Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
34

Oordeel over Edom

341

34:1
Deut. 32:1
Kom naderbij, volken, en hoor toe,

naties, luister aandachtig.

Hoor, aarde en wie haar bewonen,

wereld en al wat daarop groeit.

2De HEER koestert woede tegen alle volken,

zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht.

Hun wacht de vernietiging,

hij heeft hen voor de slacht bestemd.

3Gesneuvelden blijven onbegraven liggen,

de stank van hun lijken stijgt op;

de bergen druipen van hun bloed.

4

34:4
Op. 6:13-14
De sterren aan de hemel vergaan,

als een boekrol wordt de hemel opgerold.

Alle sterren vallen neer,

zoals bladeren vallen van een wijnstok

of verschrompelde vruchten van een vijgenboom.

5

34:5-17
Jes. 63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 35:1-15
Ob. 8-10
34:5
Ezech. 25:12-14
Amos 1:11-12
Want mijn zwaard verschijnt34:5 verschijnt – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘doordrenkt’. aan de hemel.

Het valt neer op Edom, als een oordeel

over het volk dat mijn banvloek treft.

6Het zwaard van de HEER is rood van het bloed

en druipt van het vet:

het bloed van rammen en bokken

en het vet van de nieren van rammen.

Want de HEER richt een offer aan in Bosra,

een grote slachting in Edom.

7Ook wilde stieren vallen dood neer,

tegelijk met ossen en kalveren.

Het land is doordrenkt van bloed,

de grond verzadigd van vet.

8Want de HEER houdt een dag van wraak,

een jaar van vergelding: hij verdedigt Sion.

9De wateren van Edom worden pek,

zijn grond verandert in zwavel,

het land wordt één grote pekoven.

10Het blijft er branden, dag en nacht,

voor eeuwig stijgt de rook er op.

Het land ligt verloren, tot in het verste nageslacht,

nooit zal iemand het nog betreden.

11

34:11
2 Kon. 21:13
Klaagl. 2:8
Dwergooruil en stekelvarken nemen het in bezit,

raaf en ransuil zullen er huizen.

Hij heeft er het meetlint van de chaos gespannen,

hij weegt het met de weegstenen van de woestenij.

12Er zijn geen edelen meer over

om het koningschap te bekleden,

alle vorsten zijn verdwenen.

13Dorens overwoekeren de burchten,

onkruid en distels de vestingen.

Het land wordt het domein34:13 domein – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘gras’. van jakhalzen,

de woonplaats van struisvogels.

14Het is de ontmoetingsplaats

van woestijndieren en hyena’s,

bokken meten daar hun krachten.

Lilit zoekt er rust

en leeft er ongestoord.

15Daar nestelt de pijlslang,

ze legt er eieren en gaat er broeden,

ze broedt ze in haar eigen schaduw uit.

Daar verzamelen zich buizerds,

ze komen er in paren bijeen.

16Zoek het na in het boek van de HEER:

niet één van die dieren ontbreekt,

ze staan er in paren bijeen;

want het is uit zijn mond opgetekend,

zijn geest heeft ze bijeengebracht.

17Hij heeft voor hen het lot geworpen,

hun het land toebedeeld met het meetlint.

Voor altijd krijgen ze het in bezit,

ze wonen daar voorgoed.

35

Bevrijding en terugkeer

351De woestijn zal zich verheugen,

de dorre vlakte vrolijk zijn,

de wildernis zal jubelen en bloeien,

2

35:2
Jes. 33:9
40:5
60:13
als een lelie welig bloeien,

jubelen en juichen van vreugde.

De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon,

met de schoonheid van de Karmel en de Saron.

Men aanschouwt de luister van de HEER,

de schoonheid van onze God.

3

35:3
Jes. 40:29-31
Hebr. 12:12
Geef kracht aan trillende handen,

maak knikkende knieën sterk.

4

35:4
Jes. 40:10
Zeg tegen het moedeloze volk:

‘Wees sterk en vrees niet,

want jullie God komt met zijn wraak.

Gods vergelding zal komen,

hijzelf zal jullie bevrijden.’

5

35:5-6
Jes. 29:18
32:3
35:5
Mat. 11:5
Luc. 7:22
Dan worden blinden de ogen geopend,

de oren van doven worden ontsloten.

6

35:6-7
Jes. 41:18
Verlamden zullen springen als herten,

de mond van stommen zal jubelen:

waterstromen zullen de woestijn splijten,

beken de dorre vlakte doorsnijden.

7

35:7
Jes. 43:20
48:21
Het verzengde land wordt een waterplas,

dorstige grond wordt waterrijk gebied;

waar eenmaal jakhalzen huisden,

maakt dor gras plaats voor riet en biezen.

8Daar zal een gebaande weg lopen,

‘Heilige weg’ genaamd,

geen onreine zal die betreden.

Over die weg zullen zij gaan,

maar dwazen zijn er niet te vinden.

9Geen leeuw of roofdier zal daar komen,

geen enkel wild dier dwaalt er rond,

ze blijven er allemaal weg,

alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan.

10

35:10
Ps. 126:1-2
Jes. 51:11
Wie door de HEER bevrijd zijn, keren terug.

Jubelend komen zij naar Sion,

gekroond met eeuwige vreugde.

Gejuich en vreugde trekken de stad binnen,

gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

36

Jeruzalem door Sanherib bedreigd

361

36:1-22
2 Kon. 18:13-37
2 Kron. 32:1-19
In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. 2
36:2
Jes. 7:3
Vanuit Lachis stuurde de koning van Assyrië een van zijn hoogwaardigheidsbekleders, de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia. Hij hield halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld. 3
36:3
Jes. 22:20
Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hem toe. 4De rabsake zei tegen hen: ‘Zeg tegen Hizkia: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarop berust toch dat vertrouwen van u? 5Ik zou toch denken dat mooie beloften niet opwegen tegen strategie en militaire macht. In wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? 6
36:6
Jes. 30:3
U vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstengel die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen. 7En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren u, Hizkia, hebt laten verwijderen? U hebt immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd: “Alleen voor dit altaar mag u neerknielen”?’ 8Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. 9Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet de afgevaardigde van de minste dienaar van mijn heer kunnen weerstaan. 10U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om dit land te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: ‘Val dit land aan en vernietig het.’”’ 11Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees tegen ons, het volk op de muur luistert mee.’ 12Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen stront zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.’ 13En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en riep, in het Judees: ‘Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië u te zeggen heeft! 14Dit zegt de koning: “Laat u door Hizkia geen rad voor ogen draaien, hij is niet in staat u te bevrijden. 15Laat hij u niet verleiden uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ 16luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, 17tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden. 18Laat Hizkia u geen valse hoop geven met zijn bewering dat de HEER u zal redden. Hebben de goden van andere volken hun land dan gered uit de handen van de koning van Assyrië? 19
36:19
Jes. 10:9
Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? 20Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?’”’ 21Maar zij zwegen en antwoordden met geen woord, want zo had de koning het bevolen.

22Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen.