Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101Op10:1-40 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 9:38-10:39. grond van dit alles gaan wij een verbintenis aan en stellen die op schrift. Onder de oorkonde staan de namen van onze leiders, van de Levieten en van de priesters. 2Dit zijn degenen die hun zegel zetten:

Landvoogd Nehemia, de zoon van Chachalja, Sidkia,

3en de priesters Seraja, Azarja, Jirmeja,

4Paschur, Amarja, Malkia,

5Chattus, Sebanja, Malluch,

6Charim, Meremot, Obadja,

7Daniël, Ginneton, Baruch,

8Mesullam, Abia, Miamin,

9Maäzja, Bilgai en Semaja.

10Dan de Levieten:

Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï en Kadmiël, een zoon van Chenadad,

11met hun verwanten Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan,

12Micha, Rechob, Chasabja,

13Zakkur, Serebja, Sebanja,

14Hodia, Bani en Beninu.

15Dan de leiders van het volk:

Paros, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani,

16Bunni, Azgad, Bebai,

17Adonia, Bigwai, Adin,

18Ater, Chizkia, Azzur,

19Hodia, Chasum, Besai,

20Charif, Anatot, Nebai,

21Magpias, Mesullam, Chezir,

22Mesezabel, Sadok, Jaddua,

23Pelatja, Chanan, Anaja,

24Hosea, Chananja, Chassub,

25Halloches, Pilcha, Sobek,

26Rechum, Chasabna, Maäseja,

27Achia, Chanan, Anan,

28Malluch, Charim en Baäna.

29-30De rest van ons volk sluit zich bij deze vooraanstaande volksgenoten aan. De priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelknechten en alle anderen die afstand genomen hebben van de bevolking van het land en zich op de wet van God hebben gericht, verplichten zich onder zelfvervloeking en onder ede om te leven volgens de wet van God, die door Mozes, Gods dienaar, is gegeven, en om alle geboden, rechtsregels en voorschriften van de HEER, onze Heer, te onderhouden en na te leven. Dit geldt ook voor hun vrouwen, hun zonen en dochters, en voor iedereen die ze kan begrijpen.

31

10:31
Ex. 34:16
Deut. 7:3
Neh. 13:23-27
Voorts verplichten wij ons onze dochters niet aan de bevolking van het land te zullen uithuwelijken, en hun dochters niet voor onze zonen te zullen nemen. 32
10:32
Ex. 23:10-11
Lev. 25:1-5
Deut. 15:1-2
Neh. 13:15-22
Ook zullen wij de waren en de verschillende graansoorten die de bevolking van het land ons op sabbat te koop aanbiedt niet van hen kopen, op sabbat noch op feestdagen, en elk zevende jaar zullen wij het land braak laten liggen en alle schulden kwijtschelden. 33Tevens nemen wij als verplichting op ons om per jaar een derde sjekel bij te dragen aan de dienst in de tempel van onze God, 34
10:34
Ex. 30:11-16
Lev. 24:5-9
Num. 28:3-8
en wel voor het toonbrood, de dagelijkse graan- en brandoffers, voor de offers op sabbat, het nieuwemaansfeest en de hoogtijdagen, en voor de heilige gaven, de offers om verzoening voor Israël te bewerken, en voor de overige diensten in de tempel van onze God.

35

10:35-36
Neh. 13:31
Wij hebben door loting bepaald wanneer de priesters, de Levieten en het volk, ingedeeld naar familie, brandhout moeten leveren voor het altaar van de HEER, onze God, in zijn tempel. Dit dient op vastgestelde tijden te gebeuren, elk jaar opnieuw, zoals in de wet is voorgeschreven. 36
10:36
Ex. 23:19
34:26
Deut. 26:2
Verder zullen wij de eerste opbrengst van onze akkers en de eerste vruchten van alle fruitbomen naar de tempel van onze God brengen, elk jaar opnieuw, 37
10:37
Ex. 13:2
en ook zullen wij, zoals in de wet is voorgeschreven, onze eerstgeboren zonen, en van ons vee de eerstgeboren runderen, schapen en geiten, naar de tempel van onze God brengen, naar de priesters die daar dienstdoen. 38
10:38
Num. 18:21
Neh. 13:10-14
Ook het eerste deeg zullen wij naar de priesters brengen, naar de voorraadkamers van de tempel van onze God, evenals wat wij moeten afdragen van het fruit van de boomgaarden, de wijn en de olie. Een tiende van de opbrengst van het land is voor de Levieten. Zij mogen zelf in alle gebieden waar wij werken tienden heffen; 39
10:39
Num. 18:26
ze zullen daarbij door een priester, een afstammeling van Aäron, worden vergezeld. De Levieten moeten vervolgens een tiende van die tienden naar de voorraadkamers van de tempel van onze God brengen. 40Daarheen moeten de Israëlieten en de Levieten hun bijdragen in graan, wijn en olie brengen. Daar ook bevindt zich het tempelgerei, en daar verblijven de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers. Nooit zullen wij de tempel van onze God verwaarlozen.’

11

De inwoners van Jeruzalem en andere steden

111

11:1-24
1 Kron. 9:1-34
De leiders van het volk gingen in Jeruzalem wonen, en de rest van het volk wierp het lot, want één op de tien families moest in Jeruzalem, de heilige stad, gaan wonen, en de negen andere in een andere stad. 2Wanneer families zich vrijwillig in Jeruzalem wilden vestigen werd dat algemeen toegejuicht.

3

11:3
Neh. 7:72
Hier volgen de familiehoofden uit de provincie die zich in Jeruzalem vestigden. Hoewel vele Israëlieten, priesters, Levieten, tempelknechten en nakomelingen van de slaven van Salomo in de andere steden van Juda gingen wonen, op hun eigen grond in hun eigen stad, 4waren er toch ook Judeeërs en Benjaminieten die zich in Jeruzalem vestigden.

De Judeeërs: Ataja, de zoon van Uzzia, die de zoon was van Zecharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalalel, uit de familie van Peres, 5en Maäseja, de zoon van Baruch, die de zoon was van Kolchoze, de zoon van Chazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zecharja, de zoon van de Siloniet. 6In totaal woonden er vierhonderdachtenzestig afstammelingen van Peres in Jeruzalem, allen weerbare mannen.

7De Benjaminieten: Sallu, de zoon van Mesullam, die de zoon was van Joëd, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Itiël, de zoon van Jesaja; 8en verder Gabbai en Sallai, bij elkaar negenhonderdachtentwintig personen. 9Joël, de zoon van Zichri, was hun leider, en Jehuda, de zoon van Hassenua, was de ondercommandant van de stad.

10De priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin, 11en Seraja, die de zoon was van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, die in de tempel de leiding had, 12samen met hun verwanten die dienstdeden in de tempel, achthonderdtweeëntwintig in totaal; en verder Adaja, die de zoon was van Jerocham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amsi, de zoon van Zecharja, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia, 13en zijn verwanten, familiehoofden, tweehonderdtweeënveertig in totaal; en Amassai, die de zoon was van Azarel, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemot, de zoon van Immer, 14en hun verwanten, honderdachtentwintig weerbare mannen. Hun leider was Zabdiël, de zoon van Gedolim.

15De Levieten: Semaja, de zoon van Chassub, die de zoon was van Azrikam, de zoon van Chasabja, de zoon van Bunni. 16Sabbetai en Jozabad, hoofden van de Levieten, waren verantwoordelijk voor de werkzaamheden die buiten de tempel plaatsvonden. 17Mattanja, die de zoon was van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voorzanger die de lofprijzing bij het gebed aanheft, en verder waren er Bakbukja, zijn plaatsvervanger, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun. 18In totaal woonden er tweehonderdvierentachtig Levieten in de heilige stad.

19De poortwachters: Akkub, Talmon en hun verwanten, in totaal honderdtweeënzeventig mannen die in de poorten de wacht hielden.

20De overige Israëlieten, onder wie priesters en Levieten, woonden in de andere steden van Juda, allen op hun eigen grond. 21De tempelknechten woonden op de Ofel; hun leiders waren Sicha en Gispa. 22Uzzi, de zoon van Bani, die de zoon was van Chasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha, was de leider van de Levieten in Jeruzalem. Hij was een van de afstammelingen van Asaf, die tijdens de eredienst in de tempel als tempelzangers optraden. 23Er bestond namelijk een koninklijke verordening waarin de dagelijkse diensten van de tempelzangers geregeld waren. 24Petachja, de zoon van Mesezabel, een van de afstammelingen van Zerach, de zoon van Juda, was de adviseur van de koning in alle zaken die het volk betroffen.

25Over de nederzettingen op het platteland het volgende: er woonden Judeeërs in Kirjat-Arba en de omliggende dorpen, in Dibon en de omliggende dorpen, in Jekabseël en de bijbehorende nederzettingen, 26in Jesua, Molada en Bet-Pelet, 27in Chasar-Sual en Berseba en de omliggende dorpen, 28in Siklag en Mechona en de omliggende dorpen, 29in En-Rimmon, Sora en Jarmut, 30in Zanoach en Adullam en de bijbehorende nederzettingen, in Lachis en zijn velden, en in Azeka en de omliggende dorpen. Zij vestigden zich van Berseba tot aan het Hinnomdal. 31De Benjaminieten gingen wonen in Geba,11:31 De Benjaminieten gingen wonen in Geba – Voorgestelde lezing. MT: ‘De Benjaminieten vanaf Geba’. Michmas en Ajja, in Betel en de omliggende dorpen, 32in Anatot, Nob en Ananja, 33in Chasor, Rama en Gittaïm, 34in Chadid, Seboïm en Neballat, 35in Lod, Ono en het Handwerkersdal. 36Ook afdelingen van de Levieten uit Juda kwamen in Benjamin wonen.

12

Lijst van priesters en Levieten

121Hier volgt een lijst van de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en met Jesua zijn teruggekeerd:

Seraja, Jirmeja, Ezra,

2Amarja, Malluch, Chattus,

3Sechanja, Rechum, Meremot,

4Iddo, Ginnetoi, Abia,

5Miamin, Maädja, Bilga,

6Semaja, Jojarib, Jedaja,

7Sallu, Amok, Chilkia, Jedaja.

Zij waren in de tijd van Jesua de leiders van de priesters en hun ambtgenoten.

8De Levieten: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Jehuda en Mattanja, die met zijn broers was aangesteld om de dankliederen te zingen. 9Bakbukja en Unni en hun verwanten stonden tijdens de diensten tegenover hen opgesteld. 10En Jesua verwekte Jojakim, Jojakim verwekte Eljasib, Eljasib verwekte Jojada, 11Jojada verwekte Jonatan, en Jonatan verwekte Jaddua. 12In de tijd van Jojakim waren de hoofden van de priesterlijke families:

van de familie van Seraja: Meraja; van Jirmeja: Chananja;

13van Ezra: Mesullam; van Amarja: Jochanan;

14van Melichu: Jonatan; van Sebanja: Josef;

15van Charim: Adna; van Merajot: Chelkai;

16van Iddo: Zecharja; van Ginneton: Mesullam;

17van Abia: Zichri; van Minjamin, van Moadja: Piltai;

18van Bilga: Sammua; van Semaja: Jonatan;

19van Jojarib: Mattenai; van Jedaja: Uzzi;

20van Sallai: Kallai; van Amok: Eber;

21van Chilkia: Chasabja; van Jedaja: Netanel.

22Ingeschreven werden de familiehoofden van de Levieten in de tijd van Eljasib, Jojada, Jochanan en Jaddua, evenals zij die tot de priesterfamilies behoorden tijdens de regering van de Perzische koning Darius. 23Zij werden ingeschreven in de kronieken, tot aan de tijd van Jochanan, de zoon van Eljasib. 24Het waren: Chasabja, Serebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Dit waren hun verwanten, die afdeling bij afdeling tegenover hen opgesteld stonden bij het zingen van de lof- en dankliederen, naar het voorschrift van David, de godsman: 25Mattanja, Bakbukja en Obadja. De poortwachters die de wacht hielden bij de voorraadkamers in de poortgebouwen waren Mesullam, Talmon en Akkub. 26Zij allen waren tijdgenoten van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Josadak, van Nehemia, de gouverneur, en van Ezra, de priester en schrijver.

Inwijding van de stadsmuur

27Toen de muur van Jeruzalem zou worden ingewijd, werden de Levieten in al hun woonplaatsen opgespoord en naar Jeruzalem gebracht om feestelijk de inwijding te vieren, met lofzang en liederen, onder begeleiding van cimbalen, harpen en lieren. 28De tempelzangers werden bijeengeroepen vanuit de streek rondom Jeruzalem en vanuit de nederzettingen bij Netofa, 29en vanuit Bet-Haggilgal en het gebied van Geba en Azmawet, vanuit de nederzettingen dus die de tempelzangers in de buurt van Jeruzalem voor zichzelf hadden gebouwd. 30De priesters en de Levieten reinigden niet alleen zichzelf, maar ook het volk, de poorten en de muur.

31Ik liet de leiders van Juda de muur opgaan. Ik stelde twee grote koren op; een daarvan trok in processie12:31 een daarvan trok in processie – Voorgestelde lezing. MT: ‘processies’. zuidwaarts over de muur, in de richting van de Mestpoort. 32Hosaja volgde hen met de helft van de leiders van Juda, 33en met Azarja, Ezra, Mesullam, 34Jehuda, Benjamin, Semaja en Jirmeja. 35Daarna een aantal priesters met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonatan, die de zoon was van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf, 36

12:36
1 Kron. 23:5
met zijn verwanten Semaja, Azarel, Milalai, Gilalai, Maäi, Netanel, Jehuda en Chanani, die de muziekinstrumenten van David, de godsman, bij zich hadden. Ezra, de schrijver, ging voorop. 37Bij de Bronpoort gingen ze rechtdoor, de trappen van de Davidsburcht op, en via de omhooggaande muur klommen ze langs het paleis van David naar de Waterpoort in het oosten. 38Het tweede koor ging noordwaarts. Ik klom met de andere helft van het volk achter hen aan. Ze gingen over de muur langs de Bakoventoren naar de Brede Muur, 39en via de Efraïmpoort, de Oude Poort, de Vispoort, de Chananeltoren en de Honderdtoren liepen ze tot aan de Schaapspoort, en hielden halt bij de Gevangenpoort.

40De twee koren stelden zich op in de tempel, net als ik met de helft van de bestuurders, 41en de priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Micha, Eljoënai, Zecharja en Chananja, met hun trompetten. 42De tempelzangers Maäseja, Semaja, Elazar, Uzzi, Jochanan, Malkia, Elam en Ezer, onder leiding van Jizrachja, zongen luid. 43Die dag brachten de Israëlieten talloze offers, en iedereen was vrolijk omdat God hun grote vreugde schonk. Ook de vrouwen en de kinderen waren blij; de feestvreugde in Jeruzalem was tot op grote afstand te horen.

Over het gebruik van de tempelruimtes

44Op die dag werden er mannen aangesteld tot opzichters van de voorraadkamers waarin de opbrengst van de eerste oogst en de tienden bijeengebracht werden, namelijk het deel dat volgens de wet aan de priesters en de Levieten toekwam, al naargelang de opbrengst van de rond de steden gelegen akkers. Juda schepte namelijk vreugde in de priesters en de Levieten die dienstdeden. 45

12:45
2 Kron. 8:14
Ze voldeden trouw aan hun verplichtingen tegenover hun God en hielden zich aan de reinheidsvoorschriften. Dat deden ook de zangers en de poortwachters, overeenkomstig de voorschriften van David en zijn zoon Salomo – 46
12:46
1 Kron. 25:1-6
2 Kron. 29:30
35:15
in de tijd van David en Asaf, lang geleden, ligt immers de oorsprong van de dienst van de zangers die de lofzangen aanheffen en God prijzen. 47In de tijd van Zerubbabel en Nehemia gaven de Israëlieten aan de zangers en de poortwachters wat zij dagelijks nodig hadden, en ze schonken heilige gaven aan de Levieten, waarin ook de nakomelingen van Aäron deelden.