Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

71Mijn zoon, denk altijd aan mijn uitspraken,

vergeet mijn woorden niet,

2

7:2
Spr. 4:4
denk altijd aan wat ik je leer,

dan zul je blijven leven.

Koester mijn lessen als het licht in je ogen,

3

7:3
Deut. 6:8
Spr. 3:3
draag mijn woorden als een ring aan je vinger,

schrijf ze in je hart.

4Zeg tegen Wijsheid: ‘Je bent mijn zuster,’

noem Inzicht je vriendin.

5Ze behoeden je voor lichtzinnige vrouwen,

voor afgedwaalde vrouwen met hun vleierij.

6Ik stond eens bij het raam van mijn huis,

en keek uit het venster naar buiten.

7Ik zag daar onervaren jongens;

een van hen, ontdekte ik, was zonder verstand.

8Hij liep door de straat,

kwam bij de hoek waar zo’n vrouw woont,

hij was vlak bij haar huis.

9Het was in de schemering, de avond viel,

de nacht brak aan, duisternis verspreidde zich.

10En kijk, daar komt die vrouw op hem af,

gekleed als een hoer, een listig karakter.

11Ongedurig en losbandig,

als iemand die in huis geen rust vindt,

12

7:12
Spr. 23:27-28
loopt ze nu eens in de straten, dan weer op de pleinen,

op elke straathoek staat ze op de loer.

13

7:13
Spr. 5:2-3
Ze grijpt de jongen vast en kust hem,

schaamteloos kijkt ze hem aan.

14Ze zegt: ‘Ik moest een vredeoffer brengen,

vandaag heb ik mijn geloften ingelost.

15

7:15
Hoogl. 3:2
Daarom ben ik de deur uit gegaan,

ik ging op zoek naar jou, nu heb ik je gevonden.

16Ik heb mijn bed al opgemaakt met kostbaar linnen,

met bontgekleurde dekens uit Egypte.

17Ik heb het besprenkeld met mirre,

met aloë en kaneel.

18Kom, laten we dronken worden van de liefde,

laten we genieten van het minnespel tot in de morgen.

19Mijn man is niet thuis,

hij is ver weg, hij is op reis

20en heeft meer dan voldoende geld bij zich.

Hij komt pas terug wanneer het vollemaan is.’

21Zo wist ze hem te paaien met haar vleierij,

ze haalde hem over met allerlei lokkende woorden,

22en zonder na te denken liep hij achter haar aan.

Zoals een os die naar de slachtbank gaat

bleef die dwaas aan haar geketend –

23totdat een pijl zijn lever doorboorde,

zoals een vogel in het net vliegt

en niet merkt dat het hem zijn leven kost.

24Nu dan, mijn zonen, luister naar mij,

schenk aandacht aan mijn woorden.

25Volg de wegen van zo’n vrouw niet,

dwaal niet op haar paden.

26Veel slachtoffers heeft zij gemaakt,

talloos velen zijn door haar geveld.

27Haar woning is de toegang tot het dodenrijk,

van daar daal je af tot in de kamers van de dood.

8

Wijsheid spreekt

81

8:1-3
Spr. 1:20-21
Roept Wijsheid niet,

laat Inzicht haar stem niet horen?

2Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,

bij het kruispunt van de wegen.

3Bij de poorten van de stad, bij de ingang,

bij de toegangswegen klinkt haar stem:

4‘Mensen, tot jullie roep ik,

ik richt mij tot iedereen.

5Onnozele mensen, word toch eens verstandig,

dwazen, denk eens na!

6Luister, ik vertel je waardevolle dingen,

mijn woorden zijn oprecht.

7Mijn mond verkondigt slechts de waarheid,

mijn lippen haten onbetrouwbaarheid.

8Op mijn uitspraken kun je vertrouwen,

niets is vals en krom.

9Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk,

ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven.

10

8:10-11
Spr. 3:14-15
8:10
Spr. 16:16
Stel mijn lessen boven zilver,

mijn kennis boven zuiver goud.

11

8:11
Job 28:15-19
Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen,

alles wat je ooit zou kunnen wensen

valt bij wijsheid in het niet.’

12Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad,

door overpeinzing vind ik kennis.

13

8:13
Job 28:28
Wie ontzag heeft voor de HEER haat het kwaad.

Ik verafschuw trots en hoogmoed,

leugens en het kwaad.

14Bij mij vind je beraad en overleg,

ik heb inzicht, ik heb kracht.

15

8:15
1 Kon. 3:4-15
Door mij regeren koningen,

bepalen heersers wat rechtvaardig is.

16Vorsten heersen dankzij mij,

ik laat leiders rechtvaardig regeren.

17

8:17
Wijsh. 6:12
Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,

wie mij zoekt, zal mij vinden.

18

8:18
Spr. 3:16
Rijkdom en eer zijn mijn bezit,

duurzame weelde en gerechtigheid.

19Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud,

ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver.

20Ik ga de weg van de rechtvaardigheid,

ik volg de paden van het recht

21om rijk te maken wie mij liefheeft,

om zijn schatkamers te vullen.

22

8:22
Sir. 1:4-9
24:8-9
De HEER heeft mij vóór al het andere verworven,

toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.

23Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was,

nog voor de aarde vorm kreeg.

24Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht,

nog voor de bronnen met hun waterstromen.

25Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht,

nog voor er heuvels waren.

26De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen,

geen korrel zand was nog gemaakt.

27

8:27
Gen. 1:6
Job 28:23-27
Wijsh. 9:9
Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf

en een cirkel om het water trok,

28de wolken aan de hemelkoepel plaatste,

de oceanen bruisend op liet wellen,

29

8:29
Job 38:8-11
Ps. 104:7-9
toen hij aan de zeeën grenzen stelde,

het water met zijn woord zijn plaats gaf,

de fundamenten van de aarde legde.

30Ik was zijn lieveling,

een bron van vreugde, elke dag opnieuw.

Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,

31

8:31
Wijsh. 1:6
vond vreugde in zijn hele aarde

en was blij met alle mensen.

32

8:32
Sir. 14:20-27
Nu dan, zonen, luister naar mij,

gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft.

33Luister naar wat ik je leer, en word wijs,

negeer mijn lessen niet.

34Gelukkig is elk mens die naar mij luistert,

dag in dag uit bij mijn woning staat,

de wacht houdt bij mijn deur.

35

8:35
Spr. 3:1-2
Want wie mij vindt, vindt het leven,

en ontvangt de gunst van de HEER.

36Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad,

wie mij haat, bemint de dood.

9

Wijsheid en Dwaasheid

91

9:1
Spr. 14:1
Wijsheid heeft haar huis gebouwd,

zeven zuilen heeft ze uitgekapt.

2Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd,

haar tafel heeft ze gedekt.

3Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd,

zelf roept zij vanaf de hoogste plaats:

4‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’

Wie geen verstand heeft roept ze toe:

5

9:5
Sir. 24:19-21
‘Kom, eet het brood dat ik je geef,

drink de wijn die ik heb gemengd.

6Wees niet langer zo onnozel,

leef, en betreed de weg van het inzicht.’

7Wie een spotter terechtwijst, wordt bespot,

wie een goddeloze de les leest, wordt belachelijk gemaakt.

8

9:8
Spr. 15:12
19:25
Wijs een spotter niet terecht, hij zou je haten,

berisp een wijze, en hij mag je graag.

9Een wijze wordt nog wijzer als je hem berispt,

een rechtvaardige vergroot zijn inzicht door wat je hem leert.

10

9:10
Job 28:28
Ps. 111:10
Spr. 1:7
Wijsheid begint met ontzag voor de HEER,

inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.

11

9:11
Spr. 3:1-2
Sir. 1:20
Door mij, Wijsheid, vermeerderen de dagen van je leven,

je levensjaren nemen door mij toe.

12Als je wijs bent, heb je er zelf voordeel van,

als je spot, benadeel je jezelf.

13Vrouwe Dwaasheid bazelt maar,

door haar domheid heeft ze nergens weet van.

14Ze zit bij de deur van haar huis,

in een zetel, hoog in de stad.

15Ze roept naar de voorbijgangers,

naar hen die rechtdoor willen gaan:

16‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’

Wie geen verstand heeft roept ze toe:

17‘Gestolen water smaakt verrukkelijk,

geroofd brood is een lekkernij.’

18Maar wie zij naar zich toe lokt

weet niet dat hij afdaalt naar de schimmen,

hij daalt af tot in het dodenrijk.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]