Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Bevel tot heiliging van de eerstgeborenen

131Toen sprak de HEERE tot Mozes:

2

13:2
Ex. 22:29
34:19
Lev. 27:26
Num. 3:13
8:17
Luk. 2:23
Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.

3Daarna zei Mozes tegen het volk: Gedenk deze dag, waarop u uit Egypte, uit het slavenhuis, vertrokken bent, want de HEERE heeft u met sterke hand vanhier uitgeleid. Daarom mag wat gezuurd is, niet gegeten worden.

4

13:4
Ex. 23:15
Vandaag vertrekt u, in de maand Abib.

5Het zal gebeuren, als de HEERE u gebracht heeft in het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Hevieten en Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land overvloeiend van melk en honing, dat u dan in deze maand dit dienstwerk zult verrichten:

6Zeven dagen moet u ongezuurde broden eten, en op de zevende dag zal er een feest zijn voor de HEERE.

7Zeven dagen lang moeten er ongezuurde broden gegeten worden. Wat gezuurd is, mag bij u niet gezien worden, ja, geen zuurdeeg mag er in heel uw gebied bij u gezien worden.

8En op die dag moet u uw zoon vertellen: Dit gebeurt om wat de HEERE voor mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte vertrok.

9En het moet voor u als een teken op uw hand zijn, en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de HEERE op uw lippen13:9 op uw lippen - Letterlijk: in uw mond. is, want de HEERE heeft u met sterke hand uit Egypte geleid.

10Daarom moet u deze verordening in acht nemen op de daarvoor vastgestelde tijd, van jaar tot jaar.13:10 van jaar tot jaar - Letterlijk: van dagen naar dagen.

11Het zal gebeuren, als de HEERE u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u gegeven heeft,

12

13:12
Ex. 22:30
34:19
Lev. 27:26
Num. 8:17
Ezech. 44:30
dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat de baarmoeder opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn.

13Maar alles wat de baarmoeder van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.

14Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.

15Want toen de farao zich verhardde en weigerde ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.

16Dit zal tot een teken zijn op uw hand en tot een band tussen uw ogen, want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.

Tocht naar de Schelfzee

17Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van oorlog en wil het naar Egypte terugkeren.

18Daarom leidde God het volk om, langs de weg door de woestijn naar de Schelfzee. In slagorde trokken de Israëlieten uit het land Egypte.

19En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee,

13:19
Gen. 50:25
Joz. 24:32
want die had de zonen van Israël plechtig een eed laten zweren, en gezegd: God zal zeker naar jullie omzien, en dan moeten jullie mijn beenderen hiervandaan met jullie meevoeren.

20

13:20
Num. 33:6
Zo braken zij op uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn.

De wolkkolom en de vuurkolom

21

13:21
Ex. 40:38
Num. 14:14
Deut. 1:33
Neh. 9:12,19
Ps. 78:14
105:39
1 Kor. 10:1
De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hun de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.

22Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.

14

Door de Schelfzee

141Toen sprak de HEERE tot Mozes:

2Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij terugkeren en

14:2
Num. 33:7
hun kamp opslaan voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Baäl-Zefon. Daartegenover moet u uw kamp opslaan, bij de zee.

3De farao zal dan van de Israëlieten zeggen: Zij zijn in het land verdwaald. De woestijn heeft hen ingesloten.

4

14:4
Ex. 4:21
10:20
En Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger geëerd worden, zodat de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEERE ben. En zo deden zij.

5Toen de koning van Egypte verteld werd dat het volk gevlucht was, keerde het hart van de farao en zijn dienaren zich tegen het volk, en zij zeiden: Hoe hebben we dit kunnen doen, dat wij Israël uit onze dienst hebben laten gaan?

6Hij spande zijn strijdwagen in en nam zijn volk met zich mee.

7Hij nam ook zeshonderd van de beste strijdwagens mee, ja, alle strijdwagens van Egypte, met op elk daarvan officieren.

8Want de HEERE verhardde het hart van de farao, de koning van Egypte, zodat hij de Israëlieten achtervolgde. Maar de Israëlieten waren door een opgeheven hand geleid.

9

14:9
Joz. 24:6
De Egyptenaren, met al de paarden en strijdwagens van de farao, en zijn ruiters, en zijn leger achtervolgden hen en haalden hen in waar zij hun kamp hadden opgeslagen, bij de zee, bij Pi-Hachiroth, voor Baäl-Zefon.

10Toen de farao dichtbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren trokken achter hen aan. Toen werden de Israëlieten zeer bevreesd en riepen tot de HEERE,

11en zij zeiden tegen Mozes: Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe hebt u dit met ons kunnen doen door ons uit Egypte te leiden?

12

14:12
Ex. 6:8
Was dit niet wat wij in Egypte al tegen u zeiden: Laat ons met rust, laten wij de Egyptenaren maar dienen? Want het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen dan in de woestijn te sterven.

13Maar Mozes zei tegen het volk: Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE dat Hij vandaag nog voor u zal bewerken! Want de Egyptenaren die u vandaag ziet, zult u tot in eeuwigheid niet meer terugzien.

14De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn.

15Toen zei de HEERE tegen Mozes: Wat roept u tot Mij? Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij opbreken.

16En u, hef uw staf op, strek uw hand uit over de zee en splijt hem doormidden, zodat de Israëlieten door het midden van de zee op het droge kunnen gaan.

17En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verharden, zodat zij achter hen aan gaan. Ik zal geëerd worden ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.

18Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de HEERE ben, als Ik geëerd zal worden ten koste van de farao, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.

19Toen verliet de Engel van God, Die vóór het leger van Israël uit ging, Zijn plaats en ging achter hen aan. Ook de wolkkolom verliet de plaats vóór hen en ging achter hen staan.

20Hij kwam tussen het leger van Egypte en het leger van Israël. De wolk was duisternis en tegelijk verlichtte hij de nacht. De een kon niet in de nabijheid van de ander komen, heel de nacht.

21Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind.

14:21
Ps. 66:6
Hij maakte de zee droog,
14:21
Joz. 4:23
Ps. 78:13
106:9
114:3
en het water werd doormidden gespleten.

22

14:22
1 Kor. 10:1
Hebr. 11:29
Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.

De ondergang van de Egyptenaren

23De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, met al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.

24Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.

25Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.

26Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.

27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.

28

14:28
Ps. 78:53
106:11
Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.

29

14:29
Ps. 77:20
Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.

30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee liggen.

31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.

15

Lofzang van Mozes

151Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:

15:1
Ps. 106:12
Ik zal zingen voor de HEERE,

want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter

heeft Hij in de zee geworpen.

2

15:2
Ps. 18:2
118:14
Jes. 12:2
De HEERE is mijn kracht en lied,

Hij is mij tot heil geweest.

Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;

de God van mijn vader, Hem roem ik.

3De HEERE is een Strijder,

HEERE is Zijn Naam.

4De wagens van de farao en zijn leger

heeft Hij in de zee geworpen.

De besten van zijn officieren

zijn verdronken in de Schelfzee.

5

15:5
Neh. 9:11
De watervloeden hebben hen bedolven,

zij zijn als een steen in de diepten gezonken.

6

15:6
Ps. 118:15,16
Uw rechterhand, HEERE,

was heerlijk in macht;

Uw rechterhand, HEERE,

verpletterde de vijand.

7In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.

U zond Uw brandende toorn,

die hen als stoppels verteerde.

8

15:8
Jes. 63:12,13
Hab. 3:10
Door de adem van Uw neus

is het water opgehoopt,

de stromen stonden als een dam,

de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.

9De vijand zei:

Ik achtervolg hen, haal hen in,

deel de buit.

Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,

ik trek mijn zwaard,

mijn hand roeit hen uit.

10

15:10
Ps. 74:13
106:11
Maar U hebt met Uw adem geblazen,

de zee heeft hen bedolven.

Zij zonken als lood

in machtige watermassa's.

11Wie is als U

onder de goden, HEERE?

Wie is als U,

verheerlijkt in heiligheid,

ontzagwekkend in lofzangen,

U Die wonderen doet?

12U strekte Uw rechterhand uit,

en de aarde verzwolg hen.

13U leidde in Uw goedertierenheid

dit volk, dat U verlost hebt.

U

15:13
Ps. 77:21
leidde hen zachtjes door Uw kracht

naar Uw heilige woning.

14De volken hebben het gehoord, zij sidderden,

angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.

15

15:15
Deut. 2:4
Toen werden door schrik overmand

de stamhoofden van Edom.

De machthebbers van Moab

greep huivering aan.

Al de inwoners van Kanaän smolten weg van angst.

16

15:16
Deut. 2:25
11:25
Joz. 2:9
Op hen viel

verschrikking en angst.

Door de grootheid van Uw arm

verstomden zij als een steen,

terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,

terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.

17U zult hen brengen en hen planten

op de berg die Uw eigendom is,

Uw vaste woonplaats,

die U gemaakt hebt, HEERE,

het heiligdom, Heere,

dat Uw handen gesticht hebben.

18De HEERE zal regeren

voor eeuwig en altijd!

19Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters, waren in de zee gekomen, en de HEERE had het water van de zee over hen terug doen vloeien. Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.

20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron,

15:20
1 Sam. 18:6
nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.

21Toen zong Mirjam hun ten antwoord:

Zing voor de HEERE,

want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter

heeft Hij in de zee geworpen.

Mara en Elim

22Hierna liet Mozes Israël vanaf de Schelfzee opbreken en zij vertrokken naar de woestijn Sur. Drie dagen gingen zij door de woestijn en vonden geen water.

23

15:23
Num. 33:8
Toen kwamen zij bij Mara. Zij konden echter het water uit Mara niet drinken, want het was bitter. Daarom gaf men het de naam Mara.15:23 Mara betekent: bitter.

24Toen morde het volk tegen Mozes, en zei: Wat moeten wij nu drinken?

25Hij riep tot de HEERE, en de HEERE wees hem een stuk hout. Dat wierp hij in het water. Toen werd het water zoet. Daar heeft Hij het volk een verordening en een bepaling gegeven, en daar heeft Hij het op de proef gesteld.

26Hij zei: Als u aandachtig luistert naar de stem van de HEERE, uw God, en doet wat juist is in Zijn ogen, als u Zijn geboden gehoorzaamt en al Zijn verordeningen in acht neemt, dan zal Ik geen enkele van de ziekten over u brengen die Ik over Egypte gebracht heb, want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.

27Toen kwamen zij bij Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Zij sloegen daar hun kamp op aan het water.