Herziene Statenvertaling (HSV)
11

Beloften voor Israël

111Ik zeg dan:

11:1
Jer. 31:37
Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!
11:1
2 Kor. 11:22
Filipp. 3:5
Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

2God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:

3

11:3
1 Kon. 19:10
Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.11:3 staan zij mij naar het leven - Letterlijk: zoeken zij mijn ziel.

4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem?

11:4
1 Kon. 19:18
Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5

11:5
Rom. 9:27
Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.

6

11:6
Deut. 9:4
Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.

7Wat dan?

11:7
Rom. 9:31
Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,

8zoals geschreven staat:

11:8
Jes. 29:10
God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven,
11:8
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.

9En David zegt:

11:9
Ps. 69:23
Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.

10Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.

11Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.

12Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

Wortel en takken

13Want tegen u, de heidenen, zeg ik:

11:13
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 1:16
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,

14om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.

15Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?

16En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.

17Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats11:17 in hun plaats- Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid

11:17
Jer. 11:16
van de olijfboom,

18beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

19U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.

20Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.

21Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

22Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.

23

11:23
2 Kor. 3:16
En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.

24Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

25Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen,

11:25
Luk. 21:24
totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26En zo zal heel Israël zalig worden,

11:26
Ps. 14:7
Jes. 27:9
59:20
Jer. 31:31,32,33,34
2 Kor. 3:16
Hebr. 8:8
10:16
zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

28Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.

29Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

30Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,

31zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.

32

11:32
Gal. 3:22
Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.

Aanbidding

33O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God,

11:33
Ps. 36:7
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!

34

11:34
Jes. 40:13
1 Kor. 2:16
Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

35

11:35
Job 41:2
Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?

36

11:36
Spr. 16:4
1 Kor. 8:6
Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

12

Leven voor God

121Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God,

12:1
1 Petr. 2:5
om uw lichamen aan God te wijden
12:1
Rom. 6:13,16
als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.

2

12:2
1 Joh. 2:15
En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid
12:2
Efez. 5:17
1 Thess. 4:3
om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

3Want door de genade

12:3
Rom. 1:5
die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u
12:3
Efez. 4:7
niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof
12:3
1 Kor. 12:11
Efez. 4:7
zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.

4Want

12:4
1 Kor. 12:27
Efez. 1:23
4:16
5:23
Kol. 1:24
zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben,

5

12:5
1 Kor. 12:4
2 Kor. 10:13
1 Petr. 4:10
zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar.

6En nu hebben wij

12:6
1 Kor. 12:4
genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven:

7hetzij

12:7
1 Kor. 12:10
profetie, naar de mate van het geloof; hetzij
12:7
1 Petr. 4:10,11
dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen;

8hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt,

12:8
Matt. 6:1,2,3
in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt,
12:8
Deut. 15:7
2 Kor. 9:7
met blijmoedigheid.

Onderlinge liefde

9Laat de liefde ongeveinsd zijn.

12:9
Ps. 97:10
Amos 5:15
Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.

10

12:10
Efez. 4:2
Hebr. 13:1
1 Petr. 1:22
2:17
Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde.
12:10
Filipp. 2:3
1 Petr. 5:5
Ga elkaar voor in eerbetoon.

11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.

12

12:12
Rom. 15:13
1 Thess. 5:16
Verblijd u in de hoop.
12:12
Hebr. 10:36
12:1
Jak. 5:7
Wees geduldig in de verdrukking.
12:12
Luk. 18:1
Efez. 6:18
Kol. 4:2
1 Thess. 5:17
Volhard in het gebed.

13

12:13
1 Kor. 16:1
Wees deelgenoot in de noden van de heiligen.
12:13
Hebr. 13:2
1 Petr. 4:9
Leg u toe op de gastvrijheid.

14

12:14
Matt. 5:44
1 Kor. 4:12
Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

15Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen.

16

12:16
Rom. 15:5
1 Kor. 1:10
Filipp. 2:2
3:16
1 Petr. 3:8
Wees eensgezind onder elkaar.
12:16
Spr. 3:7
Jes. 5:21
Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

17

12:17
Spr. 20:22
Matt. 5:39
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
Vergeld niemand kwaad met kwaad.
12:17
2 Kor. 8:21
1 Petr. 2:12
Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

18

12:18
Mark. 9:50
Hebr. 12:14
Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

19

12:19
Matt. 5:39
Luk. 6:29
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven:
12:19
Deut. 32:35
Hebr. 10:30
Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

20

12:20
Spr. 25:21
Matt. 5:44
Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

21Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

13

De overheid als dienares van God

131Ieder

13:1
Tit. 3:1
1 Petr. 2:13
mens13:1 ieder mens - Letterlijk: elke ziel. moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn,
13:1
Spr. 8:15
Dan. 4:32
want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld,

2zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen.

3Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet, maar wel als men kwade werken doet. Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen.

4Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.

5Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten.

6Om die reden immers betaalt u ook belastingen. Het zijn namelijk dienaars van God, die juist daarmee voortdurend bezig zijn.

7

13:7
Matt. 22:21
Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt.

Liefde tot de naaste

8Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben;

13:8
Gal. 5:14
1 Tim. 1:5
want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.

9Want dit:

13:9
Ex. 20:13
Deut. 5:17
Matt. 19:18
U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin:
13:9
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Gal. 5:14
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

10De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet.

11En dit te meer,

13:11
Efez. 5:14
1 Thess. 5:6
omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen.

12

13:12
1 Thess. 5:5
De nacht is ver gevorderd en de dag is nabijgekomen.
13:12
Kol. 3:8
Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen.

13Laten wij, als op klaarlichte dag,

13:13
Filipp. 4:8
1 Thess. 4:12
op een gepaste wijze wandelen,
13:13
Luk. 21:34
1 Thess. 5:6
niet in zwelgpartijen en dronkenschappen,
13:13
1 Kor. 6:10
Efez. 5:5
niet in slaapkamers en losbandigheden,
13:13
Jak. 3:14
niet in ruzie en afgunst.

14

13:14
Gal. 3:27
Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus,
13:14
1 Petr. 2:11
en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken.