Herziene Statenvertaling (HSV)
32

Profetie van het Rijk van Christus

321Zie, een

32:1
Ps. 45:7
Zach. 9:9
Koning zal regeren in gerechtigheid,

en vorsten zullen heersen overeenkomstig het recht.

2Die Man zal zijn als een beschutting tegen de wind,

een schuilplaats tegen de vloed,

als waterbeken in een dorre streek,

als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.

3Dan zullen de

32:3
Jes. 29:18
30:21
ogen van wie zien, zich niet afwenden,

en de oren van wie horen, zullen er acht op slaan.

4Het hart van onbedachtzamen zal inzicht krijgen,32:4 inzicht krijgen - Letterlijk: kennis begrijpen.

en de tong van stamelaars zal bedreven zijn om duidelijk te spreken.

5Een dwaas zal niet langer edelmoedig genoemd worden,

en van een bedrieger zal niet gezegd worden: Hij is vrijgevig,

6want een dwaas spreekt dwaasheid

en zijn hart bedrijft onrecht

door het plegen van goddeloosheid,

het spreken van lastertaal tegen de HEERE,

het onverzadigd laten van de hongerige,32:6 de hongerige - Letterlijk: de ziel van de hongerige.

en het de dorstige aan drinken doen ontbreken.

7De middelen van de bedrieger zijn slecht;

híj beraamt schandelijke plannen

om de ellendigen te gronde te richten door leugenachtige woorden,

en wanneer de arme spreekt, het recht.

8Maar de edelmoedige beraamt edelmoedige plannen

en híj staat voor edelmoedige daden.

9Zorgeloze vrouwen, sta op,

luister naar mijn stem!

Onbezorgde dochters,

neem mijn woorden ter ore!

10Over ruim een jaar32:10 Over ruim een jaar - Letterlijk: Dagen over een jaar.

zult u sidderen, onbezorgde dochters,

want het zal gedaan zijn met de wijnoogst;

geen inzameling van de oogst zal er komen.

11Beef, zorgeloze vrouwen;

sidder, onbezorgde dochters!

Trek uw kleren uit, doe alles uit!

Omgord uw heupen met een rouwgewaad.

12Men zal rouw bedrijven om de borsten,

om de begerenswaardige akkers,

om de vruchtbare wijnstokken.

13Op het land van mijn volk

zullen dorens en distels opkomen,

ja, op alle vreugdehuizen

in de uitgelaten stad.

14Want het paleis zal verlaten zijn,

het stadsrumoer zal ophouden;

Ofel en wachttoren zullen

tot in eeuwigheid als grotten zijn,

een vreugde voor wilde ezels,

een weide voor kudden.

15Totdat over ons

32:15
Joël 2:28
Joh. 7:37,38
Hand. 2:17,18
uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte.

Dan zal de

32:15
Jes. 29:17
woestijn tot een vruchtbaar veld worden

en het vruchtbare veld zal als een woud beschouwd worden.

16Het recht zal wonen in de woestijn

en de gerechtigheid zal verblijven op het vruchtbare veld.

17De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn,

en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid.

18Mijn volk zal verblijven in

32:18
Jer. 33:16
een woonplaats van vrede,

in veilige woningen, in oorden van zorgeloze rust;

19maar waar men afdaalt in het woud, zal het hagelen

en de stad zal wegzinken in de diepte.

20Welzalig bent u die aan alle wateren zaait,

die rund en ezel32:20 rund en ezel - Letterlijk: de voet van het rund en van de ezel.daarheen drijft.

33

God staat op om Jeruzalem te verlossen

331Wee u, verwoester, u die zelf niet verwoest bent,

en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.

Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u zelf verwoest worden;

bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.

2HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.

Wees elke morgen hun arm;

ja, ons heil in tijd van benauwdheid.

3Voor het daverend geluid33:3 daverend geluid - Letterlijk: het geluid van het rumoer. zullen de volken vluchten;

als U Zich verhoogt, zullen de heidenvolken overal verspreid worden.

4Dan zal uw buit verzameld worden, zoals zwermsprinkhanen zich verzamelen;

zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.

5De HEERE is hoogverheven, want Hij woont in de hoogte.

Hij heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid.

6Hij zal zijn de vastheid van uw tijden,

een rijkdom aan heil, wijsheid en kennis;

de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.

7Zie, hun allersterksten schreeuwen het uit daarbuiten,

de vredeboden wenen bitter.

8De gebaande wegen zijn verlaten,

de gebruiker van de weg ontbreekt.

Hij verbreekt het verbond, hij versmaadt de getuigen,33:8 de getuigen - Volgens een van de Dode-Zeerollen; SV: de steden.

hij acht geen sterveling.

9Het land treurt, verkommert.

De Libanon staat beschaamd, hij is verwelkt,

Saron is geworden als de Vlakte,

en Basan en Karmel schudden hun bladeren af.

10Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE,

nu zal Ik verhoogd worden,

nu zal Ik verheven worden.

11U gaat zwanger van stro, u zult stoppels baren;

uw adem is een vuur dat u verteren zal.

12De volken zullen verbrande kalk worden,

als afgekapte dorens zullen zij met vuur verbrand worden.

13Hoor, u die ver weg bent, wat Ik heb gedaan,

en u die dichtbij bent, erken Mijn macht!

14De zondaars in Sion zijn angstig,

huiver heeft de huichelaars aangegrepen:

Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur?

Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?

15

33:15
Ps. 15:2
24:3
Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,

die winstbejag door afpersing verwerpt,

die zijn handen afwerend schudt om geen geschenken aan te nemen,

die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,

die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –

16die zal wonen op de hoogten;

bergvestingen op de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,

zijn brood wordt hem gegeven, van water is hij verzekerd.

17Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid.

Ze zullen een wijd uitgestrekt land zien.

18Uw hart zal de verschrikking overdenken:

Waar is de schrijver? Waar is de betaalmeester?

Waar is hij die de torens telt?

19Het onbeschaamde volk zult u niet meer zien,

het volk met zo'n onbegrijpelijke taal dat je het niet begrijpen kunt,

met die bespottelijke tongval; het is niet te verstaan.

20Aanschouw Sion, de stad van onze samenkomsten.

Uw ogen zullen Jeruzalem zien,

een veilige woonplaats,

33:20
Ps. 46:6
125:1,2
een tent die niet afgebroken zal worden,

waarvan de pinnen voor altijd niet uitgetrokken zullen worden

en waarvan geen enkel touw gebroken zal worden.

21Want de HEERE zal daar in Zijn macht bij ons zijn.

Het zal een plaats van rivieren, van brede33:21 brede - Letterlijk: wijd van handen. stromen zijn.

Geen roeiboot zal erop varen,

geen statig schip zal er passeren.

22De HEERE is immers onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever,

de HEERE is onze Koning; Híj zal ons verlossen.

23Uw touwen hangen slap,

ze houden hun mast niet op zijn plaats,

ze spannen het zeil niet uit.

Dan wordt er een rijke buit verdeeld,

zelfs verlamden roven buit.

24Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.

Want het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben ontvangen.

34

Het oordeel over Edom

341Kom naar voren, heidenvolken, om te luisteren!

Sla er acht op, natiën!

Laat de aarde luisteren en al wat zij bevat,

de wereld, en alles wat daarop uitspruit!

2Want de grote toorn van de HEEREricht zich tegen alle heidenvolken,

Zijn grimmigheid tegen heel hun legermacht.

Hij heeft hen met de ban geslagen,

hen overgegeven ter slachting.

3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,

en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.

De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.

4Heel het sterrenleger aan de hemel zal

34:4
Openb. 6:13,14
vergaan.

De hemel zal opgerold worden als een boekrol,

en heel zijn leger zal vallen,

zoals bladeren vallen van een wijnstok,

en zoals vijgen vallen van een vijgenboom.

5Want Mijn zwaard is

dronken geworden in de hemel.

Zie, het zal neerdalen op Edom,

op het volk dat Ik geslagen heb met de ban, als een oordeel.

6Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,

het is verzadigd van vet,

van het bloed van lammeren en bokken,

van het niervet van rammen.

Want de

34:6
Jes. 63:1,2
HEERE richt een offer aan in Bozra,

een grote slachting in het land Edom.

7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,

en de jonge stieren met de sterke stieren.

Hun land zal doordrenkt zijn met bloed

en hun stoffige grond verzadigd van vet.

8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,

het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.

9Zijn beken zullen veranderd worden in pek,

en zijn stof in zwavel;

ja, zijn land zal worden

tot brandend pek.

10's Nachts en ook overdag zal het niet geblust worden,

voor eeuwig zal

34:10
Openb. 14:11
19:3
zijn rook opstijgen.

Van generatie op generatie zal het verwoest blijven,

tot in alle eeuwigheden zal niemand erdoorheen trekken.

11

34:11
Jes. 13:21,22
Zef. 2:14
Openb. 18:2
Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,

ransuil en raaf zullen daar wonen.

Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen

en het paslood van de leegte.

12Zijn edelen – maar zij zijn er niet –

zal men tot het koningschap roepen:

met al zijn vorsten is het gedaan.

13In zijn paleizen zullen dorens opschieten,

netels en distels in zijn vestingen.

Het zal een woonplaats voor jakhalzen zijn,

een rustplaats voor struisvogels.

14Wilde woestijndieren zullen daar hyena's tegenkomen,

de bok zal naar zijn metgezel roepen;

ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen

en voor zichzelf een rustplaats vinden.

15Daar zal de pijlslang nestelen, eieren leggen,

uitbroeden en haar jongen koesteren in haar schaduw;

ja, daar verzamelen zich de wouwen,

de ene bij de andere.

16Zoek het na in het boek van de HEERE en lees:

niet één van hen zal er ontbreken,

zij zullen elkaar niet missen,

want Mijn mond heeft het zelf geboden

en Zijn Geest Zelf zal hen bijeenbrengen.

17Want Hij, Hij heeft voor hen het lot geworpen,

Zijn hand heeft hun het land toebedeeld met het meetlint.

Tot in eeuwigheid zullen zij het bezitten,

van generatie op generatie zullen zij er wonen.