Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

141

14:1
Sir. 19:16
25:8
Gelukkig is de mens die geen misleidende woorden spreekt,

die niet wordt geplaagd door wroeging over zijn zonden.

2Gelukkig is de mens die zichzelf niets te verwijten heeft,

die de hoop niet verliest.

3

14:3
Pred. 5:9
6:2
Een vrek geniet niet van zijn rijkdom,

waartoe dient het bezit van een gierigaard?

4

14:4
Job 27:16-17
Spr. 13:22
Pred. 2:21
Luc. 12:16-21
Wie alles oppot en zichzelf tekortdoet spaart voor anderen,

zij zullen van zijn bezit genieten.

5Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij goed zijn?

Hij verheugt zich niet eens over zijn eigen bezit.

6

14:6
Spr. 11:17
Geen slechter mens dan wie gierig voor zichzelf is,

dat alleen al is de straf voor zijn slechtheid.

7Als hij goeddoet is dat ondanks zichzelf,

maar zijn slechtheid komt toch aan het licht.

8Slecht is een mens met hebzuchtige ogen,

die van anderen wegkijkt en hen niet ziet staan.

9De ogen van een vrek zijn niet tevreden met hun deel,

zijn onrechtvaardigheid en slechtheid vreten aan hem.

10

14:10
Spr. 23:6-8
Een hebzuchtig mens begeert voedsel,

maar zijn eigen tafel is karig gedekt.

11Mijn kind, als je iets bezit, doe jezelf dan te goed

en breng de Heer op een waardige manier offers.

12Bedenk dat de dood niet uitblijft,

de afspraak met het dodenrijk jou niet is onthuld.

13Wees goed voor een vriend voordat je sterft,

steek hem de hand toe naar vermogen, geef aan hem.

14

14:14
Pred. 2:24
Laat de goede dagen je niet ontsnappen,

het genot waarop je recht hebt niet aan je voorbijgaan.

15De vrucht van je gezwoeg laat je toch niet aan een ander na,

wat je hebt verworven laat je toch niet door het lot verdelen?

16

14:16
Pred. 9:10
Geef, neem en geniet,

want in het dodenrijk zijn geen genoegens.

17

14:17
Jes. 40:6
Alles wat leeft verslijt als een kledingstuk,

al sinds het begin geldt de afspraak: ‘Je zult sterven.’

18

14:18
Pred. 1:4
Zoals het gaat met het loof van jonge twijgen aan een volle boom

– het ene blad valt, het andere groeit –

zo gaat het met schepselen van vlees en bloed:

de ene generatie sterft, de andere wordt geboren.

19Alles wat een mens maakt, vergaat en verrot,

en hijzelf gaat mee ten onder.

Wijsheid brengt geluk

20

14:20-27
Spr. 8:32-35
Gelukkig is de mens die zich verdiept in wijsheid,

die naar inzicht streeft,

21

14:21
Spr. 2:2-6
de wegen van de wijsheid overdenkt,

haar geheimen tracht te doorgronden.

22Laat hij het spoor van de wijsheid volgen,

bij haar poorten naar haar spieden.

23Hij blikt door haar vensters,

luistert aan haar deuren.

24Hij vestigt zich bij haar huis,

slaat zijn tentpin in haar muren.

25Hij zet zijn tent vlak bij haar neer,

hij vestigt zich op een goede plaats.

26Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting

en woont onder haar takken.

27Zij beschermt hem tegen de hitte,

in haar luister woont hij.

15

151Zo handelt wie ontzag heeft voor de Heer,

wie in de wet is onderlegd zal wijsheid verwerven.

2

15:2
Wijsh. 8:2
Ze komt hem tegemoet als een moeder,

als een ongerepte vrouw wacht zij hem op.

3

15:3-6
Wijsh. 8:10-15
15:3
Spr. 9:5
Sir. 24:19-22
Ze geeft hem het brood van inzicht te eten,

het water van wijsheid laat zij hem drinken.

4Hij steunt op haar en wankelt niet,

hij verlaat zich op haar en wordt niet teleurgesteld.

5Ze verheft hem boven zijn naaste,

te midden van het verzamelde volk laat zij hem spreken.

6Blijdschap en een vreugdekrans worden zijn deel,

hij krijgt een onvergankelijke naam.

7Onverstandige mensen verwerven geen wijsheid,

zondaars leren haar niet kennen.

8

15:8
Spr. 8:13
Wijsheid staat ver af van hoogmoed,

bedriegers denken niet aan haar.

9Een lofprijzing uit de mond van een zondaar is misplaatst,

ze is niet ingegeven door de Heer.

10Een lofprijzing moet met wijsheid worden uitgesproken,

dan geeft de Heer er zijn zegen aan.

Vrijheid om te kiezen

11

15:11
Gen. 3:12-13
Jak. 1:13-14
Zeg niet: ‘Het is door de Heer zelf

dat ik mij van hem heb afgewend,’

want wat hij haat veroorzaakt hij niet.

12Zeg niet: ‘Hijzelf heeft mij doen dwalen,’

want aan zondaars heeft hij geen behoefte.

13De Heer haat alles wat gruwelijk is,

wie ontzag voor hem heeft, heeft dat alles niet lief.

14

15:14
Gen. 2:7,16-17
Hijzelf heeft de mens in het begin gemaakt

en hem de vrijheid gegeven zelf te beslissen.

15Als je het wilt kun je de geboden naleven,

hem trouw zijn omdat je daarvoor kiest.

16Hij heeft je vuur en water voorgezet:

strek je hand uit naar wat je verkiest.

17

15:17
Deut. 11:26-28
30:15-20
Jer. 21:8
Vóór de mens liggen het leven en de dood,

hij krijgt waar hij voor kiest.

18

15:18
Ps. 33:13-18
Groot is de wijsheid van de Heer,

zijn macht is overweldigend, alles ziet hij.

19

15:19
Ps. 34:16
Sir. 17:15,20
39:19
42:18-20
Zijn ogen zijn gericht op wie ontzag voor hem heeft,

elke daad van de mens is hem bekend.

20Hij heeft niemand opgedragen goddeloos te zijn,

niemand toestemming gegeven te zondigen.

16

Straf voor zondaars

161

16:1
Spr. 17:21
19:13
Verlang niet naar veel kinderen als ze niet deugdzaam zijn,

wees niet blij met goddeloze zonen.

2Wanneer je veel kinderen krijgt, verheug je dan niet over hen

als ze geen ontzag voor de Heer hebben.

3

16:3
Wijsh. 4:1
Vertrouw er niet op dat ze blijven leven,

verlaat je niet op hun grote aantal,

want je zult voortijdig rouwen,

je zult hen plotseling zien sterven.

Beter één kind dat de wil van God doet dan duizend andere,

beter dat je kinderloos sterft dan dat je goddeloze kinderen hebt.

4

16:4
Gen. 18:16-33
Wijsh. 3:19
Door één verstandig mens blijft een stad bewoond,

maar een volk van wettelozen wordt vernietigd.

5Dergelijke dingen heb ik vaak gezien,

over nog ergere heb ik gehoord.

6

16:6
Num. 11:1
16:1-35
Onder de zondaars werd het vuur ontstoken,

onder het ongehoorzame volk ontbrandde de toorn.

7

16:7
Gen. 6:4-7
Hij vergaf de giganten uit de voortijd niet,

die zich, machtig als ze waren, van hem hadden afgewend.

8

16:8
Gen. 19:1-29
Het volk waarbij Lot als vreemdeling woonde spaarde hij niet,

hij gruwde van hen om hun hoogmoed.

9Hij had geen medelijden met het volk dat ten onder zou gaan,

met hen die om hun zonden werden uitgeroeid.

Dit alles deed hij met de halsstarrige volken,

en zelfs zijn getrouwen konden hem niet vermurwen.

10

16:10
Ex. 12:37
Num. 11:21
14:22-23
26:65
Sir. 46:8
Zo deed hij ook met zeshonderdduizend man voetvolk,

die, halsstarrig als ze waren, samenschoolden.

Hij geselde hen, maar had ook erbarmen,

hij sloeg hen, maar genas hen ook,

zo heeft de Heer hen door tucht en barmhartigheid behouden.

11

16:11
Ex. 34:6-7
Deut. 4:24,31
Sir. 5:6
Ook al zou er maar één hardnekkig zijn,

het zou een wonder zijn als hij ongestraft bleef.

Want de Heer is barmhartig, maar kent ook woede,

hij kan vergeven, maar stort ook zijn toorn uit.

12Zo groot als zijn barmhartigheid, zo groot is zijn bestraffing;

hij beoordeelt een mens naar zijn daden.

13De zondaar ontkomt niet met zijn buit,

het geduld van een vroom mens blijft niet onbeloond.

14De Heer geeft alle kans om goed te doen,

ieder mens wordt beloond naar zijn daden.

15De Heer heeft de farao halsstarrig gemaakt,

opdat deze hem niet zou erkennen,

maar de daden van de Heer in heel de wereld bekend zouden worden.

16Zijn barmhartigheid is voor heel de schepping zichtbaar,

zowel zijn licht als de duisternis heeft hij de mens gegeven.

17

16:17
Ps. 94:7
139:7-12
Jer. 23:24
Amos 9:2-3
Zeg niet: ‘Ik blijf verborgen voor de Heer,

wie daarboven zou aan mij denken?

In de massa val ik toch niet op,

wie ben ik in die onmetelijke schepping?’

18Besef dat de hemelen, tot de hoogste hemel toe,

de diepte van de zee en de aarde zullen beven onder zijn blik,

heel de wereld, die geschapen is en door zijn wil bestaat.

19

16:19
Job 37:1-7
Ps. 18:8
Dan zullen ook de bergen en de fundamenten van de aarde

trillen en beven onder zijn blik.

20Maar wie doorgrondt dit alles,

wie kan de wegen van de Heer bevatten?

21Zoals een storm die geen mens kan zien,

zo zijn de meeste van zijn daden verborgen.

22Wie verkondigt zijn rechtvaardige daden, wie wacht erop?

De afspraak met het dodenrijk is ver weg,

pas aan het einde wordt alles getoetst.

23Zo denkt een mens zonder verstand,

zo onverstandig denkt een dwaas die dwaalt.

De werken van de Heer

24

16:24
Spr. 1:23
Mijn kind, luister naar mij en verwerf kennis,

neem mijn woorden ter harte.

25Ik zal weloverwogen onderricht geven,

nauwgezet kennis overdragen.

26

16:26
Gen. 1:1
Sir. 42:21
De Heer heeft zijn werken in het begin geschapen,

en toen hij ze schiep, gaf hij ze ook hun plaats.

27Hij heeft hun taken voor altijd geordend

en hun werkgebied voor generaties vastgesteld.

Ze hebben geen honger en worden niet moe,

leggen hun taken nooit neer.

28Ze onderdrukken elkaar niet,

altijd blijven ze hun opdracht vervullen.

29Daarna keek de Heer naar de aarde,

hij vulde haar met goede gaven.

30

16:30
Gen. 1:24-25
Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt,

en die keren alle naar haar terug.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]