Herziene Statenvertaling (HSV)
15

Wie bij God mag wonen

151Een psalm van David.

HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?

Wie zal wonen op Uw heilige berg?

2

15:2
Ps. 24:4
Jes. 33:15
Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,

die met zijn hart de waarheid spreekt.

3Die met zijn tong niet lastert,

zijn vrienden geen kwaad doet

en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.

4In zijn ogen is de verworpene veracht,

maar wie de HEERE vrezen, eert hij.

Heeft hij gezworen tot zijn schade,

zijn eed verandert hij evenwel niet.

5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,

een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.

Wie deze dingen doet,

zal niet wankelen, voor eeuwig.

16

Het hoogste goed

161Een gouden kleinood van David.

Bewaar mij, o God,

want ik heb tot U de toevlucht genomen.

2Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;

16:2
Job 22:2
35:7
Ps. 50:9Rom. 11:35
mijn goedheid is niet voor U,

3maar voor de heiligen die op de aarde zijn,

en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.

4Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven;

ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit

en neem de namen ervan niet op mijn lippen.

5

16:5
Klaagl. 3:24
De HEERE is mijn enig deel16:5 mijn enig deel - Letterlijk: het deel van mijn deel. en mijn beker.

U onderhoudt wat het lot mij toewees.

6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen,

ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.

7Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;

zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.

8

16:8
Hand. 2:25
Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;

omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.

9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,

ook zal mijn lichaam veilig wonen.

10

16:10
Hand. 2:31
13:35
Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,

U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.

11U maakt mij het pad ten leven bekend;

overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,

lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

17

Gebed om redding

171Een gebed van David.

HEERE, luister naar mijn rechtvaardige zaak,

sla acht op mijn roepen,

neem mijn gebed ter ore,

met onbedrieglijke lippen gesproken.

2Laat van Uw aangezicht mijn recht uitgaan,

laat Uw ogen zien wat billijk is.

3U hebt mijn hart beproefd,

het 's nachts doorzocht,

U hebt mij getoetst,

U vindt niets.

Wat ik ook moge denken,

het komt mij niet uit de mond.

4Wat de daden van de mens betreft,

ík ben overeenkomstig het woord van Uw lippen op mijn hoede geweest

voor de paden van de gewelddadige.

5Ik hield mijn schreden in Uw sporen,

zodat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

6Ík roep U aan,

omdat U mij verhoort, o God;

neig Uw oor tot mij,

luister naar mijn woorden.

7Toon de wonderen van Uw goedertierenheid,

U, Die hen verlost die tot U de toevlucht nemen,

van hen die tegen Uw rechterhand opstaan.

8Bewaar mij als Uw oogappel,

verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels

9voor de goddelozen die mij verwoesten,

voor mijn doodsvijanden,17:9 mijn doodsvijanden - Letterlijk: mijn vijanden met de ziel. die mij omsingelen.

10Met hun vet hebben zij hun hart afgesloten,

met hun mond hebben zij trotse taal gesproken.

11Zij omringen nu onze schreden,

zij loeren17:11 loeren - Letterlijk: zetten hun ogen. op ons, door zich ter aarde neer te buigen.

12Hij is als een leeuw die ernaar verlangt te verscheuren,

als een jonge leeuw die op verborgen plaatsen zit.

13Sta op, HEERE, treed hem tegemoet, vel hem neer;

bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze,

14bevrijd mij met Uw hand van de mannen, HEERE,

van de mannen van de wereld,

die hun deel hebben in dít leven.

U vult hun buik met Uw verborgen schatten;

hun kinderen worden verzadigd

en laten hun overschot na aan hún kinderen.

15Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen;

ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.