Artikel

Genesis: opbouw

In het boek Genesis zijn twee delen te onderscheiden:

De oergeschiedenis

In Genesis 1-11 wordt de oergeschiedenis van de wereld beschreven:

  • De eerste hoofdstukken bevatten verhalen over de schepping van hemel en aarde, over Adam en Eva in de tuin van Eden, en over Kaïn en Abel. De verhalen laten zien wie de mens is en waartoe hij in staat is.
  • Vervolgens wordt verteld hoe de wereld ten onder gaat door de grote vloed en hoe Noach met zijn gezin in de ark gered worden. De vloed is als een omkering van de schepping, maar God maakt een nieuw begin.
  • Door middel van een aantal geslachtsregisters in Genesis 4, 5, 10 en 11 wordt de visie tot uitdrukking gebracht dat alle mensen Adam als gemeenschappelijke stamvader hebben.
  • De oergeschiedenis besluit met de torenbouw van Babel. Dit verhaal biedt een verklaring voor het feit dat de volken over de aarde zijn verspreid en verschillende talen spreken.

De voorgeschiedenis

In Genesis 11-50 worden de verhalen over de voorouders van Israël verteld in de vorm van één doorlopende familiegeschiedenis:

  • Eerst de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen, met de verhalen over Abraham en Sara (Genesis 11:27-25:18).
  • Vervolgens de geschiedenis van Isaak en zijn nakomelingen, met de verhalen over zijn zonen Jakob en Esau (Genesis 25:19-36:43).
  • Het laatste gedeelte van Genesis behandelt de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen, met zijn zoon Jozef in de hoofdrol (Genesis 37:1-50:26).

Een belangrijk thema in deze verhalen is de belofte van nakomelingschap en de bedreiging daarvan door kinderloosheid. Opvallend is dat de belofte niet via de oudste zoon vervuld wordt (Genesis 21:2 en Genesis 27:1-45).

Bijbelverzen

  • Genesis 21:2