Herziene Statenvertaling (HSV)
13

De paasmaaltijd en de voetwassing

131En vóór

13:1
Matt. 26:2
Mark. 14:1
Luk. 22:1
het feest van het Pascha, toen Jezus wist dat Zijn uur gekomen was dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader, heeft Hij de Zijnen, die in de wereld waren en die Hij liefgehad had, liefgehad tot het einde.

2Toen dan de maaltijd plaatsvond

13:2
Vers 27;
en de duivel Judas Iskariot, de zoon van Simon, al in het hart gegeven had Hem te verraden,

3stond Jezus, Die wist

13:3
Matt. 11:27
Joh. 3:35
dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had
13:3
Joh. 16:28
en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heen ging,

4op van de maaltijd, legde Zijn kleren af, nam een linnen doek en deed die om Zijn middel.

5Daarna goot Hij water in de waskom en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek die Hij om Zijn middel had.

6Zo kwam Hij bij Simon Petrus en die zei tegen Hem: Heere,

13:6
Matt. 3:14
wilt Ú mij de voeten wassen?

7Jezus antwoordde en zei tegen hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het later inzien.

8Petrus zei tegen Hem: U zult mijn voeten in der eeuwigheid niet wassen! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet was, hebt u geen deel met Mij.

9Simon Petrus zei tegen Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.

10Jezus zei tegen hem: Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein.

13:10
Joh. 15:3
En u bent rein, maar niet allen.

11

13:11
Joh. 6:64
Want Hij wist wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.

12Toen Hij dan hun voeten gewassen had en Zijn kleren weer had aangedaan, ging Hij weer aanliggen en zei tegen hen: Ziet u in wat Ik aan u gedaan heb?

13

13:13
Matt. 23:8,10
1 Kor. 8:6
12:3
Filipp. 2:11
U noemt Mij Meester en Heere, en u zegt het terecht, want Ik ben het.

14Als Ik dan, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb,

13:14
Gal. 6:1,2
moet ook u elkaars voeten wassen.

15

13:15
1 Petr. 2:21
1 Joh. 2:6
Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.

16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

13:16
Matt. 10:24
Luk. 6:40
Joh. 15:20
Een dienaar is niet meer dan zijn heer, en een gezant niet meer dan hij die hem gezonden heeft.

17Als u deze dingen weet, zalig bent u als u ze doet.

18Ik zeg dit niet van u allen; Ik weet wie Ik uitverkoren heb. Maar de Schrift moet vervuld worden:

13:18
Ps. 41:10
Matt. 26:23
1 Joh. 2:19
Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.13:18 heeft zich tegen Mij gekeerd - Letterlijk: heeft de hiel tegen Mij opgeheven.

19

13:19
Joh. 14:29
16:4
Nu al zeg Ik het u voordat het gebeurt, opdat wanneer het gebeurt, u zult geloven dat Ik het ben.

20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

13:20
Matt. 10:40
Luk. 10:16
als iemand hem ontvangt die Ik zal zenden, ontvangt hij Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

De ontmaskering van Judas

21

13:21
Matt. 26:21
Mark. 14:18
Luk. 22:21
Hand. 1:17
1 Joh. 2:19
Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering,13:21 raakte … beroering - Letterlijk: raakte Hij in beroering in de geest. en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.

22De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei.

23

13:23
Joh. 20:2
21:7,20
En een van Zijn discipelen, die Jezus liefhad,13:23 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld. lag aan in de schoot van Jezus.

24Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou wie het toch zou kunnen zijn, over wie Hij sprak.

25En deze ging tegen Jezus' borst liggen en zei tegen Hem: Heere, wie is het?

26Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon.

27En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. Jezus dan zei tegen hem: Wat u wilt doen, doe het snel.

28En niemand van hen die aanlagen, begreep met welke bedoeling Hij dat tegen hem zei.

29Want sommigen dachten,

13:29
Joh. 12:6
omdat Judas de beurs beheerde, dat Jezus tegen hem zei: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven.

30Toen hij dan het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. En het was nacht.

Het nieuwe gebod van de liefde

31Toen hij dan naar buiten gegaan was, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.

32Als God in Hem verheerlijkt is, zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken,

13:32
Joh. 12:23
17:1
en Hij zal Hem meteen verheerlijken.

33Lieve kinderen, nog een korte tijd ben Ik bij u.

13:33
Joh. 7:34
8:21
U zult Mij zoeken, en zoals Ik gezegd heb tegen de Joden, zo zeg Ik het nu ook tegen u: Waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

34

13:34
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Joh. 15:12
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
1 Petr. 4:8
1 Joh. 3:23
4:21
Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben.

35

13:35
1 Joh. 2:5
4:20
Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.

Voorspelling van de verloochening door Petrus

36

13:36
Joh. 21:18
2 Petr. 1:14
Simon Petrus zei tegen Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt u Mij nu niet volgen, maar u zult Mij later volgen.

37Petrus zei tegen Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen?

13:37
Matt. 26:33
Mark. 14:29
Luk. 22:33
Mijn leven zal ik voor U geven.

38Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij geven?

13:38
Matt. 26:34
Mark. 14:30
Luk. 22:34
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De haan zal niet kraaien, voordat u Mij driemaal verloochend zult hebben.

14

Het huis van de hemelse Vader

141Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij.

2In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.

3En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen,

14:3
Joh. 12:26
17:24
opdat ook u zult zijn waar Ik ben.

4En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u.

5Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?

6Jezus zei tegen hem:

14:6
Hebr. 9:8
Ik ben de Weg,
14:6
Joh. 1:17
de Waarheid
14:6
Joh. 1:4
11:25
en het Leven.
14:6
Joh. 10:9
Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

7Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.

8Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.

9Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus?

14:9
Joh. 10:30
Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?

10Gelooft u niet

14:10
Joh. 10:38
dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
14:10
Vers 24;
De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf,
14:10
Joh. 5:17
maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.

11Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is, en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf.

12

14:12
Matt. 21:21
Luk. 17:6
Hand. 5:12
19:11
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.

13

14:13
Jer. 29:12
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 15:7
16:24
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.

14Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.

De belofte van de andere Trooster

15

14:15
Vers 21,23;
Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht.

16En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid,

17namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.

18

14:18
Matt. 28:20
Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe.

19Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar u zult Mij zien, want Ik leef en u zult leven.

20Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u.

21Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.

22Judas, niet de Iskariot, zei tegen Hem: Heere, hoe komt het dat U Zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?

23Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.

24Wie Mij niet liefheeft, neemt Mijn woorden niet in acht;

14:24
Vers
en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft.

25Deze dingen heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik bij u verblijf.

26

14:26
Luk. 24:49
Joh. 15:26
16:7
Hand. 2:4
Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam,
14:26
Joh. 16:13
Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.

27

14:27
Filipp. 4:7
Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik die u. Laat uw hart niet in beroering raken en niet bevreesd worden.

28

14:28
Vers
U hebt gehoord dat Ik tegen u gezegd heb: Ik ga heen maar kom weer naar u toe. Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen naar de Vader; want Mijn Vader is meer dan Ik.

29En nu heb Ik het u gezegd voordat het zal gebeuren,

14:29
Joh. 13:19
16:4
opdat, wanneer het gebeurt, u zult geloven.

30Ik zal niet veel meer met u spreken,

14:30
Joh. 12:31
16:11
Efez. 2:2
want de vorst van deze wereld komt en heeft geen macht over Mij.

31Maar de wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb, en doe zoals de Vader Mij

14:31
Joh. 10:18
Hebr. 10:5
geboden heeft.

Sta op, laten wij hier vandaan gaan.

15

De ware Wijnstok en de ranken

151Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Wijngaardenier.

2

15:2
Matt. 15:13
Elke rank die in Mij geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke rank die vrucht draagt, reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.

3

15:3
Joh. 13:10
U bent al rein vanwege het woord dat Ik tot u gesproken heb.

4Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft.

5Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.

6

15:6
Ezech. 15:2
Als iemand niet in Mij blijft,
15:6
Matt. 3:10
7:19
Kol. 1:23
wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.

7Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven,

15:7
Jer. 29:12
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
16:24
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
5:14
vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen.

8Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent.

Het gebod van de liefde

9Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde.

10

15:10
Joh. 14:15,21,23
1 Joh. 5:3
Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf.

11Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden.

12

15:12
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Joh. 13:34
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
1 Petr. 4:8
1 Joh. 3:23
4:21
Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb.

13

15:13
Rom. 5:7
Efez. 5:2
1 Joh. 3:16
Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.

14

15:14
Matt. 12:50
2 Kor. 5:16
Gal. 5:6
6:15
Kol. 3:11
U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied.

15

15:15
Joh. 8:26
Ik noem u niet meer dienaren, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, bekendgemaakt heb.

16

15:16
Joh. 13:18
Efez. 1:4
Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd
15:16
Matt. 28:19
Mark. 16:15
Kol. 1:6
dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft.

17Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt.

De haat van de wereld

18

15:18
1 Joh. 3:13
Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u gehaat heeft.

19

15:19
Joh. 17:14
Gal. 1:10
Als u van de wereld zou zijn, zou de wereld het hare liefhebben, maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u.

20Herinner u het woord dat Ik u gezegd heb:

15:20
Matt. 10:24
Luk. 6:40
Joh. 13:16
Een dienaar is niet meer dan zijn heer.
15:20
Matt. 24:9
Joh. 16:2
Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen; als zij Mijn woord in acht genomen hebben, zullen zij ook het uwe in acht nemen.

21

15:21
Matt. 10:22
Joh. 16:3
Maar al deze dingen zullen zij u aandoen omwille van Mijn Naam, omdat zij Hem niet kennen Die Mij gezonden heeft.

22

15:22
Rom. 4:15
5:20
Als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.

23Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.

24

15:24
Joh. 10:37
Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien en Mij en Mijn Vader gehaat.

25Maar het woord moet vervuld worden dat in hun wet geschreven is:

15:25
Ps. 35:19
69:5
Zij hebben mij zonder reden gehaat.

26

15:26
Joh. 14:26
16:7
Hand. 5:32
Maar wanneer de Trooster is gekomen,
15:26
Luk. 24:49
Die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Die over Mij getuigen.

27

15:27
Hand. 1:8,21
5:32
En u zult ook getuigen, want u bent van het begin af bij Mij.