Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Eerste brief: aan Efeze

21Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die te midden van de zeven gouden kandelaren wandelt:

2Ik ken uw werken, uw inspanning en uw volharding, en weet dat u slechte mensen niet kunt verdragen, en dat u hen op de proef hebt gesteld die van zichzelf zeggen dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat u hebt ontdekt dat zij leugenaars zijn.

3En u hebt moeilijkheden verdragen, en volharding getoond. Om Mijn Naam hebt u zich ingespannen en u bent niet moe geworden.

4Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten.

5Bedenk dan van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.

6Maar dit hebt u vóór, dat u de werken

2:6
Vers
van de Nikolaïeten haat, die ook Ik haat.

7Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van

2:7
Gen. 2:9
Openb. 22:2
de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat.

Tweede brief: aan Smyrna

8En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de

2:8
Jes. 41:4
44:6
Openb. 1:17
Eerste en de Laatste, Die dood is geweest en weer levend is geworden:

9Ik ken uw werken, verdrukking en armoede – u bent echter rijk – en Ik ken de lastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn; zij zijn namelijk een synagoge van de satan.

10Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.

11

2:11
Matt. 13:9
Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood.

Derde brief: aan Pergamus

12En schrijf aan de engel van de gemeente in Pergamus: Dit zegt Hij Die het

2:12
Vers
tweesnijdende, scherpe zwaard heeft:

13Ik ken uw werken en weet waar u woont, namelijk waar de troon van de satan is. U houdt vast aan Mijn Naam, en u hebt het geloof in Mij niet verloochend, zelfs niet in de dagen van Antipas, Mijn trouwe getuige, die gedood werd bij u, waar de satan woont.

14Maar Ik heb enkele dingen tegen u, namelijk dat u daar mensen hebt die zich houden aan de leer van

2:14
Num. 22:23
24:14
25:1
31:16
Bileam, die Balak leerde voor de Israëlieten een struikelblok neer te leggen, opdat zij afgodenoffers zouden eten en hoererij bedrijven.

15Zo hebt u er ook die zich houden aan de leer van de Nikolaïeten en dat haat Ik.

16Bekeer u. En zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal Ik tegen hen oorlog voeren

2:16
Jes. 49:2
Efez. 6:17
Hebr. 4:12
Openb. 1:16
met het zwaard van Mijn mond.

17Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt.

Vierde brief: aan Thyatira

18En schrijf aan de engel van de gemeente in Thyatira: Dit zegt de Zoon van God,

2:18
Openb. 1:14,15
Die ogen heeft als een vuurvlam en voeten als blinkend koper:

19Ik ken uw werken, de liefde, het dienstbetoon, het geloof, uw volharding en uw werken, en ook dat de laatste meer zijn dan de eerste.

20Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u de vrouw

2:20
1 Kon. 16:31
2 Kon. 9:7
Izebel, die van zichzelf zegt dat zij een profetes is, ongemoeid haar gang laat gaan om te onderwijzen en Mijn dienstknechten te misleiden, zodat zij hoererij bedrijven en afgodenoffers eten.

21En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich van haar hoererij zou bekeren, maar zij heeft zich niet bekeerd.

22Zie, Ik werp haar te bed, en breng hen die overspel met haar plegen, in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van hun werken.

23En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten

2:23
1 Sam. 16:7
1 Kron. 28:9
29:17
Ps. 7:10
Jer. 11:20
Hand. 1:24
dat Ik het ben Die nieren en harten doorzoekt,
2:23
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
14:12
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 20:12
en Ik zal u geven eenieder naar uw werken.

24Maar Ik zeg tegen u, en tegen de overigen in Thyatira, voor zover zij deze leer niet hebben en zij, zoals zij dat noemen, de diepten van de satan niet hebben leren kennen: Ik zal u geen andere last opleggen

25dan deze:

2:25
Openb. 3:11
Houd vast aan wat u hebt totdat Ik kom.

26En wie overwint en wie Mijn werken tot het einde toe in acht neemt, hem zal

2:26
Ps. 2:8
Ik macht geven over de heidenvolken.

27En hij zal hen hoeden met een ijzeren staf – zij zullen als kruiken van een pottenbakker verbrijzeld worden – zoals ook Ik die macht van Mijn Vader heb ontvangen.

28En Ik zal hem de morgenster geven.

29Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

3

Vijfde brief: aan Sardis

31En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die

3:1
Openb. 1:4
de zeven Geesten van God heeft en
3:1
Openb. 1:16
de zeven sterren: Ik ken uw werken, en weet dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent dood.

2Wees waakzaam en versterk het overige dat dreigt te sterven, want Ik heb uw werken niet vol bevonden voor God.

3Bedenk dan hoe u het hebt ontvangen en gehoord, en houd het vast en

3:3
Vers
bekeer u. Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen
3:3
Matt. 24:43
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 16:15
als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen.

4Maar u hebt ook in Sardis enkele personen3:4 personen - Letterlijk: namen. die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn.

5Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen

3:5
Ex. 32:32
Ps. 69:29
Filipp. 4:3
Openb. 20:12
21:27
uit het boek des levens, maar
3:5
Matt. 10:32
Luk. 12:8
Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

6Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Zesde brief: aan Filadelfia

7En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige,

3:7
Vers
de Waarachtige,
3:7
Job 12:14
Jes. 22:22
Openb. 1:18
Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent:

8Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend.

9Zie, Ik geef u enigen

3:9
Openb. 2:9
uit de synagoge van de satan, van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen. Zie, Ik zal maken dat zij komen en aan uw voeten aanbidden en erkennen dat Ik u liefheb.

10Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.

11Zie, Ik kom spoedig.

3:11
Openb. 2:25
Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen.

12Wie overwint, hem zal Ik

3:12
1 Kon. 7:21
tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal
3:12
Openb. 22:4
de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God,
3:12
Openb. 21:2,10
het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam.

13Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Zevende brief: aan Laodicea

14En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt

3:14
Openb. 1:5,6
de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige,
3:14
Kol. 1:15
het begin van Gods schepping:

15Ik ken uw werken, en weet dat u niet koud en niet heet bent. Was u maar koud of heet!

16Maar omdat u lauw bent en niet koud en ook niet heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.

17Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.

18Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt, en

3:18
2 Kor. 5:3
Openb. 7:13
16:15
19:8
witte kleren, opdat u bekleed bent en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt. En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien.

19

3:19
Job 5:17
Spr. 3:12
Hebr. 12:5
Ieder die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik. Wees dan ijverig en bekeer u.

20Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij.

21Wie overwint,

3:21
Matt. 19:28
1 Kor. 6:2
zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.

22Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

4

Lof van de vierentwintig ouderlingen en de vier dieren

41Hierna zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel. En de eerste stem die ik als van een bazuin met mij had horen spreken, zei: Kom hier, omhoog, en Ik zal u laten zien wat hierna moet geschieden.

2En meteen raakte ik in geestvervoering. En zie, er stond een troon in de hemel, en op de troon zat Iemand.

3En Hij Die daar zat, zag eruit als4:3 zag eruit als - Letterlijk: was in uiterlijk gelijk aan; zie ook het tweede deel van dit vers. de stenen jaspis en sardius. En er was een regenboog rondom de troon, die eruitzag als een smaragd.

4En rondom de troon stonden vierentwintig tronen. En op de tronen zag ik de vierentwintig ouderlingen zitten, bekleed met witte kleren, en met gouden kronen op hun hoofd.

5En uit de troon kwamen bliksemstralen, donderslagen en stemmen. En er stonden zeven vurige fakkels te branden vóór de troon. Dit zijn de zeven Geesten van God.

6En vóór de troon was

4:6
Openb. 15:2
een glazen zee, als kristal. En in het midden van de troon en om de troon heen waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.

7En het eerste dier leek op een leeuw, het tweede dier leek op een kalf, het derde dier had het gezicht als van een mens, en het vierde dier leek op een vliegende arend.

8En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en vanbinnen waren die vol ogen. Ze hadden geen rust en zeiden dag en nacht:

4:8
Jes. 6:3
Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige,
4:8
Openb. 1:4,8
11:17
16:5
Die was, Die is, en Die komt!

9En telkens wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dank brachten aan Hem Die op de troon zat en Die leeft in alle eeuwigheid,

10wierpen de vierentwintig ouderlingen zich neer voor Hem Die op de troon zat, aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen neer vóór de troon en zeiden:

11

4:11
Openb. 5:12
U bent het waard, Heere, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen.