Het woord ‘barmhartig’ is in vertalingen van het Oude Testament meestal gebruikt als weergave van het Hebreeuwse woord rachamim. Die term is afgeleid van racham of rèchèm, wat ‘moederschoot’ betekent. De moederschoot wordt in het Oude Testament geassocieerd met gevoelens van genegenheid en medelijden. In de Bijbel worden gevoelens en gedachten vaker in verband gebracht met een plaats in het menselijk lichaam. Zo zijn de nieren of het hart verbonden met de meest verborgen gedachten van de mensen.

Barmhartigheid van God

De belangrijkste betekenis van Gods barmhartigheid in het Oude Testament is: Gods liefdevolle handelen met en voor zijn volk, waarmee God laat zien dat hij trouw is aan het verbond met zijn uitverkoren volk.

Twee belangrijke kenmerken zijn dus:

1. Gods barmhartigheid bestaat steeds uit daden. Voorbeelden daarvan zijn:

  • God vergeeft het volk (of individuele personen), en herstelt de relatie tussen hem en de mens.
  • God bevrijdt zijn volk uit de ballingschap.
  • God zorgt voor zijn volk in de woestijn.

2. Gods daden komen voort uit de liefde voor Israël, en uit zijn trouw aan het verbond met zijn volk.

Barmhartigheid van mensen

Menselijke barmhartigheid betekent in het Oude Testament: rekening houden met de behoeften van andere mensen, en daarnaar handelen. Belangrijke kenmerken zijn:

  • Het innerlijke gevoel achter barmhartigheid is medelijden, compassie, menselijkheid. Maar dat gevoel uit zich altijd in daden van naastenliefde.
  • Barmhartigheid was vooral belangrijk binnen bepaalde verbanden van mensen met wie er een relatie was. Er is allereerst barmhartigheid voor familie, en dan voor leden van de eigen stam of gemeenschap. Maar ook voor mensen die van de gemeenschap afhankelijk zijn, zoals kinderen, weduwen en armen. Zij hebben een speciaal recht op barmhartigheid.

 

Bijbelverzen

  • Psalmen 25
  • Hosea 11:8
  • Jona 4
  • Exodus 33:18-23
  • Jesaja 57:14-21