Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

71

7:1
Wijsh. 10:4
Toen zei de HEER tegen Noach: ‘Ga de ark in, samen met je hele gezin, want ik heb gezien dat jij als enige van deze generatie rechtschapen bent. 2Van alle reine dieren moet je zeven mannetjes en hun wijfjes meenemen, van de onreine dieren moet je er twee meenemen, een mannetje en zijn wijfje, 3en van de vogels weer zeven mannetjes en wijfjes, om hun voortbestaan op aarde veilig te stellen. 4Want over zeven dagen zal ik het veertig dagen en veertig nachten op de aarde laten regenen; dan zal ik alles wat er bestaat van de aardbodem wegvagen, alles wat ik heb gemaakt.’ 5Noach deed alles zoals de HEER het hem had opgedragen.

6Noach was zeshonderd jaar toen de zondvloed kwam, een watermassa die de aarde overspoelde. 7

7:7
Mat. 24:38-39
Luc. 17:27
Om aan het water te ontkomen ging Noach de ark in, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. 8Van de reine en de onreine dieren, van de vogels en van alles wat op de aardbodem rondkruipt, 9kwamen er telkens twee bij Noach in de ark, een mannetje en een wijfje, in overeenstemming met wat God hem had opgedragen. 10Toen de zeven dagen voorbij waren, kwam het water van de vloed over de aarde. 11
7:11
2 Petr. 3:6
In het zeshonderdste jaar van Noachs leven, op de zeventiende dag van de tweede maand, braken alle bronnen van de machtige oervloed open en werden de sluizen van de hemel opengezet. 12Veertig dagen en veertig nachten lang zou het op de aarde stortregenen. 13Diezelfde dag gingen Noach, zijn zonen Sem, Cham en Jafet, zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen de ark in, 14samen met alle soorten wilde dieren, vee en kruipende dieren, en ook met alle soorten vogels en wat er verder maar vleugels heeft. 15Van alle wezens waarin levensadem was, kwamen er telkens twee bij Noach in de ark: 16er kwamen van alle dieren een mannetje en een wijfje, in overeenstemming met wat God hem had opgedragen. Toen sloot de HEER de deur achter hem.

17De vloed overstroomde de aarde veertig dagen lang. Het water steeg en de ark werd opgetild, zodat hij van de aarde loskwam. 18Het water op aarde nam steeds maar toe, hoger en hoger steeg het, en de ark dreef op het water. 19Het water bleef voortdurend toenemen, zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan. 20Tot vijftien el daarboven reikte het water, de bergen stonden helemaal onder. 21Alles wat op aarde leefde kwam om, alles wat er rondwemelde: vogels, vee, wilde dieren, en ook alle mensen. 22Alles wat op het land leefde en ademde vond de dood. 23Alles wat op aarde bestond werd weggevaagd: de mensen, het vee, de kruipende dieren en de vogels, ze werden van de aarde weggevaagd. Alleen Noach bleef over, met alles wat bij hem in de ark was. 24Honderdvijftig dagen lang was de aarde helemaal met water bedekt.

8

81Toen dacht God weer aan Noach en aan alle wilde dieren en het vee bij hem in de ark. Op zijn bevel begon er een wind over de aarde te waaien, waardoor het water afnam. 2De bronnen van de oervloed en de sluizen van de hemel werden gesloten, zodat het ophield met regenen. 3Geleidelijk vloeide het water weg van de aarde; na honderdvijftig dagen begon het te zakken. 4Op de zeventiende dag van de zevende maand liep de ark vast op het Araratgebergte. 5Het water zakte voortdurend verder, en op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.

6Na verloop van veertig dagen deed Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht open 7en liet een raaf los. Deze bleef heen en weer vliegen totdat de aarde droog was. 8Vervolgens liet hij een duif los om te zien of het water verder gedaald was. 9Maar de duif kon nergens een plekje vinden waar ze kon neerstrijken om te rusten en kwam bij hem terug in de ark, want overal op de aarde was nog water. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en nam haar weer bij zich in de ark. 10Hij wachtte nog zeven dagen en liet de duif toen opnieuw los. 11Tegen de avond kwam ze bij hem terug – met een jong olijfblad in haar snavel. Toen wist Noach dat het water op de aarde verder gedaald was. 12Weer wachtte hij zeven dagen en daarna liet hij de duif nogmaals los. Ze kwam niet meer bij hem terug. 13In het zeshonderdeerste jaar van Noachs leven,8:13 het zeshonderdeerste jaar van Noachs leven – Volgens de Septuaginta. MT: ‘het zeshonderdeerste jaar’. op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde verdwenen. Noach maakte het dak van de ark open en keek rond – de aarde was drooggevallen. 14Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog.

15Toen zei God tegen Noach: 16‘Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. 17

8:17
Gen. 1:22
Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: vogels, vee en alles wat op de aarde rondkruipt. Ze moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden en de aarde bevolken.’ 18Hierop ging Noach naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. 19Ook alle dieren gingen de ark uit, soort bij soort, alle vogels, en alles wat op de aarde rondkruipt.

20Noach bouwde een altaar voor de HEER; daarop bracht hij brandoffers van al het reine vee en alle reine vogels. 21De geur van de offers behaagde de HEER, en hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan. 22Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan.

9

91

9:1
Gen. 1:28
Toen zegende God Noach en zijn zonen, hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. 2De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. 3
9:3
Gen. 1:29
Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven. 4
9:4
Lev. 7:26-27
17:10-14
19:26
Deut. 12:23
15:23
1 Sam. 14:33
Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. 5En ik zal genoegdoening eisen wanneer jullie eigen bloed, waarin je levenskracht schuilt, wordt vergoten; ik eis daarvoor genoegdoening van mens en dier. Van iedereen die zijn medemens doodt, eis ik genoegdoening. 6
9:6
Gen. 1:27
Ex. 20:13
Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt. 7
9:7
Gen. 1:28
Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de hele aarde.’

8Ook zei God tegen Noach en zijn zonen: 9‘Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, 10en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. 11

9:11
Jes. 54:9-10
Sir. 44:18
Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. 12En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: 13ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. 14Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, 15zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. 16Als ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. 17Dit,’ zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’

18

9:18
Gen. 10:6
De zonen van Noach, die samen met hem uit de ark waren gekomen, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham was de vader van Kanaän. 19Met de drie zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde.

20Noach was landbouwer en legde als eerste een wijngaard aan. 21Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. 22Toen Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren. 23Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die over hun schouders, liepen achteruit de tent binnen en bedekten het naakte lichaam van hun vader, met afgewend gelaat, zodat zij hem niet naakt zagen. 24Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, 25zei hij:

‘Vervloekt zij Kanaän,

knecht van zijn broers zal Kanaän zijn,

de minste van alle knechten.

26Geprezen zij de HEER, de God van Sem;

knecht van Sem zal Kanaän zijn.

27Moge God ruimte geven aan Jafet,9:27 ruimte geven aan Jafet – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Jafet en het woord jaft, ‘moge hij ruimte geven’.

hem laten wonen in de tenten van Sem;

knecht van Jafet zal Kanaän zijn.’

28Noach leefde na de zondvloed nog driehonderdvijftig jaar. 29In totaal leefde Noach negenhonderdvijftig jaar. Daarna stierf hij.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]