Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Paulus' ambt erkend in Jeruzalem

21Daarna ging ik, na verloop van veertien jaar, weer

2:1
Hand. 15:2
naar Jeruzalem, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee.

2En ik ging

2:2
Hand. 19:21
op grond van een openbaring, en ik legde hun het Evangelie voor dat ik verkondig onder de heidenen; en afzonderlijk aan hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

3

2:3
Hand. 16:3
1 Kor. 9:21
Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek was.

4

2:4
Hand. 15:24
En dat ter wille van de binnengedrongen valse broeders, die waren binnengeslopen om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespioneren, om ons tot slaven te maken.

5Voor hen zijn wij ook geen moment in onderdanigheid opzijgegaan, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou blijven.

6Maar wat betreft hen die geacht werden iets te zijn – wat zij voorheen waren, maakt voor mij geen verschil;

2:6
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
God ziet de persoon van de mens niet aan – zij dus die in aanzien waren, hebben mij verder niets opgelegd.

7Maar integendeel, zij zagen dat aan mij het Evangelie onder de onbesnedenen2:7 onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat onder de besnedenen.

8(Want Hij Die door Petrus werkte met het oog op het apostelschap onder de besnedenen,

2:8
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 1:16
Efez. 3:8
werkte ook door mij met het oog op de heidenen.)

9En toen Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, de mij gegeven genade erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wíj naar de heidenen en zíj naar de besnedenen zouden gaan.

10Alleen moesten wij wel aan de armen denken;

2:10
Hand. 11:30
24:17
Rom. 15:25
1 Kor. 16:1
2 Kor. 8:1
9:1
en ik heb mij ook beijverd juist dit te doen.

Onenigheid met Petrus in Antiochië

11Maar toen Petrus naar Antiochië gekomen was, ging ik openlijk tegen hem in, omdat hij te veroordelen was.

12Want voordat er enkelen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij samen met de heidenen; maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor hen die van de besnijdenis waren.

13En ook de andere Joden huichelden met hem mee, zodat zelfs Barnabas zich door hun huichelarij liet meeslepen.

14Maar toen ik zag dat zij niet juist wandelden, overeenkomstig de waarheid van het Evangelie, zei ik tegen Petrus in het bijzijn van allen:

2:14
Hand. 10:28
Als u die een Jood bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?

Voor de wet gestorven

15Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen,

16

2:16
Hand. 13:38
Rom. 3:28
8:3
Hebr. 7:18
weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. En ook wij zijn in Christus Jezus gaan geloven, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet.
2:16
Rom. 3:20
Gal. 3:11
Immers, uit werken van de wet wordt geen vlees gerechtvaardigd.

17Maar als wij, die in Christus verlangen gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars blijken te zijn, is Christus dan een dienaar van de zonde? Volstrekt niet!

18Want als ik dat wat ik afgebroken heb, weer opbouw, dan bewijs ik daarmee dat ik zelf een overtreder ben.

19

2:19
Rom. 7:4
Want ik ben door de wet voor de wet gestorven,
2:19
Rom. 14:7
2 Kor. 5:15
1 Thess. 5:10
Hebr. 9:14
1 Petr. 4:2
opdat ik voor God zou leven.

20Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God,

2:20
Gal. 1:4
Efez. 5:2
Tit. 2:14
Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.

21Ik doe de genade van God niet teniet; want

2:21
Hebr. 7:11
als er gerechtigheid door de wet zou zijn, dan was Christus tevergeefs gestorven.

3

Niemand gerechtvaardigd door de wet

31O dwaze Galaten,

3:1
Gal. 5:7
wie heeft u betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen; u voor wie Jezus Christus eerder voor ogen is geschilderd alsof Hij onder u gekruisigd was?

2Dit alleen wil ik van u vernemen: Hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

3Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?

4Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het toch eens tevergeefs was!

5Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

6

3:6
Gen. 15:6
Rom. 4:3
Jak. 2:23
Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend.

7Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

8En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde eertijds aan Abraham het Evangelie:

3:8
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
49:10
Hand. 3:25
In u zullen al de volken gezegend worden.

9Daarom worden zij die uit het geloof zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham.

10Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven:

3:10
Deut. 27:26
Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen.

11

3:11
Rom. 3:20
Gal. 2:16
En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt voor God, is duidelijk,
3:11
Hab. 2:4
Rom. 1:17
Hebr. 10:38
want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

12Maar voor de wet is het niet: uit geloof, maar:

3:12
Lev. 18:5
Ezech. 20:11
Rom. 10:5
De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven.

De zegen van Abraham door het geloof in Christus

13

3:13
Rom. 8:3
2 Kor. 5:21
Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven:
3:13
Deut. 21:23
Vervloekt is ieder die aan een hout hangt,

14opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de heidenen zou komen, en opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof.

15Broeders, ik spreek op menselijke wijze:

3:15
Hebr. 9:17
Zelfs een verbond van mensen dat rechtsgeldig is geworden, stelt niemand terzijde of voegt daar iets aan toe.

16

3:16
Vers 8
Welnu, zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan. Hij zegt niet: En aan de nageslachten, alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht; dat is Christus.

17Dit nu zeg ik: Het verbond, dat eertijds door God rechtsgeldig was gemaakt met het oog op Christus, wordt door de wet, die

3:17
Gen. 15:13
Ex. 12:40
Hand. 7:6
na vierhonderddertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belofte teniet te doen.

18

3:18
Rom. 4:14
Want als de erfenis uit de wet is, is zij niet meer uit de belofte; maar aan Abraham heeft God die door de belofte genadig geschonken.

De wet onze leermeester tot Christus

19Waartoe dient dan de wet?

3:19
Joh. 15:22
Rom. 4:15
5:20
7:8
Zij is eraan toegevoegd omwille van de overtredingen, totdat het Nageslacht zou gekomen zijn aan Wie het beloofd was; en zij is
3:19
Hand. 7:38,53
door engelen in de hand van
3:19
Deut. 5:5
Joh. 1:17
Hand. 7:38
de middelaar beschikt.

20En de middelaar is niet middelaar van één partij, maar God is één.

21Is dan de wet in strijd met de beloften van God? Volstrekt niet! Want als er een wet gegeven was die in staat was levend te maken, dan zou de gerechtigheid werkelijk uit de wet zijn.

22

3:22
Rom. 3:9
11:32
Maar de Schrift heeft alles onder de zonde opgesloten, opdat de belofte aan de gelovigen gegeven zou worden door het geloof in Jezus Christus.

23Voordat het geloof echter kwam, werden wij door de wet bewaakt, als gevangenen opgesloten, totdat het geloof geopenbaard zou worden.

24

3:24
Matt. 5:17
Hand. 13:38
Rom. 10:4
Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden.

25Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een leermeester.

26

3:26
Jes. 56:5
Joh. 1:12
Rom. 8:15
Gal. 4:5
Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.

27

3:27
Rom. 6:3
Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed.

28Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw;

3:28
Joh. 17:21
want allen bent u één in Christus Jezus.

29

3:29
Gen. 21:12
Rom. 9:7
Hebr. 11:18
En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.

4

Niet langer slaaf, maar kind

41Ik zeg echter: Zolang de erfgenaam een onmondig kind is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles;

2maar hij staat onder voogden en beheerders, tot het tijdstip dat de vader van tevoren heeft bepaald.

3Zo waren ook wij, toen wij nog onmondige kinderen waren, als slaven onderworpen aan de grondbeginselen van de wereld.

4

4:4
Gen. 49:10
Dan. 9:24
Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw,
4:4
Matt. 5:17
geboren onder de wet,

5om hen die onder de wet waren, vrij te kopen,

4:5
Joh. 1:12
Gal. 3:26
opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen.

6

4:6
Rom. 8:15
Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!

7Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.

In de ban van dwaalleraars

8Maar destijds, toen u God niet kende, diende u hen

4:8
1 Kor. 8:4
die van nature geen goden zijn;

9en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent,

4:9
Kol. 2:20
hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen?

10

4:10
Rom. 14:5
Kol. 2:16
U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren.

11Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen.

12Wees zoals ik, want ook ik ben zoals u, broeders; ik smeek het u! U hebt mij in geen enkel opzicht onrecht aangedaan.

13U weet toch dat ik u de eerste keer het Evangelie heb verkondigd in lichamelijke zwakheid.

14En toch hebt u mijn beproeving, die in mijn lichaam plaatsvond, niet veracht of verafschuwd, maar ontving u mij

4:14
Mal. 2:7
als een engel van God, ja,
4:14
Matt. 10:40
Joh. 13:20
als Christus Jezus.

15Waarin prees u zich dan gelukkig? Want ik kan van u getuigen dat u, zo mogelijk, uw ogen zou hebben uitgerukt en aan mij gegeven zou hebben.

16Ben ik dan uw vijand geworden door u de waarheid te zeggen?

17

4:17
Rom. 10:2
2 Kor. 11:12
Zij beijveren zich niet met goede bedoelingen voor u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat u zich voor hen zou beijveren.

18Nu is zich te beijveren voor het goede altijd goed, en niet alleen als ik bij u ben,

19

4:19
1 Kor. 4:15Jak. 1:18
mijn lieve kinderen, van wie ik opnieuw in barensnood ben totdat Christus gestalte in u krijgt.

20Ik wilde echter wel dat ik nu bij u was en op een andere toon kon spreken,4:20 en op een andere toon … spreken - Letterlijk: mijn stem veranderen. want ik ben in twijfel over u.

Hagar en Sara - twee verbonden

21Zeg mij, u die onder de wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet?

22Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had,

4:22
Gen. 16:2,15
een van de slavin,
4:22
Gen. 21:2
Hand. 7:8
Hebr. 11:11
en een van de vrije.

23

4:23
Joh. 8:39
Rom. 9:7
Maar hij die van de slavin was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de belofte.

24Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï, dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is Hagar.

25Want deze Hagar is de berg Sinaï in Arabië, en komt overeen met het huidige Jeruzalem, dat met haar kinderen in slavernij is.

26

4:26
Openb. 21:2
Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is de moeder van ons allen.

27Want er staat geschreven:

4:27
Jes. 54:1
Wees vrolijk, onvruchtbare, die niet baart, breek uit in gejuich en roep, u die geen barensnood kent, want de kinderen van de eenzame zijn veel talrijker dan die van haar die de man heeft.

28

4:28
Rom. 9:7,8
Wij nu, broeders, zijn kinderen van de belofte, net zoals Izak.

29Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem

4:29
Gen. 21:9
vervolgde die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu.

30Wat zegt de Schrift echter?

4:30
Gen. 21:10
Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de slavin zal beslist niet erven met de zoon van de vrije.

31Daarom, broeders, wij zijn geen kinderen van de slavin, maar van de vrije.