Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
28

De profeet Jeremia tegenover de profeet Chananja

281

28:1
2 Kon. 24:18-20
2 Kron. 36:11-13
Jer. 52:1
In datzelfde jaar, in de vijfde maand van het vierde regeringsjaar van koning Sedekia van Juda,28:1 in de vijfde maand van het vierde regeringsjaar van koning Sedekia van Juda – Volgens de Septuaginta. MT: ‘in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda, in de vijfde maand van het vierde jaar’. zei de profeet Chananja uit Gibeon, de zoon van Azzur, in de tempel van de HEER ten overstaan van de priesters en alle andere aanwezigen tegen mij: 2‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga het juk van de koning van Babylonië breken. 3Binnen twee jaar zal ik alle kostbaarheden uit de tempel van de HEER, die koning Nebukadnessar heeft meegevoerd naar Babel, naar Jeruzalem terugbrengen. 4Ik zal ook koning Jechonja, de zoon van Jojakim, en alle ballingen uit Juda die naar Babel zijn gevoerd, naar Jeruzalem terugbrengen – spreekt de HEER. Want ik ga het juk van de koning van Babylonië breken.’ 5Toen antwoordde de profeet Jeremia de profeet Chananja ten overstaan van de priesters en alle anderen die in de tempel van de HEER aanwezig waren: 6‘Ja! Laat de HEER dat doen. Hopelijk laat hij jouw profetie uitkomen en brengt hij al het tempelgerei en alle ballingen uit Babylonië naar deze stad terug. 7Maar luister nu naar wat ik jou en alle anderen te zeggen heb. 8Sinds mensenheugenis hebben de profeten die vóór jou en mij hebben geleefd tegen veel landen en machtige koninkrijken niets dan oorlogen, onheil en pest geprofeteerd. 9
28:9
Deut. 18:21-22
Van een profeet die voorspoed en vrede profeteert, weten we pas dat hij inderdaad door de HEER gezonden is als zijn woorden uitkomen.’ 10Chananja nam toen het juk van Jeremia’s nek, brak het in stukken 11en zei ten overstaan van allen die daar waren: ‘Dit zegt de HEER: Zo zal ik binnen twee jaar het juk van koning Nebukadnessar van Babylonië van alle volken afnemen en in stukken breken.’ Hierop verliet Jeremia de tempel.

12Enige tijd later richtte de HEER zich tot Jeremia: 13‘Ga naar Chananja en zeg hem: Dit zegt de HEER: Je hebt een houten juk in stukken gebroken en het door een ijzeren juk vervangen. 14

28:14
Jer. 27:6
Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik leg alle volken een ijzeren juk op, waarmee ze koning Nebukadnessar van Babylonië moeten dienen. Zelfs de wilde dieren onderwerp ik aan hem.’ 15De profeet Jeremia zei toen tegen de profeet Chananja: ‘Luister goed, Chananja! Jij bent niet door de HEER gezonden. Je hebt bij het volk valse hoop gewekt. 16
28:16
Deut. 13:6
Daarom – dit zegt de HEER: Ik zal je alsnog zenden, ik zend je weg van de aarde. Je zult nog dit jaar sterven, want met je profetieën heb je het volk opgezet tegen de HEER.’ 17En de profeet Chananja stierf nog datzelfde jaar, in de zevende maand.

29

Jeremia’s brief aan de ballingen

291

29:1-2
2 Kon. 24:12-16
2 Kron. 36:10
Hier volgt de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem heeft gestuurd aan de overgebleven oudsten onder de ballingen, aan de priesters, de profeten en alle anderen die Nebukadnessar vanuit Jeruzalem naar Babel had gevoerd. 2Hij schreef deze brief toen koning Jechonja, de koningin-moeder, de hovelingen, de leiders van Jeruzalem en Juda en de smeden en wapenmakers al uit Jeruzalem waren weggevoerd. 3Hij liet hem bezorgen door Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Chilkia, de gezanten die namens koning Sedekia van Juda naar koning Nebukadnessar in Babel reisden. De brief had de volgende inhoud:

4‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, tegen de ballingen die hij vanuit Jeruzalem naar Babel heeft laten voeren: 5Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, 6ga huwelijken aan en verwek zonen en dochters, zoek vrouwen voor je zonen en huw je dochters uit, zodat zij zonen en dochters baren. Jullie moeten in aantal toenemen, niet afnemen. 7Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei.

8Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen. 9Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER.

10

29:10
2 Kron. 36:21
Ezra 1:1-3
Jer. 25:11
Dan. 9:2
Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. 11Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 12Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13
29:13
Deut. 4:29
Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. 14Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren.

15Misschien zeggen jullie: “De HEER heeft ons toch ook in Babel profeten gegeven?” 16Maar dit zegt de HEER over de koning die op de troon van David zit en over de hele bevolking van Jeruzalem, je volksgenoten die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan, 17

29:17
Jer. 24:1
dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, ik zal met hen hetzelfde doen als met bedorven vijgen, die niet meer te eten zijn. 18
29:18
Jer. 15:4
34:17
Ik zal hen met het zwaard, de honger en de pest achtervolgen en hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde maken. Hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, ze zullen afschuw en ontzetting wekken en bespot worden door alle volken waarnaar ik hen zal verbannen. 19Want ze hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, hoewel ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar hen zond. En ook jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER. 20Luister naar mijn woorden, ballingen, die ik vanuit Jeruzalem naar Babel heb laten voeren. 21Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over de profeten Achab, de zoon van Kolaja, en Sedekia, de zoon van Maäseja, die in mijn naam leugens profeteren: Ik lever hen uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, die hen voor jullie ogen zal terechtstellen. 22En alle Judese ballingen in Babel zullen aan hun lot een vloek ontlenen: “Moge de HEER het je laten vergaan als Sedekia en Achab, die de koning van Babylonië boven het vuur geroosterd heeft.” 23Want ze hebben iets gedaan dat in Israël een schanddaad is: ze hebben overspel gepleegd met de vrouw van een ander en in mijn naam leugens geprofeteerd, woorden die ik hun niet heb opgedragen te spreken. Ik heb het gezien, ik was er getuige van – spreekt de HEER.’

24De HEER richtte zich tot Jeremia met de opdracht om Semaja, de Nechelamiet, het volgende te zeggen: 25‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Je hebt op eigen gezag brieven gestuurd aan de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, de overige priesters en de bevolking van Jeruzalem, brieven waarin staat: 26“De HEER heeft u tot priester aangesteld; hij heeft u de opvolger van de priester Jojada gemaakt om in de tempel van de HEER de orde te handhaven, dus u moet elke gek die zich voor profeet uitgeeft in het blok sluiten en aan het halsijzer ketenen. 27Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u voor profeet uitgeeft? 28Hij heeft ons in Babel namelijk een brief gestuurd waarin staat dat de ballingschap nog lang zal duren, dat we huizen moeten bouwen en daarin gaan wonen, tuinen moeten aanleggen en van de opbrengst moeten eten.”’ 29Nadat de priester Sefanja deze brief aan Jeremia had voorgelezen, 30richtte de HEER zich tot Jeremia: 31‘Stuur de volgende brief aan de ballingen: Dit zegt de HEER over Semaja, de Nechelamiet: Hij heeft bij jullie geprofeteerd zonder dat ik hem gezonden heb en valse hoop bij jullie gewekt. 32

29:32
Deut. 13:6
Jer. 28:16
Daarom – dit zegt de HEER: Ik zal hem en zijn nageslacht straffen. Ze zullen onder dit volk ophouden te bestaan, ze zullen de voorspoed die ik mijn volk zal brengen niet meemaken – spreekt de HEER. Want hij heeft het volk tegen mij opgezet.’

30

Hoop voor Israël en Juda

301De HEER richtte de volgende woorden tot Jeremia:

2‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Schrijf alle dingen die ik je heb gezegd in een boekrol. 3Want de dag zal komen – zegt de HEER – dat ik het lot van mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat ik hen terugbreng naar het land dat ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen – spreekt de HEER.’

4Hier volgen de woorden die de HEER tot Israël en Juda sprak.

5‘Dit zegt de HEER:

Ik hoor geschreeuw van ontzetting,

kreten van angst en paniek.

6Zeg eens: kunnen mannen baren?

Waarom zie ik dan dat elke man

zijn handen op zijn buik houdt,

zoals een vrouw die baart?

Waarom is hun gezicht zo grauw?

7Wee! Die vreselijke dag kent zijn gelijke niet!

Het volk van Jakob komt in grote nood,

maar het wordt gered.

8Ik breek op die dag het juk van je nek,

je banden ruk ik los

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

Nooit meer wordt Jakobs volk de slaaf van vreemden,

9maar het dient mij, de HEER, zijn God,

en David, de koning die ik over hen heb aangesteld.

10

30:10-11
Jer. 46:27-28
30:10
Micha 4:4
Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,

heb geen angst, Israël – spreekt de HEER.

Ik zal je uit dat verre land bevrijden,

uit de ballingschap breng ik je nageslacht terug.

Het volk van Jakob keert terug en zal in vrede leven,

zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opgeschrikt.

11Ik sta je terzijde en zal je bevrijden

– spreekt de HEER.

De landen waarnaar ik je verdreven heb,

vaag ik allemaal weg.

Je krijgt de straf die je verdient,

maar vernietigen zal ik je niet.

12Dit zegt de HEER:

Ongeneeslijk zijn je wonden,

niet te helen is je letsel.

13

30:13
Jes. 1:5-6
Geen mens verzorgt je zweren,

je wonden groeien nooit meer dicht.

14

30:14
Jer. 4:30
Klaagl. 1:2
Je minnaars zijn je vergeten,

ze kijken niet meer naar je om.

Ik was het die je sloeg, als een vijand,

ik heb je meedogenloos gestraft,

om je vele wandaden,

om je talloze zonden.

15Wat klaag je nu over je letsel,

je dodelijke wonden?

Om je vele wandaden,

om je talloze zonden

heb ik je dit aangedaan.

16

30:16
Jes. 33:1
Maar wie jou verslonden, worden zelf verslonden,

al je vijanden gaan zelf in ballingschap.

Elk volk dat jou plunderde, wordt zelf geplunderd,

ik maak ieder die naar buit zocht, zelf tot buit.

17

30:17
Jes. 62:4
Weet dat ik je zal genezen,

ik zal je wonden helen – spreekt de HEER –

ook al noemt men je Verworpene en zegt men:

“Naar Sion kijken we niet meer om.”

18

30:18
Jes. 54:1-3
Dit zegt de HEER:

Ik keer het lot van Jakobs tenten ten goede,

ik zal me om zijn woningen bekommeren.

De steden zullen uit de as herrijzen,

paleizen worden in hun oude pracht hersteld.

19Dansend komen de mensen naar buiten,

met een lofzang op de lippen.

Ik doe het volk in aantal toenemen,

het neemt niet meer in aantal af.

Ik geef het aanzien,

het wordt niet langer veracht.

20Het volk wordt weer als vroeger

en houdt door mijn bescherming altijd stand.

Wie het bedreigt, zal ik straffen.

21Het zal een vorst voortbrengen,

er komt een heerser uit zijn midden voort.

Ik zal hem toestaan mij te naderen.

Wie zou dat zelf wagen? – spreekt de HEER.

22

30:22
Jer. 11:4
24:7
Ezech. 11:20
37:27
Jullie zullen mijn volk zijn,

en ik zal jullie God zijn.

23

30:23-24
Jer. 23:19-20
De HEER zendt een woedende wind,

een razende storm treft de verdorvenen.

24Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren

voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.

Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]