Herziene Statenvertaling (HSV)
2

De bruiloft in Kana

21En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar.

2En Jezus was ook voor de bruiloft uitgenodigd, en Zijn discipelen.

3En toen er een tekort aan wijn ontstond, zei de moeder van Jezus tegen Hem: Zij hebben geen wijn meer.

4Jezus zei tegen haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen.

5Zijn moeder zei tegen de dienaars: Wat Hij ook tegen u zal zeggen, doe het.

6En daar waren zes stenen watervaten neergezet,

2:6
Mark. 7:3
volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten.2:6 metreten - Een metreet komt overeen met ruim 39 liter.

7Jezus zei tegen hen: Vul de watervaten met water. En zij vulden ze tot aan de rand.

8En Hij zei tegen hen: Schep er nu iets uit en breng het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het.

9Toen nu de ceremoniemeester het water geproefd had, dat wijn geworden was – hij wist niet waar de wijn vandaan kwam, maar de dienaars die het water geschept hadden, wisten het – riep de ceremoniemeester de bruidegom.

10En hij zei tegen hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men er goed van gedronken heeft, daarna de mindere; u hebt de goede wijn tot nu bewaard.

11Dit heeft Jezus gedaan als begin van de tekenen, te Kana in Galilea, en Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

12Daarna ging Hij naar Kapernaüm, Hij, Zijn moeder, Zijn broers en Zijn discipelen; en zij bleven daar niet veel dagen.

De tempelreiniging

13En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging naar Jeruzalem.

14

2:14
Matt. 21:12
Mark. 11:15
Luk. 19:45
En Hij trof in de tempel mensen aan die runderen, schapen en duiven verkochten, en de geldwisselaars die daar zaten.

15En nadat Hij een gesel van touwen gemaakt had, dreef Hij ze allen de tempel uit, ook de schapen en de runderen. En het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en de tafels keerde Hij om.

16En Hij zei tegen hen die de duiven verkochten: Neem deze dingen vanhier weg, maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.

17En Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven is:

2:17
Ps. 69:10
De ijver voor Uw huis heeft mij verslonden.

18Toen antwoordden de Joden en zeiden tegen Hem:

2:18
Matt. 12:38
16:1
Mark. 8:11
Luk. 11:29
Joh. 6:30
Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?

19Jezus antwoordde en zei tegen hen:

2:19
Matt. 26:61
27:40
Mark. 14:58
15:29
Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.

20De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd, en Ú zult hem in drie dagen laten herrijzen?

21Maar Hij sprak over de tempel van Zijn lichaam.

22Toen Hij dan uit de doden was opgewekt,

2:22
Luk. 24:8
herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit tegen hen gezegd had en geloofden zij de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.

23En toen Hij in Jeruzalem was op het Pascha, tijdens het feest, geloofden velen in Zijn Naam, toen zij Zijn tekenen zagen die Hij deed.

24Maar Jezus Zelf vertrouwde Zichzelf aan hen niet toe, omdat Hij hen allen kende,

25en omdat Hij het niet nodig had dat iemand van de mens getuigde,

2:25
1 Sam. 16:7
1 Kron. 28:9
Ps. 7:10
103:14
Jer. 11:20
17:10
20:12
Joh. 6:64
want Hij wist Zelf wat in de mens was.

3

Het gesprek met Nicodemus

31En er was een mens uit de Farizeeën; zijn naam was

3:1
Joh. 19:39
Nicodemus, een leider van de Joden.

2

3:2
Joh. 7:50
19:39
Deze kwam 's nachts naar Jezus en zei tegen Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want
3:2
Joh. 9:16,33
niemand kan deze tekenen doen die U doet,
3:2
Hand. 10:38
als God niet met hem is.

3Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.

4Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden?

5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

3:5
Tit. 3:5
Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.

6

3:6
Rom. 8:5
Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.

7Verwonder u niet dat Ik tegen u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.

8De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is.

9Nicodemus antwoordde en zei tegen Hem:

3:9
Joh. 6:52
Hoe kunnen deze dingen gebeuren?

10Jezus antwoordde en zei tegen hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?

11

3:11
Joh. 7:16
8:28
12:49
14:24
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en getuigen van wat Wij gezien hebben, en toch neemt u
3:11
Vers 32
Ons getuigenis niet aan.

12Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?

13En

3:13
Joh. 6:62
Efez. 4:9
niemand is opgevaren naar de hemel dan Hij Die uit de hemel neergedaald is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.

14

3:14
Num. 21:9
2 Kon. 18:4
En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft,
3:14
Joh. 8:28
12:32
zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,

15opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat,

3:15
Vers 36
maar eeuwig leven heeft.

16

3:16
Rom. 5:8
8:31
1 Joh. 4:9
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
3:16
Vers 36;
opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

17

3:17
Luk. 9:56
Joh. 9:39
12:47
1 Joh. 4:14
Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.

18

3:18
Joh. 5:24
6:40,47
20:31
Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.

19En

3:19
Joh. 1:5
dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.

20Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.

21

3:21
Efez. 5:8,13
Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat ze in God gedaan zijn.

De Bruidegom en Zijn vriend

22Daarna ging Jezus met Zijn discipelen naar het Judese land en verbleef daar met hen

3:22
Joh. 4:1
en doopte.

23

3:23
Matt. 3:6
Mark. 1:5
Luk. 3:7
Maar ook Johannes doopte in Enon bij Salim, omdat daar veel water was; en de mensen kwamen daar en werden gedoopt,

24

3:24
Matt. 14:3
want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25Er ontstond dan een woordenstrijd vanuit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.

26

3:26
Matt. 3:11
Mark. 1:7
Luk. 3:16
Joh. 1:15,26,34
En zij gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: Rabbi, Hij Die bij u was aan de overkant van de Jordaan, van Wie u getuigenis gaf, zie, Hij doopt en allen komen bij Hem.

27Johannes antwoordde en zei: Een mens kan niets aannemen, als het hem niet uit de hemel gegeven is.

28U bent zelf mijn getuigen dat ik gezegd heb:

3:28
Joh. 1:20
Ik ben de Christus niet,
3:28
Mal. 3:1
Matt. 11:10
Mark. 1:2
Luk. 1:17
7:27
Joh. 1:21,23
maar ik ben voor Hem heen uitgezonden.

29Wie de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend van de Bruidegom, die erbij staat en hem hoort, verblijdt zich zeer over de stem van de Bruidegom. Deze blijdschap van mij nu is volkomen geworden.

30Hij moet meer worden, maar ik minder.

31

3:31
Joh. 8:23
Wie van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Wie uit de hemel komt, is boven allen.

32

3:32
Joh. 5:30
8:26
12:49
14:10
1 Joh. 5:10
En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij, en Zijn getuigenis neemt niemand aan.

33Wie Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft daarmee bezegeld

3:33
Rom. 3:4
dat God waarachtig is.

34Want Hij Die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft Hem de Geest

3:34
Efez. 4:7
zonder maat.

35De Vader heeft de Zoon lief

3:35
Matt. 11:27
28:18
Luk. 10:22
Joh. 5:22
17:2
Hebr. 2:8
en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.

36

3:36
Vers
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

4

De Samaritaanse vrouw

41Toen nu de Heere merkte dat de Farizeeën gehoord hadden dat Jezus

4:1
Joh. 3:26
meer discipelen maakte en doopte dan Johannes

2– hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen –

3verliet Hij Judea en vertrok Hij weer naar Galilea.

4En Hij moest door Samaria gaan.

5Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar genoemd, dicht bij

4:5
Gen. 33:19
48:22
Joz. 24:32
het stuk grond dat Jakob zijn zoon Jozef gegeven had.

6En daar was de bron van Jakob. Jezus nu ging, vermoeid van de reis, bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.

7Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tegen haar: Geef Mij te drinken.

8Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen.

9De Samaritaanse vrouw dan zei tegen Hem: Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?

4:9
Luk. 9:52,53
Joh. 8:48
Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.

10Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben.

11De vrouw zei tegen Hem: Heere, U hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt U dan

4:11
Jer. 2:13
het levende water vandaan?

12Bent U soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft en zelf daaruit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?

13Jezus antwoordde en zei tegen haar:

4:13
Joh. 6:58
Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen,

14

4:14
Joh. 3:16
6:27,35,54
maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen.
4:14
Joh. 7:38
Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven.

15De vrouw zei tegen Hem: Heere, geef mij dat water, opdat ik geen dorst meer zal hebben en niet hier hoef te komen om te putten.

16Jezus zei tegen haar: Ga heen, roep uw man en kom hier.

17De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tegen haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man,

18want vijf mannen hebt u gehad en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u naar waarheid gezegd.

19De vrouw zei tegen Hem: Heere,

4:19
Luk. 7:16
24:19
Joh. 6:14
ik zie dat U een profeet bent.

20Onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, en bij u zegt men dat

4:20
Deut. 12:5,11
1 Kon. 9:3
2 Kron. 7:12
in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden.

21Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.

22

4:22
2 Kon. 17:29
U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten,
4:22
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
Hebr. 7:14
want de zaligheid is uit de Joden.

23Maar de tijd komt en is er nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.

24

4:24
2 Kor. 3:17
God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

25De vrouw zei tegen Hem: Ik weet dat de Messias komt (Die Christus genoemd wordt); wanneer Die gekomen zal zijn, zal Hij ons alles verkondigen.

26Jezus zei tegen haar:

4:26
Joh. 9:37
Ik ben het, Die met u spreekt.

27En op dat moment kwamen Zijn discipelen en zij verwonderden zich dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: Wat zoekt U? of: Wat spreekt U met haar?

28De vrouw nu liet haar waterkruik staan en ging weg naar de stad en zei tegen de mensen:

29Kom, zie Iemand Die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou Híj niet de Christus zijn?

30Zij dan gingen de stad uit en kwamen naar Hem toe.

De oogst en de arbeiders

31En intussen vroegen de discipelen Hem: Rabbi, eet toch iets.

32Maar Hij zei tegen hen: Ik heb voedsel te eten waarvan u geen weet hebt.

33De discipelen dan zeiden tegen elkaar: Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?

34Jezus zei tegen hen: Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng.

35Zegt u niet: Nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Sla uw ogen op en kijk naar de velden,

4:35
Matt. 9:37
Luk. 10:2
want zij zijn al wit om te oogsten.

36En wie oogst, ontvangt loon en verzamelt vrucht voor het eeuwige leven, opdat zich samen verblijden zowel wie zaait als wie oogst.

37Want hierin is de spreuk waar: De één zaait, de ander oogst.

38Ik heb u uitgezonden om te oogsten waarvoor u zich niet hebt ingespannen; anderen hebben zich ingespannen en u hebt de vrucht van hun inspanning binnengehaald.

Het geloof van de Samaritanen

39En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft alles tegen mij gezegd wat ik gedaan heb.

40Toen dan de Samaritanen bij Hem gekomen waren, vroegen zij Hem bij hen te blijven, en Hij bleef daar twee dagen.

41En er kwamen er nog veel meer tot geloof, vanwege Zijn woord,

42en zij zeiden tegen de vrouw: Wij geloven niet meer om wat u zegt,

4:42
Joh. 17:8
want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Híj werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus.

De zoon van de hoveling

43En na die twee dagen vertrok Hij vandaar en ging naar Galilea,

44want Jezus heeft Zelf getuigd

4:44
Matt. 13:57
Mark. 6:4
Luk. 4:24
dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt.

45Toen Hij dan in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem, omdat zij alles gezien hadden wat Hij in Jeruzalem gedaan had op het feest; want ook zijzelf waren naar het feest gegaan.

46Jezus dan kwam opnieuw

4:46
Joh. 2:1,11
te Kana in Galilea, waar Hij van water wijn gemaakt had. En er was een zekere koninklijke hoveling, wiens zoon ziek lag in Kapernaüm.

47Toen deze hoorde dat Jezus uit Judea in Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg Hem te komen en zijn zoon gezond te maken, want hij lag op sterven.

48Jezus dan zei tegen hem:

4:48
1 Kor. 1:22
Als u geen tekenen en wonderen ziet, zult u beslist niet geloven.

49De koninklijke hoveling zei tegen Hem: Heere, kom voordat mijn kind sterft.

50Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en ging heen.

51En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn dienaren hem tegemoet en berichtten hem: Uw kind leeft!

52Hij informeerde dan bij hen naar het uur waarop de beterschap was ingetreden. En zij zeiden tegen hem: Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.

53De vader dan zag in dat het op dat uur was waarop Jezus tegen hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde, hijzelf en zijn hele huis.

54Dit deed Jezus als nieuw teken, het tweede, toen Hij uit Judea in Galilea gekomen was.