Herziene Statenvertaling (HSV)
9

De genezing van de blindgeborene

91En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af.

2En Zijn discipelen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden?

3Jezus antwoordde: Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet,

9:3
Joh. 11:4
maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden.

4

9:4
Joh. 5:19
Ik moet de werken doen van Hem Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand kan werken.

5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik

9:5
Jes. 42:6
Luk. 2:32
Joh. 1:9
8:12
12:35,46
Hand. 13:47
het Licht der wereld.

6Nadat Hij dit gezegd had,

9:6
Mark. 8:23
spuwde Hij op de grond, maakte slijk met het speeksel en streek het slijk op de ogen van de blinde,

7en Hij zei tegen hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met: Uitgezonden). Hij dan ging weg en waste zich en kwam ziende terug.

8De buren dan en zij die eerder gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze het niet die zat

9:8
Hand. 3:2
te bedelen?

9Anderen zeiden: Hij is het; en weer anderen: Hij lijkt op hem. Hij zei: Ik ben het.

10Zij dan zeiden tegen hem: Hoe zijn uw ogen geopend?

11Hij antwoordde en zei: Een Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, bestreek mijn ogen en zei tegen mij: Ga heen naar het badwater Siloam en was u. En ik ging weg, waste mij en werd ziende.

12Zij dan zeiden tegen hem: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.

13Zij brachten hem die eerder blind was, naar de Farizeeën.

14

9:14
Matt. 12:1
Mark. 2:23
Luk. 6:1
Joh. 5:9
En het was sabbat toen Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.

Miskenning door de Joodse leiders

15Opnieuw vroegen nu ook de Farizeeën hem hoe hij ziende geworden was. En hij zei tegen hen: Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij, en ik zie.

16Sommigen dan van de Farizeeën zeiden: Deze Mens is niet van God, want Hij neemt de sabbat niet in acht. Anderen zeiden:

9:16
Vers 33;
Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen?
9:16
Joh. 7:12
10:19
En er was verdeeldheid onder hen.

17Zij zeiden opnieuw tegen de blinde: U dan, wat zegt u van Hem, omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei:

9:17
Luk. 7:16
24:19
Joh. 4:19
6:14
Hij is een Profeet.

18De Joden dan geloofden niet van hem dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem die ziende geworden was.

19En zij vroegen hun: Is dit uw zoon, van wie u zegt dat hij blindgeboren is? Hoe kan hij dan nu zien?

20Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blindgeboren is,

21maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Hij is volwassen, vraag het hemzelf, hij zal voor zichzelf spreken.

22Dit zeiden zijn ouders

9:22
Joh. 7:13
12:42
omdat zij bevreesd waren voor de Joden;
9:22
Joh. 12:42
want de Joden waren al overeengekomen dat, als iemand zou belijden dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge geworpen zou worden.

23Daarom zeiden zijn ouders: Hij is volwassen, vraag het hemzelf.

24Zij dan riepen voor de tweede keer de man die blind geweest was, en zeiden tegen hem:

9:24
Joz. 7:19
Geef God de eer, wij weten dat deze Mens een zondaar is.

25Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.

26En zij zeiden opnieuw tegen hem: Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?

27Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, maar u hebt niet geluisterd; waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook Zijn discipelen worden?

28Zij dan scholden hem uit en zeiden: U bent een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes.

29Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van Deze weten wij niet waar Hij vandaan komt.

30De man antwoordde en zei tegen hen: Er is toch iets wonderlijks in dat u niet weet waar Hij vandaan komt en dat Hij wel mijn ogen geopend heeft.

31

9:31
Spr. 15:29
28:9
Jes. 1:15
Micha 3:4
En wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, naar hem hoort Hij.

32Door de eeuwen heen is het niet gehoord dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft.

33Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.

34Zij antwoordden en zeiden tegen hem: U bent geheel in zonden geboren, en onderwijst u ons? En zij wierpen hem de synagoge uit.

35Jezus hoorde dat zij hem uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: Gelooft u in de Zoon van God?

36Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, zodat ik in Hem kan geloven?

37En Jezus zei tegen hem: Die u gezien hebt

9:37
Joh. 4:26
én Die met u spreekt, Die is het.

38En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.

39En Jezus zei:

9:39
Joh. 3:17
12:47
Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen,
9:39
Matt. 13:13
opdat zij die niet zien, zien zouden, en die zien, blind zouden worden.

40En sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: Zijn wij dan soms ook blind?

41Jezus zei tegen hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.

10

De goede Herder

101Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover.

2Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen.

3Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.

4En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.

5Maar een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.

6Deze gelijkenis sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat datgene wat Hij tot hen sprak, betekende.

7Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen.

8Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.

9

10:9
Joh. 14:6
Ik ben de Deur; als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.

10De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben.

11

10:11
Jes. 40:11
Ezech. 34:23
Hebr. 13:20
1 Petr. 5:4
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.

12

10:12
Zach. 11:16
Maar de huurling en wie geen herder is, die de schapen niet tot eigendom heeft, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek en vlucht; en de wolf grijpt ze en drijft de schapen uiteen.

13En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.

14Ik ben de goede Herder en

10:14
2 Tim. 2:19
Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend,

15

10:15
Matt. 11:27
Luk. 10:22
Joh. 6:46
7:29
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de schapen.

16Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen

10:16
Ezech. 37:22
en het zal worden één kudde en één Herder.

17Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik

10:17
Jes. 53:12
Mijn leven geef om het opnieuw te nemen.

18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf;

10:18
Joh. 2:19
Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.

19

10:19
Joh. 7:12
9:16
Er ontstond dan opnieuw verdeeldheid onder de Joden vanwege deze woorden.

20En velen van hen zeiden:

10:20
Joh. 7:20
8:48,52
Hij is door een demon bezeten en is buiten zinnen, waarom luistert u naar Hem?

21Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene;

10:21
Ex. 4:11
Ps. 94:9
146:8
kan een demon soms ogen van blinden openen?

Jezus op het feest van de tempelwijding

22En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter.

23En Jezus liep rond in de tempel,

10:23
1 Kon. 6:3
Hand. 3:11
5:12
in de zuilengang van Salomo.

24De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere?10:24 houdt U ons in het onzekere? - Letterlijk: neemt U onze ziel weg? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.

25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet.

10:25
Joh. 5:36
De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.

26Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.

27

10:27
Joh. 8:47
Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.

28En Ik geef hun eeuwig leven;

10:28
Joh. 6:39
17:12
18:9
en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.

29Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken.

30

10:30
Jes. 54:5
Joh. 5:19
14:9
17:5
Ik en de Vader zijn Één.

31

10:31
Joh. 8:59
11:8
De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.

32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij?

33De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk,

10:33
Joh. 5:18
maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt.

34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet:

10:34
Ps. 82:6
Ik heb gezegd: U bent goden?

35Als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam, en de Schrift niet van kracht beroofd10:35 van kracht beroofd - Letterlijk: losgemaakt. kan worden,

36zegt u dan tegen Mij,

10:36
Joh. 6:27
Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik
10:36
Joh. 5:17
gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?

37

10:37
Joh. 15:24
Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet,

38maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en gelooft dat

10:38
Joh. 14:11
17:21
de Vader in Mij is en Ik in Hem.

39

10:39
Luk. 4:29
Joh. 8:59
Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.

40En Hij ging opnieuw naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats

10:40
Joh. 1:28
3:23
waar Johannes eerst doopte, en Hij bleef daar.

41En velen kwamen naar Hem toe en zeiden: Johannes deed wel geen teken, maar alles wat Johannes over Deze Man zei, was waar.

42En velen geloofden daar in Hem.

11

De opwekking van Lazarus

111En er was iemand ziek, Lazarus van Bethanië, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha.

2

11:2
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Luk. 7:37
Joh. 12:3
Maria nu was het die de Heere gezalfd heeft met mirre en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; haar broer Lazarus was ziek.

3Zijn zusters dan stuurden Hem de boodschap: Heere, zie, hij die U liefhebt, is ziek.

4En toen Jezus dat hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood,

11:4
Vers 40;
maar is er met het oog op de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt.

5Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.

6Toen Hij dan gehoord had dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was.

7Daarna zei Hij tegen de discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan.

8De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi,

11:8
Joh. 8:59
10:31
de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?

9Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet,

10maar als iemand 's nachts loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet bij hem is.

11Dit sprak Hij, en daarna zei Hij tegen hen: Lazarus, onze vriend,

11:11
Matt. 9:24
Mark. 5:39
Luk. 8:52
slaapt, maar Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.

12Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zal hij gezond worden.

13Maar Jezus had over zijn dood gesproken, terwijl zij dachten dat Hij over de natuurlijke slaap sprak.

14Toen zei Jezus dan openlijk tegen hen: Lazarus is gestorven.

15En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft; maar laten wij naar hem toe gaan.

16Thomas dan, die Didymus genoemd werd, zei tegen zijn medediscipelen: Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.

17Toen Jezus dan gekomen was, bleek dat hij al vier dagen in het graf lag.

18Bethanië nu lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën11:18 stadiën - Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. daarvandaan.

19En velen van de Joden waren naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten over hun broer.

20Zodra Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, maar Maria bleef in huis zitten.

21Martha nu zei tegen Jezus: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn,

22maar ook nu weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.

23Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.

24Martha zei tegen Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de

11:24
Dan. 12:2
Luk. 14:14
Joh. 5:29
opstanding op de laatste dag.

25Jezus zei tegen haar:

11:25
Joh. 1:4
5:24
14:6
Ik ben de Opstanding en het Leven;
11:25
Joh. 3:16,36
6:47
1 Joh. 5:10
wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven,

26

11:26
Joh. 6:51
en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat?

27Zij zei tegen Hem: Ja, Heere,

11:27
Matt. 16:16
Mark. 8:29
Luk. 9:20
Joh. 6:69
ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.

28En na dit gezegd te hebben ging zij weg en riep Maria, haar zuster, onopgemerkt en zei: De Meester is er en Hij roept u.

29Zodra die dat hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe.

30Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar was op de plaats waar Martha Hem tegemoetgekomen was.

31Toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Zij gaat naar het graf om daar te huilen.

32Zodra dan Maria kwam waar Jezus was, en Hem zag, viel zij aan Zijn voeten en zei tegen Hem: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.

33Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.11:33 raakte innerlijk in beroering - Letterlijk: bracht Zichzelf in beroering.

34En Hij zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tegen Hem: Heere, kom het zien.

35

11:35
Luk. 19:41
Jezus weende.

36De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had!

37En sommigen van hen zeiden: Kon Hij

11:37
Joh. 9:6
Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?

38Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf. Het was een grot, en er was een steen op gelegd.

39Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tegen Hem: Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.

40Jezus zei tegen haar: Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?

41Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen omhoog en zei: Vader, Ik dank U dat U Mij verhoord hebt.

42En Ik wist dat U Mij altijd verhoort,

11:42
Joh. 12:30
maar ter wille van de menigte die om Mij heen staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.

43En toen Hij dit gezegd had, riep Hij met een luide stem: Lazarus, kom naar buiten!

44En de gestorvene kwam naar buiten, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn gezicht was omwonden

11:44
Joh. 20:7
met een zweetdoek. Jezus zei tegen hen: Maak hem los en laat hem weggaan.

45Velen dan van de Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

46Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had.

De Raad besluit om Jezus te doden

47

11:47
Ps. 2:2
Matt. 26:3
Mark. 14:1
Luk. 22:2
Hand. 4:27
De overpriesters dan en de Farizeeën riepen de Raad bijeen en zeiden:
11:47
Joh. 12:19
Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.

48Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.

49Maar een van hen, Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was, zei tegen hen: U weet niets,

50en u overweegt niet

11:50
Joh. 18:14
dat het nuttig voor ons is dat één Mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.

51Dit zei hij echter niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk,

52en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid,

11:52
Efez. 2:14,15,16
bijeen te brengen.

53Vanaf die dag dan waren zij vastbesloten om Hem te doden.

54Jezus dan verkeerde niet meer openlijk onder de Joden, maar Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.

55En het Pascha van de Joden was nabij en velen uit dat land gingen naar Jeruzalem, vóór het Pascha, om zich te reinigen.

56

11:56
Joh. 7:11
Zij dan zochten Jezus en zeiden onder elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: Wat denkt u? Dat Hij niet op het feest komt?

57De overpriesters nu en de Farizeeën hadden de opdracht gegeven dat, als iemand wist waar Hij was, hij het hun te kennen zou geven, zodat zij Hem konden grijpen.