Herziene Statenvertaling (HSV)
9

De bekering van Saulus

91

9:1
Hand. 8:3
22:4
26:9
1 Kor. 15:9
Gal. 1:13
1 Tim. 1:13
Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe

2en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen.

3

9:3
Hand. 22:6
En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam.
9:3
1 Kor. 15:8
2 Kor. 12:2
En plotseling
9:3
Hand. 26:13
omscheen hem een licht vanuit de hemel,

4en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?

5En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt.

9:5
Hand. 5:39
Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan.

6En hij zei, bevend en verbaasd: Heere,

9:6
Luk. 3:10
Hand. 2:37
16:30
wat wilt U dat ik doen zal? En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat u moet doen.

7

9:7
Dan. 10:7
En de mannen die met hem meereisden, stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand.

8En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.

9En gedurende drie dagen kon hij niet zien, en at en dronk hij niet.

Paulus en Ananias in Damascus

10En er was een zekere discipel in Damascus van wie de naam Ananias was; en de Heere zei tegen hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere.

11En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is,

9:11
Hand. 21:39
22:3
uit Tarsus, want zie, hij bidt,

12en hij heeft in een visioen gezien dat een man van wie de naam Ananias was, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende zou worden.

13Ananias antwoordde echter: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord

9:13
Vers
hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;

14en hij heeft hier volmacht van de overpriesters om allen gevangen te nemen die Uw Naam aanroepen.

15Maar de Heere zei tegen hem: Ga,

9:15
Hand. 13:2
22:21
Rom. 1:1
Gal. 1:15
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
want deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten.

16

9:16
Hand. 21:11
2 Kor. 11:23
Want Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.

17

9:17
Hand. 22:12
En Ananias ging heen en ging het huis binnen; en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u gekomen bent, opdat u weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden.

18En meteen vielen hem als het ware schellen van de ogen, en onmiddellijk werd hij weer ziende, en hij stond op en werd gedoopt.

19En toen hij voedsel genomen had, sterkte hij aan. En Saulus verbleef enige dagen bij de discipelen in Damascus.

Paulus in Damascus

20En meteen predikte hij Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.

21En allen die het hoorden, waren buiten zichzelf en zeiden: Is dit niet degene die in Jeruzalem hen die deze Naam aanriepen, uitroeide, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen?

22Maar Saulus werd meer en meer gesterkt en hij bracht de Joden die in Damascus woonden, in verwarring door aan te tonen dat Jezus de Christus is.

Paulus' vlucht uit Damascus

23En toen er veel dagen verlopen waren, beraadslaagden de Joden om hem te doden,

24maar hun samenzwering werd aan Saulus bekend.

9:24
2 Kor. 11:32
En zij bewaakten de poorten, zowel overdag als 's nachts, om hem te kunnen doden.

25Maar de discipelen namen hem 's nachts mee

9:25
Joz. 2:15
1 Sam. 19:12
en lieten hem door een opening in de muur neer, door hem in een mand te laten zakken.

26

9:26
Hand. 22:17
Toen Saulus nu in Jeruzalem gekomen was, probeerde hij zich bij de discipelen aan te sluiten, maar zij waren allen bevreesd voor hem, want zij geloofden niet dat hij een discipel was.

27

9:27
Hand. 11:25
Maar Barnabas nam hem onder zijn hoede, bracht hem naar de apostelen en vertelde hun hoe hij onderweg de Heere gezien had, dat Hij tot hem gesproken had en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus.

28En hij ging in Jeruzalem met hen in en uit.

29En hij sprak vrijmoedig in de Naam van de Heere Jezus; ook sprak en redetwistte hij met de Griekssprekenden, maar die probeerden hem te doden.

30Maar toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en stuurden hem vandaar weg naar Tarsus.

31De gemeenten dan in heel Judea, Galilea en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd; en zij wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting door de Heilige Geest en namen in aantal toe.

Petrus en Eneas

32En het gebeurde dat Petrus, toen hij overal rondreisde, ook bij de heiligen kwam die in Lydda woonden.

33En daar vond hij een man van wie de naam Eneas was, die al acht jaar op bed lag en verlamd was.

34En Petrus zei tegen hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en maak voor uzelf uw bed op! En hij stond meteen op.

35En allen die in Lydda en Sarona woonden, zagen hem en bekeerden zich tot de Heere.

Petrus en Dorkas

36En er was in Joppe een zekere discipelin van wie de naam Tabitha was, wat vertaald Dorkas betekent. Deze was overvloedig in goede werken, en in liefdegaven die zij schonk.

37En het gebeurde in die dagen dat zij ziek werd en stierf; en toen men haar gewassen had, legde men haar in de bovenzaal.

38En omdat Lydda vlak bij Joppe lag, stuurden de discipelen, toen zij hoorden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe, die smeekten dat hij zonder uitstel naar hen toe zou komen.

39En Petrus stond op en ging met hen mee; en toen hij daar gekomen was, brachten zij hem in de bovenzaal. En alle weduwen stonden bij hem, terwijl zij huilden en de onder- en bovenkleding toonden die Dorkas gemaakt had toen zij nog bij hen was.

40Maar nadat Petrus allen naar buiten had gestuurd, knielde hij neer en bad; en hij keerde zich naar het lichaam en zei: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open en zodra zij Petrus zag, ging zij overeind zitten.

41En hij gaf haar de hand en hielp haar opstaan. Hij riep de heiligen en de weduwen en plaatste haar levend voor hen.

42En dit werd bekend in heel Joppe, en velen geloofden in de Heere.

43En het gebeurde dat hij veel dagen in Joppe bleef, bij een zekere Simon, een leerlooier.

10

De hoofdman Cornelius

101En er was een man in Caesarea, van wie de naam Cornelius was, een hoofdman over honderd van de afdeling die de Italiaanse genoemd werd,

2een vroom man, die met heel zijn huis God vreesde, veel liefdegaven aan het volk gaf en voortdurend tot God bad.

3Hij zag in een visioen duidelijk, ongeveer op het negende uur van de dag, dat er een engel van God bij hem binnenkwam, die tegen hem zei: Cornelius!

4En hij hield de ogen op hem gericht en werd zeer bevreesd, en hij zei: Wat is er, heer? En de engel zei tegen hem: Uw gebeden en uw liefdegaven zijn als gedachtenis opgestegen naar God.

5Stuur nu mannen naar Joppe en ontbied Simon, die ook Petrus genoemd wordt.

6Deze is te gast bij een zekere Simon, een leerlooier, die zijn huis bij de zee heeft. Hij zal u zeggen wat u moet doen.

7En toen de engel die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven, en een vrome soldaat uit hen die steeds bij hem waren;

8en toen hij hun alles verteld had, stuurde hij hen naar Joppe.

9En de volgende dag, terwijl zij op reis waren en de stad naderden,

10:9
2 Kon. 4:33
Matt. 6:6
klom Petrus op het dak om te bidden, ongeveer op het zesde uur,

10en hij kreeg honger en wilde iets nuttigen. En terwijl zij het eten bereidden, raakte hij in geestvervoering.

11En hij zag de hemel geopend en een voorwerp naar zich toe komen, dat leek op een groot linnen laken, dat aan de vier hoeken vastgebonden was en neergelaten werd op de aarde,

12waarin zich al de viervoetige dieren van de aarde bevonden, de wilde en de kruipende dieren en de vogels in de lucht.

13En er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet!

14Maar Petrus zei: Beslist niet, Heere, want

10:14
Lev. 11:4
Deut. 14:7
ik heb nooit iets gegeten wat onheilig of onrein is.

15En er kwam opnieuw, voor de tweede keer, een stem tot hem:

10:15
Matt. 15:11
Rom. 14:17,20
1 Tim. 4:4
Tit. 1:15
Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onheilig houden!

16En dit gebeurde tot driemaal toe; en het voorwerp werd weer opgenomen in de hemel.

17Toen Petrus bij zichzelf twijfelde wat het visioen dat hij gezien had, kon betekenen, zie, daar stonden de mannen die door Cornelius gestuurd waren, bij de poort, nadat zij naar het huis van Simon gevraagd hadden.

18En zij riepen iemand en vroegen of Simon, die ook Petrus genoemd wordt, daar te gast was.

19Terwijl Petrus nog over dat visioen nadacht, zei de Geest tegen hem: Zie, drie mannen zoeken u;

20

10:20
Hand. 15:7
sta daarom op, ga naar beneden en reis met hen mee. Twijfel niet, want Ik heb hen gestuurd.

21En Petrus ging naar beneden, naar de mannen die door Cornelius naar hem toe gestuurd waren, en zei: Zie, ik ben het die u zoekt. Wat is de reden waarom u hier bent?

22En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, die God vreest en van wie heel het volk van de Joden een goed getuigenis geeft, is door een aanwijzing van God aangespoord door een heilige engel om u naar zijn huis te ontbieden om van u woorden van zaligheid te horen.

23Toen riep hij hen naar binnen en ontving hen als gast. En de volgende dag vertrok Petrus met hen, en enigen van de broeders uit Joppe gingen met hem mee.

24En de volgende dag kwamen zij in Caesarea aan. En Cornelius verwachtte hen en had zijn familieleden en beste vrienden bijeengeroepen.

25En het gebeurde, toen Petrus naar binnen ging, dat Cornelius hem tegemoetkwam, aan zijn voeten viel en hem aanbad.

26Maar Petrus richtte hem op en zei:

10:26
Hand. 14:14
Openb. 19:10
22:9
Sta op, ik ben zelf ook maar een mens.

27En terwijl hij met hem sprak, ging hij naar binnen en trof er velen aan die samengekomen waren.

28En hij zei tegen hen:

10:28
Ex. 23:32
34:15
Deut. 7:2
Joh. 4:9
18:28
Hand. 11:3
U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan;
10:28
Hand. 15:8
Efez. 3:6
maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen.

29Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, toen ik ontboden werd. Dus vraag ik om welke reden u mij hebt ontboden.

30En Cornelius zei: Vier dagen geleden had ik tot dit uur toe gevast, en op het negende uur bad ik in mijn huis.

31En zie, er stond een man in

10:31
Matt. 28:3
Mark. 16:5
Luk. 24:4
blinkende kleding voor mij en die zei: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw liefdegaven zijn bij God in gedachtenis gekomen.

32Stuur dan mensen naar Joppe en laat Simon halen, die ook Petrus genoemd wordt; deze is te gast in het huis van Simon, de leerlooier, bij de zee. Als hij hier gekomen is, zal hij tot u spreken.

33Dus heb ik ogenblikkelijk mensen naar u toe gestuurd, en u hebt er goed aan gedaan dat u hier gekomen bent. Wij zijn dan nu allen hier aanwezig, in de tegenwoordigheid van God, om alles te horen wat u door God bevolen is.

34En Petrus opende zijn mond en zei: Ik zie nu in waarheid in

10:34
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 34:19
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
dat God niet iemand om de persoon aanneemt;

35

10:35
Jes. 56:6
maar in ieder volk is degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig.

36Dit is het woord dat Hij gezonden heeft tot de Israëlieten,

10:36
Jes. 9:5
52:7
Joh. 16:33
Rom. 5:1
Kol. 1:20
waardoor Hij vrede verkondigt door Jezus Christus; Deze is de Heere van allen.

37U weet wat er gebeurd is in heel Judea,

10:37
Jes. 8:23
9:1
Matt. 4:12
Mark. 1:14,38,39
Luk. 4:14
wat begon in Galilea na de doop die Johannes gepredikt heeft:

38

10:38
Ps. 45:8
Jes. 61:1
Luk. 4:18
hoe God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht en hoe Hij het land doorgegaan is, terwijl Hij goeddeed en allen die door de duivel overweldigd waren, genas, want God was met Hem.

39En wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, zowel in het Joodse land als in Jeruzalem. Ze hebben Hem gedood door Hem aan een hout te hangen.

40

10:40
Mark. 16:14
Luk. 24:34
Joh. 20:19
Hand. 2:24
1 Kor. 15:15
Deze heeft God opgewekt op de derde dag en Hij heeft gegeven dat Hij zou verschijnen,

41niet aan heel het volk, maar aan de getuigen die door God tevoren verkozen waren, aan ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.

42

10:42
Matt. 28:19
Mark. 16:15
Joh. 15:16
En Hij heeft ons bevolen tot het volk te prediken en te getuigen dat Hij Degene is Die
10:42
Hand. 17:31
door God aangesteld is tot een Rechter over levenden en doden.

43

10:43
Gen. 3:15
22:18
26:4
49:10
Deut. 18:15
Ps. 132:11
Jes. 4:2
7:14
9:5
40:10
Jer. 23:5
33:14
Ezech. 34:23
37:24
Dan. 9:24
Micha 7:18-20
Van Hem getuigen al de profeten
10:43
Hand. 15:9
dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangen zal door Zijn Naam.

44

10:44
Hand. 8:17
Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.

45En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd,

46

10:46
Mark. 16:17
Hand. 2:4
want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus:

47

10:47
Hand. 8:36
11:17
Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen, die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden?

48En hij beval dat zij gedoopt zouden worden in de Naam van de Heere. Toen vroegen zij hem enkele dagen bij hen te blijven.

11

Petrus rechtvaardigt zijn omgang met heidenen

111De apostelen en de broeders die in Judea waren, hoorden dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden.

2En toen Petrus naar Jeruzalem gegaan was, bestreden zij die van de besnijdenis waren, hem

3en zeiden:

11:3
Ex. 23:32
34:15
Deut. 7:2
Joh. 18:28
U bent binnengegaan bij mannen die onbesneden zijn,11:3 die onbesneden zijn - Letterlijk: die de voorhuid hebben. en u hebt met hen gegeten.

4Maar Petrus begon het hun in goede orde uiteen te zetten en zei:

5

11:5
Hand. 10:9
Ik was in de stad Joppe aan het bidden en zag in geestvervoering een visioen: een bepaald voorwerp daalde neer, dat leek op een groot linnen laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd uit de hemel, en het kwam tot dicht bij mij.

6En toen ik hierop mijn ogen gericht hield en het aandachtig bekeek, zag ik de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogels in de lucht.

7En ik hoorde een stem, die tegen mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet.

8Maar ik zei: Beslist niet, Heere, want nooit is er

11:8
Lev. 11:4
Deut. 14:7
iets wat onheilig of onrein is, mijn mond binnengegaan.

9Maar de stem antwoordde mij voor de tweede keer uit de hemel: Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onheilig houden.

10Dit gebeurde tot driemaal toe; en alles werd weer opgetrokken in de hemel.

11En zie, ogenblikkelijk daarna stonden er drie mannen, die vanuit Caesarea naar mij toe gestuurd waren, voor het huis waarin ik was.

12

11:12
Hand. 10:19
15:7
En de Geest zei tegen mij dat ik met hen mee moest gaan en niet moest twijfelen. En met mij gingen ook deze zes broeders mee en wij zijn het huis van de man binnengegaan.

13En hij berichtte ons hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tegen hem zei: Stuur mannen naar Joppe en ontbied Simon die ook Petrus genoemd wordt.

14Die zal woorden tot u spreken waardoor u zalig zult worden en heel uw huis.

15En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals op ons in het begin.

16En ik herinnerde mij het woord van de Heere, hoe Hij zei:

11:16
Matt. 3:11
Mark. 1:8
Luk. 3:16
Joh. 1:26
Hand. 1:5
2:4
19:4
Johannes doopte wel met water,
11:16
Jes. 44:3
Joël 2:28
maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden.

17

11:17
Hand. 15:9
Als God dan aan hen dezelfde gave gegeven heeft als aan ons die in de Heere Jezus Christus geloven, wie was ik dan dat ik bij machte zou zijn God tegen te houden?

18En toen zij dit hoorden, waren zij gerustgesteld, en zij verheerlijkten God en zeiden: Zo heeft God dus ook aan de heidenen de bekering gegeven die tot het leven leidt.

De uitbreiding van het Evangelie naar Antiochië

19

11:19
Hand. 8:1,4
Zij nu die, door de verdrukking die in verband met Stefanus plaatsgevonden had, overal verspreid waren, gingen het land door tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij tot niemand het Woord spraken dan alleen tot de Joden.

20Er waren onder hen echter enkele mannen van Cyprus en uit Cyrene die, toen ze in Antiochië gekomen waren, het woord richtten tot de Griekssprekenden en de Heere Jezus verkondigden.

21

11:21
Hand. 2:47
5:14
En de hand van de Heere was met hen en een groot aantal geloofde en bekeerde zich tot de Heere.

22En het gerucht over hen kwam de gemeente die in Jeruzalem was, ter ore;11:22 kwam … ter ore - Letterlijk: werd in de oren … gehoord. en zij zonden Barnabas uit om het land door te gaan tot Antiochië toe.

23En toen hij daar gekomen was en de genade van God zag, werd hij verblijd

11:23
Hand. 13:43
14:22
en spoorde hij hen allen aan om met een hartelijk voornemen bij de Heere te blijven.

24Want hij was een goed man en

11:24
Hand. 4:36
6:5
vol van de Heilige Geest en van geloof; en er werd een grote menigte aan de Heere toegevoegd.

25

11:25
Hand. 9:27
En Barnabas vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië.

26En het gebeurde dat zij een heel jaar met de gemeente samenkwamen en een grote menigte onderwezen en dat de discipelen voor het eerst in Antiochië christenen genoemd werden.

Agabus voorspelt een grote hongersnood

27En in die dagen kwamen enkele profeten vanuit Jeruzalem naar Antiochië.

28En een van hen, van wie de naam

11:28
Hand. 21:10
Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius.

29En de discipelen besloten, ieder naar vermogen, iets te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden,

30en dat deden zij ook.

11:30
Hand. 12:25
En zij stuurden het naar de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]