Herziene Statenvertaling (HSV)
9

De uitzending van de twaalf

91Hij riep

9:1
Matt. 10:1
Mark. 3:13
6:7
Luk. 6:13
Zijn twaalf discipelen bijeen en gaf aan hen kracht en macht over alle demonen, en om ziekten te genezen,

2

9:2
Matt. 10:7
en Hij zond hen op weg om het Koninkrijk van God te prediken en de zieken te genezen.

3En Hij zei tegen hen:

9:3
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 22:35
Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld. Ook mag niemand van u twee stel onderkleren bij zich hebben.

4En welk huis u ook zult binnengaan, blijf daar en vertrek van daaruit.

5

9:5
Matt. 10:14
Mark. 6:11
Luk. 10:11
Hand. 13:51
18:6
En als ze u niet zullen ontvangen, vertrek dan uit die stad en schud ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

6Zij vertrokken en reisden door alle dorpen, en zij verkondigden het Evangelie en genazen overal de zieken.

Herodes wil Jezus zien

7

9:7
Matt. 14:1
Mark. 6:14
Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen die door Hem gebeurden. En hij verkeerde in onzekerheid, omdat door sommigen gezegd werd dat Johannes uit de doden was opgewekt,

8en door anderen dat Elia verschenen was, en door weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan was.

9En Herodes zei: Johannes heb ik onthoofd. Wie is Deze dan over Wie ik zulke dingen hoor? En hij probeerde Hem te zien te krijgen.

De eerste wonderbare spijziging

10

9:10
Mark. 6:30
En toen de apostelen teruggekeerd waren, vertelden zij Hem alles wat zij gedaan hadden.
9:10
Matt. 14:13
Mark. 6:31,32
Hij nam hen mee en vertrok, alleen met hen, naar een eenzame plaats bij een stad die Bethsaïda heette.

11Toen de menigte dat merkte, volgden zij Hem. Hij ontving hen en sprak tot hen over het Koninkrijk van God; en hen die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond.

12

9:12
Matt. 14:15
Mark. 6:35
Joh. 6:5
De dag begon te dalen. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Stuur de menigte weg, opdat zij naar de omliggende dorpen en gehuchten gaan om onderdak en voedsel te vinden, want wij zijn hier op een eenzame plaats.

13

9:13
Matt. 14:16
Mark. 6:37
Joh. 6:9
Maar Hij zei tegen hen: Geeft u hun te eten. Zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of wij zouden voor al dit volk voedsel moeten gaan kopen.

14Er waren namelijk ongeveer vijfduizend mannen. Maar Hij zei tegen Zijn discipelen: Laat hen gaan zitten in groepen, elk van vijftig.

15En zij deden dat en lieten allen plaatsnemen.

16En nadat Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel,

9:16
1 Sam. 9:13
en Hij zegende ze, brak ze en gaf ze aan de discipelen om aan de menigte voor te zetten.

17En zij aten en werden allen verzadigd. Wat zij overhadden van de stukken brood, werd opgeraapt: twaalf manden.

De belijdenis van Petrus

18

9:18
Matt. 16:13
Mark. 8:27
En het gebeurde, toen Hij in persoonlijk gebed was, dat de discipelen in Zijn nabijheid waren. En Hij vroeg hun: Wie zeggen de menigten dat Ik ben?

19Zij antwoordden en zeiden:

9:19
Matt. 14:2
Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan is.

20Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Petrus antwoordde en zei:

9:20
Joh. 6:69
De Christus van God.

Eerste aankondiging van het lijden

21En Hij sprak hen streng toe en beval dat zij dit tegen niemand zeggen zouden.

22Hij zei:

9:22
Matt. 16:21
17:22
Mark. 8:31
9:31
10:33
Luk. 18:31
24:7
De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden, en Hij moet gedood en op de derde dag opgewekt worden.

Aansporing tot zelfverloochening

23Hij zei tegen allen:

9:23
Matt. 10:38
16:24
Mark. 8:34
Luk. 14:27
Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.

24

9:24
Matt. 10:39
16:25
Mark. 8:35
Luk. 17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal omwille van Mij, die zal het behouden.

25Want wat baat het een mens heel de wereld te winnen en zichzelf te verliezen of zelf schade te lijden?

26

9:26
Matt. 10:33
Mark. 8:38
Luk. 12:9
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij zal komen in Zijn heerlijkheid en in die van de Vader en in die van de heilige engelen.

27

9:27
Matt. 16:28
Mark. 9:1
En Ik zeg u in waarheid: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, voordat zij het Koninkrijk van God gezien hebben.

De verheerlijking op de berg

28

9:28
Matt. 17:1
Mark. 9:2
Het gebeurde ongeveer acht dagen na deze woorden dat Hij Petrus en Johannes en Jakobus meenam en de berg opklom om te bidden.

29En het gebeurde terwijl Hij bad, dat de aanblik van Zijn gezicht veranderd werd9:29 veranderd werd - Letterlijk: een andere werd. en Zijn kleding blinkend wit werd.

30En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia.

31Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij zou volbrengen in Jeruzalem.

32Petrus en zij die bij hem waren, waren bevangen door slaap. Toen ze wakker geworden waren, zagen zij Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.

33En het gebeurde, toen zij bij Hem vandaan zouden gaan, dat Petrus tegen Jezus zei: Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een en voor Elia een; hij wist echter niet wat hij zei.

34Terwijl hij dit zei, kwam er een wolk, en die overschaduwde hen. Zij werden bevreesd toen zij de wolk ingingen.

35

9:35
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Dit is Mijn geliefde Zoon,
9:35
Deut. 18:19
Hand. 3:22
luister naar Hem!

36En toen de stem geklonken had, bevond Jezus Zich daar alleen. En zij zwegen en vertelden in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden.

De maanzieke jongen

37

9:37
Matt. 17:14
Mark. 9:17
Het gebeurde de volgende dag, toen zij van de berg afdaalden, dat een grote menigte Hem tegemoet kwam.

38En zie, een man uit de menigte riep: Meester, ik bid U, kijk toch naar mijn zoon, want hij is mijn enig kind.

39En zie, een geest grijpt hem en meteen schreeuwt hij; en hij doet hem zo stuiptrekken dat hij schuim op zijn mond krijgt; hij gaat nauwelijks bij hem vandaan en mishandelt hem.

40En ik heb Uw discipelen gevraagd hem uit te drijven, maar zij konden het niet.

41Jezus antwoordde en zei: O ongelovig en ontaard geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng uw zoon hier.

42Terwijl hij naar Hem toe ging, wierp de demon hem tegen de grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas het kind en gaf het aan zijn vader terug.

Tweede aankondiging van het lijden

43Zij allen stonden versteld van de grootheid van God. Toen zij zich allen verwonderden over alle dingen die Hij deed, zei Jezus tegen Zijn discipelen:

44Laat deze woorden tot uw oren doordringen,9:44 Laat … doordringen - Letterlijk: Legt u deze woorden in uw oren. want

9:44
Matt. 17:22
Mark. 9:31
de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen.

45

9:45
Luk. 2:50
18:34
Maar zij begrepen dat woord niet en het bleef voor hen verborgen, zodat het niet tot hen doordrong. En zij vreesden Hem een vraag te stellen over dat woord.

Waarschuwing tegen eerzucht

46

9:46
Matt. 18:1
Mark. 9:33
Luk. 22:24
Er ontstond een meningsverschil onder hen over de vraag wie van hen de belangrijkste was.

47Maar toen Jezus de overweging van hun hart zag, nam Hij een kind en zette dat bij Zich.

48

9:48
Matt. 18:5
Mark. 9:37
Joh. 13:20
En Hij zei tegen hen: Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij,
9:48
Luk. 10:16
Joh. 13:20
en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.
9:48
Matt. 23:11
Luk. 14:11
18:14
Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn.

49

9:49
Mark. 9:38
Johannes antwoordde en zei: Meester, wij hebben iemand gezien die in Uw Naam demonen uitdreef, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U niet samen met ons volgt.

50En Jezus zei tegen hem: Verbied het niet, want

9:50
Matt. 12:30
Luk. 11:23
wie niet tegen ons is, die is voor ons.

Jezus door Samaritanen verworpen

51Het geschiedde, toen de dagen van Zijn

9:51
Mark. 16:19
Hand. 1:2
1 Tim. 3:16
opneming vervuld werden, dat Hij Zijn aangezicht naar Jeruzalem keerde om daarheen te reizen.

52En Hij stuurde boden voor Zijn aangezicht uit. Op hun reis kwamen zij in een dorp van de Samaritanen om voor Hem voorbereidingen te treffen.

53Maar zij ontvingen Hem niet,

9:53
Joh. 4:9
omdat Hij op reis was naar Jeruzalem, waarheen Zijn aangezicht gericht was.

54Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook

9:54
2 Kon. 1:10,12
Elia gedaan heeft?

55Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt,

56

9:56
Joh. 3:17
12:47
want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.

Het volgen van Jezus

57

9:57
Matt. 8:19
Het gebeurde, toen zij onderweg waren, dat iemand tegen Hem zei: Heere, ik zal U volgen waar U ook heen gaat.

58Maar Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

59

9:59
Matt. 8:21
Tegen een ander zei Hij: Volg Mij. Maar die zei: Heere, sta mij toe dat ik wegga om eerst mijn vader te begraven.

60

9:60
Matt. 8:22
Maar Jezus zei tegen hem: Laat de doden hun doden begraven, maar u, ga heen en verkondig het Koninkrijk van God.

61Weer een ander zei: Heere, ik zal U volgen, maar

9:61
1 Kon. 19:20
sta mij eerst toe dat ik afscheid neem van hen die in mijn huis zijn.

62Jezus zei tegen hem:

9:62
Spr. 26:11
Filipp. 3:14
Hebr. 6:5
2 Petr. 2:20
Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God.

10

De uitzending van de zeventig

101Hierna wees de Heere nog zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor Zijn aangezicht uit naar iedere stad en plaats waar Hij komen zou.

2Hij zei dan tegen hen:

10:2
Matt. 9:37
Joh. 4:35
2 Thess. 3:1
De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt.

3

10:3
Matt. 10:16
Ga heen, zie, Ik zend u als lammeren te midden van de wolven.

4

10:4
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 9:3
22:35
Neem geen beurs, geen reiszak en geen sandalen mee,
10:4
2 Kon. 4:29
en groet niemand onderweg.

5

10:5
Matt. 10:12
Mark. 6:10
En welk huis u ook maar binnengaat, zeg eerst: Vrede zij dit huis!

6En als daar een zoon van vrede is, zal uw vrede op hem rusten. Zo niet, dan zal uw vrede tot u terugkeren.

7

10:7
1 Kor. 10:27
Blijf in dat huis en eet en drink wat u door hen voorgezet wordt,
10:7
Lev. 19:13
Deut. 24:14
25:4
Matt. 10:10
1 Kor. 9:4,14
1 Tim. 5:18
want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere huis.

8En welke stad u ook maar binnengaat en men ontvangt u, eet wat u voorgezet wordt,

9genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen.

10

10:10
Matt. 10:14
Mark. 6:11
Luk. 9:5
Maar welke stad u ook maar binnengaat en men ontvangt u niet, ga naar buiten, de straat op, en zeg:

11

10:11
Hand. 13:51
18:6
Zelfs het stof uit uw stad dat aan ons kleeft, schudden wij tegen u af. Maar weet dit, dat het Koninkrijk van God dicht bij u is gekomen.

12Ik zeg u dat het voor Sodom verdraaglijker zal zijn op die dag dan voor die stad.

13Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die in u plaatsgevonden hebben, dan zouden zij zich allang, in zak en as gezeten, bekeerd hebben.

14Maar het zal voor Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel dan voor u.

15En u, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden.

16

10:16
Matt. 10:40
Mark. 9:37
Joh. 13:20
Wie naar u luistert, die luistert naar Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij;
10:16
1 Thess. 4:8
en wie Mij verwerpt, die verwerpt Hem Die Mij gezonden heeft.

17De zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: Heere, zelfs de demonen zijn in Uw Naam aan ons onderworpen.

18Hij zei tegen hen:

10:18
Openb. 12:8,9
Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.

19

10:19
Mark. 16:18
Hand. 28:5
Zie, Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te trappen en de macht over alle kracht van de vijand; en niets zal u schade toebrengen.

20Verblijd u echter niet daarover dat de geesten aan u onderworpen zijn, maar verblijd u erover

10:20
Ex. 32:32
Jes. 4:3
Dan. 12:1
Filipp. 4:3
dat uw namen opgeschreven zijn in de hemel.

Het welbehagen van de Vader

21

10:21
Matt. 11:25
Op dat moment verheugde Jezus Zich in de geest en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen
10:21
Job 5:12
Jes. 29:14
1 Kor. 1:19
2:7,8
2 Kor. 3:14
voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, en ze aan jonge kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.

22

10:22
Ps. 8:7
Joh. 3:35
17:2
1 Kor. 15:27
Filipp. 2:10
Hebr. 2:8
Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand weet Wie de Zoon is dan de Vader, en Wie de Vader is dan de Zoon, en
10:22
Joh. 1:18
6:44,46
hij aan wie de Zoon het wil openbaren.

23En Hij keerde Zich naar de discipelen en zei tegen hen alleen:

10:23
Matt. 13:16
Zalig zijn de ogen die zien wat u ziet.

24

10:24
1 Petr. 1:10
Want Ik zeg u dat veel profeten en koningen de dingen hebben willen zien die u ziet, en zij hebben ze niet gezien; en te horen de dingen die u hoort, en zij hebben ze niet gehoord.

De barmhartige Samaritaan

25En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken, en zei: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

26En Hij zei tegen hem: Wat staat er in de Wet geschreven? Wat leest u daar?

27Hij antwoordde en zei:

10:27
Deut. 6:5
10:12
30:6
U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand,
10:27
Lev. 19:18
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
en uw naaste als uzelf.

28Hij zei tegen hem: U hebt juist geantwoord. Doe dat en u zult leven.

29Maar hij wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Jezus: Wie is mijn naaste?

30Jezus antwoordde en zei: Een man ging van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem de kleren uittrokken, hem daarbij slagen toedienden en hem bij hun vertrek halfdood lieten liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs diezelfde weg, en toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij.

32Evenzo ging ook een Leviet, toen hij op die plek kwam en hem zag, aan de overkant voorbij.

33Maar een Samaritaan die op reis was, kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, was hij met innerlijke ontferming bewogen.

34En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden en goot er olie en wijn op. Hij tilde hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.

35En toen hij de volgende dag wegging, haalde hij twee penningen10:35 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. tevoorschijn, en hij gaf ze aan de waard en zei tegen hem: Zorg voor hem, en wat u verder aan kosten maakt, zal ik u geven als ik terugkom.

36Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?

37En hij zei: Degene die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jezus zei tegen hem: Ga heen en doet u evenzo.

Maria en Martha

38Het gebeurde, toen zij onderweg waren, dat Hij in een dorp kwam. En een vrouw van wie de naam Martha was, ontving Hem in haar huis.

39En zij had een zuster die Maria heette, die

10:39
Hand. 22:3
ook aan de voeten van Jezus zat en naar Zijn woord luisterde.

40Maar Martha was druk bezig met bedienen. Nadat zij erbij was komen staan, zei zij: Heere, trekt U het Zich niet aan dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg toch tegen haar dat zij mij helpt.

41Jezus antwoordde en zei tegen haar: Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen.

42Slechts één ding is nodig. Maria heeft het goede deel uitgekozen,

10:42
Ps. 27:4
dat niet van haar zal worden afgenomen.

11

Het gebed des Heeren

111En het gebeurde, toen Hij ergens aan het bidden was, dat een van Zijn discipelen tegen Hem zei, toen Hij ophield: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.

2Hij zei tegen hen:

11:2
Matt. 6:9
Wanneer u bidt, zeg dan: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op de aarde.

3Geef ons elke dag ons dagelijks brood.

4En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan iedereen die ons iets schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Gebedsverhoring

5En Hij zei tegen hen: Stel dat iemand van u een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: Vriend, leen mij drie broden,

6want mijn vriend is van een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten,

7en dat die vriend van binnen uit het huis dan zou antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen zijn bij mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om ze u te geven.

8Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en ze hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zou hij toch om zijn onbeschaamdheid opstaan en hem er zoveel geven als hij nodig heeft.

9En Ik zeg u:

11:9
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Joh. 14:13
15:7
16:24
Jak. 1:5,6
1 Joh. 3:22
5:14
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.

10Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en wie klopt, voor hem zal er opengedaan worden.

11

11:11
Matt. 7:9
Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven, of ook als hij om een vis vraagt, hem in plaats van een vis een slang geven,

12of ook als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen geven?

13Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?

Jezus en Beëlzebul

14

11:14
Matt. 9:32
12:22
En Hij dreef een demon uit bij iemand, en deze kon niet spreken. En het gebeurde dat hij die niet kon spreken, toen de demon uitgevaren was, sprak. En de menigte verwonderde zich.

15Maar sommigen van hen zeiden:

11:15
Matt. 9:34
12:24
Mark. 3:22
Hij drijft de demonen uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen.

16Anderen

11:16
Matt. 16:1
verlangden van Hem, om Hem te verzoeken, een teken uit de hemel.

17Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen:

11:17
Matt. 12:25
Mark. 3:24
Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, valt.

18Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Want u zegt dat Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf.

19Als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen hen dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn.

20Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.

21Wanneer een sterke gewapende man zijn woning bewaakt, is alles wat hij heeft veilig.

22

11:22
Kol. 2:15
Maar als iemand die sterker is dan hij, op hem afkomt en hem overwint, neemt hij hem zijn hele wapenrusting, waarop hij vertrouwde, af en verdeelt zijn buit.

23

11:23
Matt. 12:30
Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; wie met Mij niet verzamelt, die drijft uiteen.

Terugkeer van de onreine geest

24

11:24
Matt. 12:43
Wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken. Maar wanneer hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik uit weggegaan ben.

25En wanneer hij aankomt, vindt hij het geveegd en opgeruimd.

26Dan gaat hij weg en neemt zeven andere geesten mee, die meer verdorven zijn dan hijzelf, en wanneer zij naar binnen gegaan zijn, gaan zij daar wonen;

11:26
Joh. 5:14
Hebr. 6:4,5
10:26
2 Petr. 2:20
en het einde van die mens wordt erger dan het begin.

De ware zaligheid

27Het gebeurde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de menigte haar stem verhief en tegen Hem zei: Zalig is de buik die U gedragen heeft, en zijn de borsten waaraan U gezogen hebt!

28Maar Hij zei:

11:28
Matt. 7:21
Joh. 6:29
Rom. 2:13
Veeleer zijn zij zalig die het Woord van God horen en het bewaren.

Het teken van Jona

29Toen de menigte te hoop liep, begon Hij te zeggen: Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan

11:29
Jona 1:17
2:10
het teken van de profeet Jona.

30Want zoals Jona voor de inwoners van Ninevé een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht.

31De koningin van het Zuiden zal in het oordeel samen met de mannen van dit geslacht opstaan en hen veroordelen,

11:31
1 Kon. 10:1
2 Kron. 9:1
Matt. 12:42
want zij is gekomen van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen en zie, meer dan Salomo is hier!

32De mannen van Ninevé zullen in het oordeel samen met dit geslacht opstaan en het veroordelen,

11:32
Jona 3:5
want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier!

De lamp van het lichaam

33

11:33
Matt. 5:15
Mark. 4:24
Luk. 8:16
Niemand die een lamp aansteekt, zet die in het verborgene, en ook niet onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat zij die binnenkomen, het licht kunnen zien.

34

11:34
Matt. 6:22
De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dan uw oog oprecht is, is ook heel uw lichaam verlicht; maar als het kwaadaardig is, is ook heel uw lichaam duister.

35Zie er dus op toe, dat het licht dat in u is, geen duisternis is.

36Als dus uw lichaam helemaal licht is, en geen enkel deel ervan duister is, zal het net zo geheel licht zijn als wanneer de lamp het met zijn schijnsel verlicht.

Het wee over de Farizeeën

37Toen Hij dit zei, vroeg een Farizeeër aan Hem of Hij bij hem de maaltijd wilde gebruiken. Hij ging naar binnen en ging aanliggen.

38Toen de Farizeeër dat zag, verwonderde hij zich erover

11:38
Mark. 7:3
dat Hij Zich niet eerst gewassen had voor het middagmaal.

39Maar de Heere zei tegen hem:

11:39
Matt. 23:25
Welnu, Farizeeën, u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel,
11:39
Tit. 1:15
maar uw binnenste is vol roofzucht en boosaardigheid.

40Onverstandigen! Heeft Hij Die het buitenste maakte, ook niet het binnenste gemaakt?

41

11:41
Jes. 58:7
Dan. 4:27
Luk. 12:33
Geef echter de inhoud ervan als liefdegave en zie, alles is voor u rein.

42

11:42
Matt. 23:23
Maar wee u, Farizeeën, want u geeft tienden van de munt en de wijnruit en van alle kruiden,
11:42
1 Sam. 15:22
Hos. 6:6
Micha 6:8
Matt. 9:13
12:7
maar u gaat voorbij aan het recht en aan de liefde van God. Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten.

43

11:43
Matt. 23:6
Mark. 12:38
Luk. 20:46
Wee u, Farizeeën, want u hebt de voorste plaatsen in de synagogen en de begroetingen op de markten lief.

44

11:44
Matt. 23:27
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent net als de graven die niet zichtbaar zijn: de mensen die erover lopen, weten het niet.

45Een van de wetgeleerden antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wanneer u deze dingen zegt, behandelt U ons ook smadelijk.

46

11:46
Jes. 10:1
Matt. 23:4
Hand. 15:10
Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden, want u legt de mensen lasten op die moeilijk zijn om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet met één van uw vingers aan.

47

11:47
Matt. 23:29
Wee u, want u bouwt de grafmonumenten voor de profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood.

48U getuigt dus dat u van harte instemt met de daden van uw vaderen, want zij hebben hen gedood en u bouwt hun grafmonumenten.

49Daarom heeft de wijsheid van God gezegd:

11:49
Matt. 10:16
Luk. 10:3
Joh. 16:2
Hand. 7:51
Hebr. 11:35
Ik zal profeten en apostelen naar hen toe zenden, en van hen zullen zij sommigen doden en anderen vervolgen,

50opdat van dit geslacht afgeëist wordt het bloed van alle profeten dat van de grondlegging van de wereld af vergoten is,

51

11:51
Gen. 4:8
Hebr. 11:4
van het bloed van Abel
11:51
2 Kron. 24:21
tot het bloed van Zacharia, die omgebracht is tussen het altaar en het huis van God. Ja, Ik zeg u, het zal afgeëist worden van dit geslacht.

52

11:52
Matt. 23:13
Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf bent u niet binnengegaan en u hebt hen die binnengingen, tegengehouden.

53Toen Hij deze dingen tegen hen zei, begonnen de schriftgeleerden en Farizeeën hevig tegen Hem tekeer te gaan en dwongen zij Hem Zich over veel dingen uit te spreken:

54zij spanden strikken voor Hem om iets uit Zijn mond op te vangen, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen.