Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Niemand te verontschuldigen

21Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent die anderen oordeelt,

2:1
2 Sam. 12:5
Matt. 7:1
1 Kor. 4:5
want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf. U immers die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.

2En wij weten dat het oordeel van God in overeenstemming met de waarheid is over hen die zulke dingen doen.

3En u, o mens, die hen oordeelt die zulke dingen doen, en ze zelf ook doet, denkt u dat u aan het oordeel van God zult ontkomen?

4Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en

2:4
2 Petr. 3:15
geduld,
2:4
Jes. 30:18
zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?

5Maar in overeenstemming met uw hardheid en uw onbekeerlijke hart

2:5
Rom. 9:22
hoopt u voor uzelf toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God,

6

2:6
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 14:12
1 Kor. 3:8
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
Die ieder vergelden zal naar zijn werken,

7namelijk hun die met volharding het goede doen en heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken: het eeuwige leven.

8

2:8
2 Thess. 1:8
Hun echter die twistziek zijn en ongehoorzaam aan de waarheid, maar gehoorzaam aan de ongerechtigheid, zal gramschap en toorn vergolden worden.

9Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek,

10maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek.

11

2:11
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 34:19
Hand. 10:34
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
Want er is geen aanzien des persoons bij God.

De Joden en de wet

12Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.

13

2:13
Matt. 7:21
Jak. 1:22
1 Joh. 3:7
Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden.

14Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet.

15Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van, en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar.

16

2:16
Matt. 25:31
Zo zal het gaan op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, overeenkomstig mijn Evangelie.

17Zie, u wordt Jood genoemd.

2:17
Rom. 9:4
U steunt op de wet en roemt in God,

18en kent Zijn wil en onderscheidt wat wezenlijk is, omdat u uit de wet bent onderwezen.

19En u bent van uzelf overtuigd dat u een gids voor de blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn,

20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van jonge kinderen, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en van de waarheid hebt.

21U dan die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? U die predikt dat men niet stelen mag, steelt u zelf?

22U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u zelf overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u zelf tempelroof?

23U die in de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet?

24Want de Naam van God wordt,

2:24
Jes. 52:5
Ezech. 36:23
zoals geschreven is, door uw toedoen gelasterd onder de heidenen.

De Joden en de besnijdenis

25Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn2:25 onbesneden zijn - Letterlijk: voorhuid; zie ook volgende verzen. geworden.

26Als dan een onbesnedene de verordeningen van de wet in acht neemt, zal zijn onbesneden zijn dan niet tot besnijdenis gerekend worden?

27En zal hij die overeenkomstig de natuur onbesneden is, maar die de wet volbrengt, u dan niet oordelen, die mét de letter van de wet en de besnijdenis een overtreder van de wet bent?

28

2:28
Joh. 8:39
Rom. 9:7
Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt,

29maar híj is Jood die het in het verborgene is,

2:29
Deut. 10:16
Jer. 4:4
Filipp. 3:2,3
Kol. 2:11
en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.

3

Het voorrecht van de Joden

31Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is het voordeel van het besneden zijn?

2Veel, in alle opzichten.

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4
Want in de eerste plaats zijn hun de woorden van God toevertrouwd.

3Want wat is het geval? Als sommigen ontrouw zijn geweest, zal

3:3
Num. 23:19
Rom. 9:6
2 Tim. 2:13
hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen?

4Volstrekt niet! Zo echter moet het zijn:

3:4
Joh. 3:33
God is waarachtig
3:4
Ps. 116:11
maar ieder mens een leugenaar, zoals geschreven staat:
3:4
Ps. 51:6
Opdat U gerechtvaardigd wordt wanneer U rechtspreekt,3:4 wanneer U rechtspreekt - Letterlijk: in Uw woorden. en overwint wanneer U oordeelt.

5Als nu onze ongerechtigheid de gerechtigheid van God bevestigt, wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? Ik spreek op menselijke wijze.

6Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?

7Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden tot Zijn heerlijkheid, waarom word ik dan toch nog als zondaar geoordeeld?

8En het is toch niet, zoals wij belasterd worden en zoals sommigen zeggen dat wij zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkomt? De verdoemenis van hen is rechtvaardig.

Alle mensen zijn zondaars

9Wat dan wel? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd

3:9
Gal. 3:22
dat zij allen onder de zonde zijn,

10zoals geschreven staat:

3:10
Ps. 14:3
53:4
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één,

11er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.

12Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog,
3:13
Ps. 140:4
addergif is onder hun lippen.

14

3:14
Ps. 10:7
Hun mond is vol vervloeking en bitterheid,

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
hun voeten zijn snel om bloed te vergieten.

16Vernieling en ellende is op hun wegen,

17en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.

18

3:18
Ps. 36:2
De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

19Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God.

20

3:20
Gal. 2:16
Daarom zal uit werken van de wet geen vlees3:20 vlees - d.i. een zondig mens. voor Hem gerechtvaardigd worden.
3:20
Rom. 7:7
Hebr. 7:18
Door de wet is immers kennis van zonde.

Rechtvaardiging door het geloof

21Maar nu is zonder de wet

3:21
Rom. 1:17
Filipp. 3:9
gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:

22namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid.

23Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God,

24

3:24
Jes. 53:5
en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

25

3:25
2 Kor. 5:19
Kol. 1:20
Hebr. 4:16
1 Joh. 4:10
Hem heeft God openlijk aangewezen
3:25
Ex. 25:17
als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.

26Hij deed dit om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen nu in deze tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is én rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.

27Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.

28

3:28
Hand. 13:38
Rom. 8:3
Gal. 2:16
Hebr. 7:25
Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.

29Of is God alleen de God van Joden? En niet ook van heidenen? Ja, ook van heidenen.

30Het is toch immers één en dezelfde God, Die besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en onbesnedenen3:30 onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. door het geloof.

31Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.

4

Abraham door het geloof gerechtvaardigd

41Wat zullen wij dan zeggen

4:1
Jes. 51:2
dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft?

2Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.

3Want wat zegt de Schrift?

4:3
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

4Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.

5Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

6Zoals ook David de mens zalig spreekt aan wie God gerechtigheid toerekent, zonder werken:

7

4:7
Ps. 32:1
Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven, en van wie de zonden bedekt zijn,

8welzalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.

9Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen?4:9-12 onbesneden - Letterlijk: de voorhuid. Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid.

10Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene!

11

4:11
Gen. 17:11
En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn, opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden;

12en om een vader te zijn van hen die besneden zijn, voor hen namelijk die niet alleen besneden zijn, maar die ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze vader Abraham dat hij had toen hij nog onbesneden was.

13Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.

14

4:14
Gal. 3:18
Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan.

15De wet brengt immers toorn teweeg,

4:15
Joh. 15:22
Rom. 5:20
7:8
Gal. 3:19
want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

16Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is,

4:16
Jes. 51:2
die een vader is van ons allen,

17zoals geschreven staat:

4:17
Gen. 17:4
Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren.

18En hij heeft tegen alles in gehoopt4:18 tegen alles in gehoopt - Letterlijk: op hoop tegen hoop. en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was:

4:18
Gen. 15:5
Hebr. 11:12
Zo zal uw nageslacht zijn.

19En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was.

20

4:20
Joh. 8:56
Hebr. 11:11,18
En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf.

21

4:21
Ps. 115:3
Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was.

22Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend.

23

4:23
Rom. 15:4
Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is,

24maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,

25Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.