Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Afstammelingen van Juda

21

2:1-2
Gen. 35:23-26
Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon, 2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

3

2:3-4
1 Kron. 4:1
2:3
Gen. 38:2-7
Zonen van Juda: Er, Onan en Sela. Deze drie zonen werden hem gebaard door Batsua uit Kanaän. Juda’s oudste zoon Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. 4
2:4
Gen. 38:27-30
Bij zijn schoondochter Tamar verwekte Juda Peres en Zerach. In totaal had hij dus vijf zonen. 5
2:5-12
Ruth 4:18-22
Mat. 1:3-5
Luc. 3:32-33
2:5
Gen. 46:12
Zonen van Peres: Chesron en Chamul. 6
2:6
1 Kon. 5:11
Zerach had vijf zonen: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara.

7

2:7
Joz. 7:1
Zoon van Karmi: Achar, die Israël in het ongeluk stortte doordat hij zich vergreep aan goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER waren gewijd. 8Zoon van Etan: Azarja.

9Chesron kreeg de volgende zonen: Jerachmeël, Ram en Kelubai. 10

2:10
Num. 1:7
Ram verwekte Amminadab en Amminadab verwekte Nachson, stamhoofd van Juda. 11Nachson verwekte Salma, Salma verwekte Boaz, 12Boaz verwekte Obed en Obed verwekte Isaï. 13Isaï verwekte de volgende kinderen: zijn oudste zoon was Eliab, de tweede Abinadab, de derde Sima, 14de vierde Netanel, de vijfde Raddai, 15de zesde Osem en de zevende David; 16
2:16
2 Sam. 2:18
hun zusters heetten Seruja en Abigaïl. Seruja had drie zonen: Absai, Joab en Asaël. 17Abigaïl was de moeder van Amasa, zijn vader was de Ismaëliet Jeter.

18Chesrons zoon Kaleb verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot.2:18 verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘verwekte Azuba, een vrouw, en Jeriot’. Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon. 19Na de dood van Azuba nam hij Efrat tot vrouw. Zij baarde hem Chur. 20Chur verwekte Uri en Uri verwekte Besaleël.

21Op zestigjarige leeftijd trouwde Chesron met een dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij sliep met haar en zij baarde hem Segub. 22Segub verwekte Jaïr. Jaïr bezat drieëntwintig nederzettingen in het gebied van Gilead. 23

2:23
Num. 32:41
Deze zogeheten Dorpen van Jaïr werden ingenomen door Gesur en Aram, zestig nederzettingen in totaal, waaronder Kenat en de omringende dorpen, die allemaal werden bewoond door nakomelingen van Machir, de vader van Gilead.

24Ook na de dood van Chesron, die getrouwd was met Abia, sliep Kaleb met Efrat.2:24 sliep Kaleb met Efrat – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘in Kaleb-Efrata’. Toen baarde zij hem Aschur, de stichter van Tekoa.

25

2:25
1 Sam. 27:10
De zonen van Chesrons oudste zoon Jerachmeël waren Ram, de oudste, en Buna, Oren, Osem en Achia. 26Jerachmeël had nog een andere vrouw, die Atara heette. Zij was de moeder van Onam. 27De zonen van Jerachmeëls oudste zoon Ram waren Maäs, Jamin en Eker. 28De zonen van Onam waren Sammai en Jada. Zonen van Sammai: Nadab en Abisur. 29De vrouw van Abisur heette Abihaïl, zij baarde hem Achban en Molid. 30Zonen van Nadab: Seled en Appaïm. Seled stierf kinderloos, 31Appaïm had een zoon, Jisi. Zoon van Jisi: Sesan. Zoon van Sesan: Achlai. 32Zonen van Sammais broer Jada: Jeter en Jonatan. Jeter stierf kinderloos, 33Jonatan had de zonen Pelet en Zaza. Zij allen waren nakomelingen van Jerachmeël. 34-35Sesan had geen zonen, alleen dochters. Een van zijn dochters gaf hij tot vrouw aan zijn dienaar, de Egyptenaar Jarcha. Zij baarde Attai. 36Attai verwekte Natan, Natan verwekte Zabad, 37Zabad verwekte Eflal, Eflal verwekte Obed, 38Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja, 39Azarja verwekte Cheles, Cheles verwekte Elasa, 40Elasa verwekte Sisemai, Sisemai verwekte Sallum, 41Sallum verwekte Jekamja en Jekamja verwekte Elisama.

42Nakomelingen van Jerachmeëls broer Kaleb: zijn oudste zoon Mesa was de stichter van Zif, Maresa was de stichter van Hebron. 43Uit Hebron zijn voortgekomen: Korach, Tappuach, Rekem en Sema. 44Sema verwekte Racham, de stichter van Jorkoam, en Rekem verwekte Sammai. 45Sammai had een zoon, Maon, en Maon was de stichter van Bet-Sur.

46Kalebs bijvrouw Efa baarde Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Gazez. 47Zonen van Jodai: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48Kalebs bijvrouw Maächa baarde Seber en Tirchana. 49

2:49
Joz. 15:16-19
Zij bracht ook Saäf ter wereld, de stichter van Madmanna, en Sewa, de stichter van Machbena en Gibea.

Kaleb had ook een dochter, Achsa.

50

2:50
1 Kron. 2:19
4:1-4
Andere afstammelingen van Kaleb waren de zonen van Efrats oudste zoon Chur: Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, 51Salma, de stichter van Betlehem, en Charef, de stichter van Bet-Gader. 52Van Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, stamt Haroë af en de helft van de inwoners van Menuchot. 53Uit Kirjat-Jearim komen de families Jeter, Put, Suma en Misra, uit wie de bewoners van Sora en Estaol zijn voortgekomen. 54Van Salma stammen de bewoners van Betlehem, Netofa en Atrot-Bet-Joab af, half Manachat, de Sorieten 55en de families in Jabes die zich op de schrijfkunst hebben toegelegd, namelijk de families Tira, Sima en Sucha, Kenieten uit Chammat, waar ook de Rechabieten vandaan komen.

3

Afstammelingen van David

31

3:1-3
2 Sam. 3:2-5
Dit zijn de zonen die David in Hebron kreeg: de oudste was Amnon, een zoon van Achinoam uit Jizreël; de tweede was Daniël, een zoon van Abigaïl uit Karmel; 2de derde was Absalom, een zoon van Maächa, die een dochter was van koning Talmai van Gesur; de vierde was Adonia, een zoon van Chaggit; 3de vijfde was Sefatja, een zoon van Abital; de zesde was Jitream, een zoon van zijn vrouw Egla. 4
3:4
2 Sam. 5:4-5
1 Kon. 2:11
1 Kron. 29:27
Zes zonen kreeg hij in Hebron, waar hij zeven jaar en zes maanden regeerde. In Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar 5
3:5-9
2 Sam. 5:14-16
3:5
2 Sam. 11:3
1 Kron. 14:3-7
en daar kreeg hij de volgende kinderen: Sima, Sobab, Natan en Salomo, de vier zonen van Batsua, de dochter van Ammiël; 6-9verder nog negen zonen: Jibchar, Elisama en Elifelet, Noga, Nefeg en Jafia, Elisama, Eljada en Elifelet, en dan nog de zonen van zijn bijvrouwen; hun zuster was Tamar.

10Salomo was de vader van Rechabeam, die de vader was van Abia, de vader van Asa, de vader van Josafat, 11de vader van Joram, de vader van Achazja, de vader van Joas, 12de vader van Amasja, de vader van Azarja, de vader van Jotam, 13de vader van Achaz, de vader van Hizkia, de vader van Manasse, 14de vader van Amon, de vader van Josia.

15Zonen van Josia: Jochanan, de oudste, Jojakim, de tweede, Sedekia, de derde, en Sallum, de vierde. 16Zonen van Jojakim: Jechonja en Sidkia. 17De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël, 18Malkiram, Pedaja en Senassar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19Zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simi. Zonen van Zerubbabel: Mesullam en Chananja; hun zuster was Selomit. 20Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed waren vijf andere zonen van Zerubbabel. 21Zonen van Chananja: Pelatja en Jesaja. Diens zoon was Refaja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja.3:21 Diens zoon was Refaja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT: ‘De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja’. 22

3:22
Ezra 8:3
Sechanja had zes nakomelingen: zijn zoon Semaja en diens zonen Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat. 23Nearja had drie zonen: Eljoënai, Chizkia en Azrikam. 24Eljoënai had zeven zonen: Hodawja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani.

4

Andere afstammelingen van Juda

41

4:1-4
1 Kron. 2:50
4:1
1 Kron. 2:3-4
Nakomelingen van Juda: Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal. 2Sobals zoon Reaja verwekte Jachat en Jachat verwekte Achumai en Lahad; al deze families komen uit Sora.

3Dit zijn de nakomelingen van de stichter van Etam: Jizreël, Jisma en Jidbas. Hun zuster heette Hasselelponi.

4Penuel, de stichter van Gedor, en Ezer, de stichter van Chusa. Dit waren de nakomelingen van Chur, de oudste zoon van Efrat en de stichter van Betlehem.

5Aschur, de stichter van Tekoa, had twee vrouwen, Chela en Naära. 6Naära baarde hem Achuzzam, Chefer en de stamvaders van de families Temen en Achastar, allemaal nakomelingen van Naära. 7Zonen van Chela: Seret, Jesochar en Etnan.

8Kos verwekte Anub en Hassobeba en was de stamvader van de families van Acharchel, de zoon van Harum.

9Jabes stond in hoger aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabes genoemd, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem in pijn gebaard.’ 10Jabes bad tot de God van Israël: ‘Zegen mij: maak mijn grondgebied groot en bescherm me tegen het kwaad, zodat ik geen pijn hoef te lijden.’ God gaf hem wat hij gevraagd had.

11Kelub, de broer van Sucha, verwekte Mechir, de vader van Eston. 12Eston verwekte Bet-Rafa, Paseach en Techinna, de stichter van de stad Nachas. Zij waren inwoners van Recha.

13

4:13
Recht. 1:13
Zonen van Kenaz: Otniël en Seraja. Zoon van Otniël: Chatat. 14Meonotai verwekte Ofra en Seraja verwekte Joab, de stichter van Gai-Charasim. Deze plaats werd zo genoemd omdat er handwerkslieden woonden.

15Zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne: Iru, Ela en Naäm. Zoon van Ela: Kenaz.

16Zonen van Jehallelel: Zif en Zifa, Tireja en Asarel.

17-18Zonen van Ezra: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Mered nam Bitja tot vrouw, een dochter van de farao. Zij werd zwanger en baarde Mirjam, Sammai en Jisbach, de stichter van Estemoa. Dit waren de nakomelingen van Bitja. Zijn Judese vrouw baarde hem Jered, de stichter van Gedor, Cheber, de stichter van Socho, en Jekutiël, de stichter van Zanoach.

19Afstammelingen van de vrouw van Hodia, de zuster van Nacham: de stichter van Keïla, de stad van de Garmieten, en Estemoa, de stad van de Maächatieten.

20Zonen van Simon: Amnon en Rinna, Ben-Chanan en Tilon.

Zonen van Jisi: Zochet en Ben-Zochet.

21

4:21
1 Kron. 2:3
Nakomelingen van Juda’s zoon Sela: Er, de stichter van Lecha; Lada, de stichter van Maresa; de families van linnenwevers in Bet-Asbea; 22en verder Jokim, de burgers van Kozeba, en Joas en Saraf, die in Moabitische families trouwden en later terugkeerden naar Betlehem,4:22 terugkeerden naar Betlehem – Voorgestelde lezing ondersteund door de Targoem en de Vulgata. MT: ‘en Jasubi-Lechem’. zoals oude bronnen vermelden. 23Zij waren pottenbakkers in dienst van de koning en woonden in Netaïm en Gedera.

Afstammelingen van Simeon

24

4:24
Gen. 46:10
Num. 26:12-14
Zonen van Simeon: Nemuel, Jamin, Jarib, Zerach en Saül. 25Saül was de vader van Sallum, die de vader was van Mibsam, de vader van Misma. 26
4:26
Gen. 25:13
1 Kron. 1:29-30
Nakomelingen van Misma: Misma was de vader van Chammuel, die de vader was van Zakkur, de vader van Simi. 27Simi had zestien zonen en zes dochters; zijn broers hadden niet veel kinderen. Al deze families waren samen minder talrijk dan de nakomelingen van Juda. 28
4:28
Joz. 19:1-8
Zij woonden in Berseba, Molada en Chasar-Sual, 29in Bilha, Esem en Tolad, 30in Betuel, Chorma en Siklag, 31in Bet-Hammarkabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saäraïm. Tot koning David aan de macht kwam behoorden deze steden 32en de omliggende dorpen aan hen toe. Vijf andere plaatsen waar zij zich hadden gevestigd waren Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan, 33elk met de omliggende dorpen, tot aan Baäl.

In hun geslachtslijst staan: 34Mesobab, Jamlech en Josa, de zoon van Amasja, 35Joël en Jehu, die de zoon was van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, 36Eljoënai, Jaäkoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja 37en Ziza, die de zoon was van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja. 38Deze bij name genoemde personen waren familiehoofden. Omdat hun families sterk in omvang waren toegenomen, 39trokken ze naar Gedor, en van daar oostwaarts de vallei in, om nieuwe weidegronden te zoeken voor hun schapen en geiten. 40Ze vonden er een uitgestrekt gebied met vruchtbare, goede weidegronden. De bevolking, afstammelingen van Cham, leefde er rustig en onbezorgd. 41In de tijd van koning Hizkia van Juda vielen bovengenoemde familiehoofden het gebied binnen. Ze vernielden de tenten, maakten de bronnen onbruikbaar en verdreven de hele bevolking, die nooit meer is teruggekeerd. Ze zijn er zelf gaan wonen, omdat daar weidegronden voor hun kudden waren. 42Vijfhonderd leden van de stam Simeon trokken onder aanvoering van Jisi’s zonen Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël naar het Seïrgebergte. 43Daar doodden ze de overgebleven Amalekieten, en sindsdien wonen ze er, tot op de dag van vandaag.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]