Herziene Statenvertaling (HSV)
40

De verlossing van het volk Israël voorzegd

401Troost, troost Mijn volk,

zal uw God zeggen,

2spreek naar het hart van Jeruzalem

en roep haar toe

dat haar strijd vervuld is,

dat haar ongerechtigheid verzoend is,

dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft

voor al haar zonden.

3

40:3
Matt. 3:3
Mark. 1:3
Luk. 3:4
Joh. 1:23
Een stem van iemand die roept

in de woestijn:

Bereid de weg van de HEERE,

maak recht in de wildernis

een gebaande weg voor onze God.

4Alle dalen zullen verhoogd worden,

alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;

wat krom is, zal recht worden;

wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.

5

40:5
Joh. 1:14
De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,

en alle vlees tezamen zal het zien,

want de mond van de HEERE heeft gesproken.

6Een stem zegt: Roep!

En hij zegt: Wat moet ik roepen?

40:6
Job 14:2
Ps. 90:5,6
102:12
103:15
Jak. 1:10
1 Petr. 1:24
Alle vlees is gras

en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.

7Het gras verdort, de bloem valt af,

als de Geest van de HEERE erover blaast.

Voorwaar, het volk is gras.

8Het gras verdort, de bloem valt af,

maar het

40:8
1 Petr. 1:25
Woord van onze God bestaat voor eeuwig.

9Klim op een hoge berg,

Sion, verkondigster van een goede boodschap;

verhef uw stem met kracht,

Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.

Verhef die, wees niet bevreesd.

Zeg tegen de steden van Juda:

Zie, uw God!

10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,

en Zijn arm zal heersen.

Zie,

40:10
Jes. 62:11
Zijn loon heeft Hij bij Zich,

Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.

11Als een herder zal Hij

40:11
Ezech. 34:23,24
Micha 7:14
Joh. 10:11
Zijn kudde weiden:

Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen

en in Zijn schoot dragen;

de zogenden zal Hij

40:11
Jes. 49:10
zachtjes leiden.

God alleen is de Machtige

12Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,

of van de hemel met een span de maat genomen,

of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,

of de bergen gewogen in een waag,

of de heuvels op een weegschaal?

13

40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild

en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?

14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,

Hem het pad van het recht zou leren,

Hem kennis bij zou brengen

of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?

15Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,

als een stofje op de weegschaal.

Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.

16De Libanon is niet genoeg om te branden,

zijn dieren zijn niet genoeg voor het brandoffer.

17Alle volken zijn als niets voor Hem,

zij worden door Hem beschouwd als minder dan

40:17
Dan. 4:35
niets en als leegheid.

18

40:18
Jes. 46:5
Hand. 17:29
Met wie zou u God willen vergelijken,

of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?

19De vakman giet het beeld,

de edelsmid overtrekt het met goud

en smeedt er zilveren kettingen voor.

20Wie te arm is voor een hefoffer,

kiest een stuk hout dat niet kan verrotten.

Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit

om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.

21Weet u het niet? Hoort u het niet?

Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?

Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?

22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,

waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.

Hij is het Die

40:22
Job 9:8
Ps. 104:2
Jes. 44:24
de hemel uitspant als een dunne doek

en uitspreidt als een tent om in te wonen.

23Hij is het Die

40:23
Job 12:21
Ps. 107:40
vorsten maakt tot niets,

rechters van de aarde maakt tot leegheid.

24Ja, zij zijn niet geplant,

ja, zij zijn niet gezaaid,

ja, hun afgehouwen stronk wortelt niet in de aarde.

Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,

en een storm neemt hen weg als stoppels.

25Met wie zou u Mij willen vergelijken,

of aan wie ben Ik gelijk?

zegt de Heilige.

26Sla uw ogen op naar omhoog,

en zie Wie deze dingen geschapen heeft;

Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,

ze alle bij name roept

door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht;

er ontbreekt er niet één.

27Waarom zegt u dan, Jakob,

en spreekt u, Israël:

Mijn weg is voor de HEERE verborgen

en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?

28Weet u het niet?

Hebt u het niet gehoord?

De eeuwige God, de HEERE,

de Schepper van de einden der aarde,

wordt niet moe en niet afgemat.

Er is

40:28
Ps. 147:5
geen doorgronding van Zijn inzicht.

29Hij geeft de vermoeide kracht

en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.

30Jongeren zullen moe en afgemat worden,

jonge mannen zullen zeker struikelen;

31maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen,

zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden,

zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,

zij zullen lopen en niet moe worden.

41

De almachtige Verlosser

411Zwijg voor Mij, kustlanden,

laten de volken de kracht vernieuwen.

Laten zij naar voren komen, laten zij dan spreken,

laten wij samen naar voren komen voor het oordeel.

2Wie heeft vanwaar de zon opkomt de rechtvaardige doen opstaan,

hem geroepen om te gaan?41:2 om te gaan - Letterlijk: voor zijn voet.

Wie heeft heidenvolken aan hem overgeleverd

en doet hem koningen vertreden?

Wie heeft hen als stof overgeleverd aan zijn zwaard,

als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?

3Hij achtervolgde hen, trok verder in vrede,

over een pad dat hij met zijn voeten niet eerder betrad.

4Wie heeft dit bewerkt en gedaan?

Hij Die de generaties riep vanaf het begin!

Ik, de HEERE,

41:4
Jes. 43:10
44:6
48:12
Openb. 1:17
22:13
Die de Eerste ben,

en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.

5De kustlanden zagen het en werden bevreesd,

de einden der aarde beefden;

ze kwamen naderbij en traden toe.

6De een hielp de ander,

tegen zijn broeder zei hij: Wees sterk!

7De vakman bemoedigde de edelsmid,

hij die met de hamer gladmaakt, hem die op het aambeeld slaat,

door van het soldeersel te zeggen: Het is goed.

Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.

8Maar u, Israël, Mijn dienaar,

u, Jakob,

41:8
Deut. 7:6
10:15
14:2
Ps. 135:4
Jes. 43:1
44:1
die Ik heb verkozen,

het nageslacht van Abraham, die Mij

41:8
2 Kron. 20:7
Jak. 2:23
liefhad,

9u, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde,

geroepen uit haar uithoeken,

en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar,

Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen.

10Wees niet bevreesd, want Ik ben met u,

wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.

Ik sterk u, ook help Ik u,

ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.41:10 die gerechtigheid werkt - Letterlijk: van Mijn gerechtigheid.

11Zie,

41:11
Ex. 23:22
Jes. 60:12
Zach. 12:3
zij zullen beschaamd en te schande worden,

allen die in woede tegen u ontstoken zijn.

Zij zullen worden als niets, zij zullen omkomen,

de mannen die u aanklagen.

12U zult hen zoeken, maar u zult hen niet kunnen vinden,

de mannen die zich tegen u keren.

Zij zullen worden als niets, als volstrekt niets,

de mannen die strijd tegen u voeren.

13Want Ik ben de HEERE, uw God,

Die uw rechterhand vastgrijpt

en tegen u zegt: Wees niet bevreesd,

Ik help u.

14Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,

volkje Israël,

Ík help u, spreekt de HEERE,

uw Verlosser is de Heilige van Israël.

15Zie, Ik maak u tot een scherpe dorsslede,

een nieuwe, met puntige pinnen.41:15 met puntige pinnen - Letterlijk: bezitter van puntige pinnen.

U zult bergen dorsen en verpulveren,

en heuvels maken

41:15
Jes. 17:13
29:5
als kaf.

16U zult ze wannen, de wind zal ze opnemen,

en de storm zal ze verspreiden.

Maar ú zult zich verheugen in de HEERE,

in de Heilige van Israël zult u zich beroemen.

17De ellendigen en de armen zoeken water, maar het is er niet,

hun tong

41:17
Matt. 5:6
versmacht van dorst.

Ík, de HEERE, zal hen verhoren,

Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.

18Ik

41:18
Jes. 35:7
44:3
zal op kale hoogten rivieren doen ontspringen,

midden in valleien bronnen.

41:18
Ps. 107:35
Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel,

het dorre land tot waterbronnen.

19Ik zal in de woestijn de ceder zetten,

de acacia, de mirt en de oliehoudende boom.

Ik zal in de wildernis de cipres plaatsen,

samen met plataan en dennenboom,

20opdat men ziet en erkent,

bedenkt en tevens inziet

dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft,

en de Heilige van Israël het geschapen heeft.

21Kom naderbij met uw aanklacht,

zegt de HEERE,

kom maar naar voren met uw bewijzen,

zegt de Koning van Jakob.

22Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken

de dingen die zullen gebeuren.

De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,

en wij zullen het ter harte nemen

en het einde ervan weten,

of doe ons de komende dingen horen.

23Maak de dingen bekend die hierna zullen komen,

en wij zullen weten dat u goden bent.

Doe tenminste iets, goed of kwaad,

en wij zullen verschrikt zijn en het tezamen inzien.

24Zie, u bent minder dan niets,

en uw werk is minder dan een nietig ding;

een gruwel is hij die voor u kiest.

25Ik doe Iemand opstaan uit het noorden en Hij zal komen:

vanwaar de zon opkomt zal Hij Mijn Naam aanroepen;

Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden

en zoals een pottenbakker klei treedt.

26Wie heeft het van het begin af verkondigd, zodat wij het kunnen weten,

of van tevoren, dat wij kunnen zeggen: Het is terecht?

Maar er is niemand die het verkondigt, ook niemand die iets horen doet,

ook niemand die uw woorden hoort.

27Ik, de Eerste, zeg tegen Sion: Zie, zie ze daar!

en tegen Jeruzalem: Ik zal een Vreugdebode geven.

28Want Ik zag toe, maar er was niemand,

zelfs niet onder dezen, er was geen raadsman,

dat Ik hun iets zou vragen en zij Mij antwoord zouden geven.

29Zie, zij allen zijn nietigheid,

hun werken zijn niets,

hun gegoten beelden zijn wind en leegte.

42

De Knecht van de HEERE

421Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,

Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel

42:1
Matt. 3:17
17:5
Efez. 1:6
een welbehagen heeft;

42:1
Jes. 11:2
Joh. 3:34
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.

Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.

2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen,

Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.

3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,

de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;

naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.

4Hij zal niet uitdoven,

Hij zal niet geknakt worden,

totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.

De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.

5Zo zegt God, de HEERE,

Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,

Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,

Die de adem geeft aan het volk dat daarop is,

en de geest aan hen die daarop wandelen:

6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,

Ik zal U bij Uw hand grijpen,

Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen

tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,

7om blinde ogen te openen,

om gevangenen uit de kerker te leiden,

uit de gevangenis wie in duisternis zitten.

8Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;

42:8
Jes. 48:11
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,

evenmin Mijn lof aan de afgodsbeelden.

9De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!

Nieuwe dingen verkondig Ik;

voordat ze ontkiemen,

doe Ik ze u horen.

10

42:10
Ps. 33:3
Zing voor de HEERE een nieuw lied,

Zijn lof vanaf het einde der aarde,

u die de zee en al wat daarin is, bevaart,

u, eilanden en wie daarop wonen.

11Laten de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,

de dorpen waar Kedar woont.

Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,

het vanaf de bergtoppen uitjubelen.

12Laten zij de HEERE eer geven,

en Zijn lof op de eilanden verkondigen.

13De HEERE zal uittrekken als een held.

Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,

Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,

Hij zal Zijn vijanden overweldigen.

14Ik heb van oude tijden af gezwegen,

Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.

Als een barende vrouw zal Ik het uitschreeuwen.

Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.

15Ik zal bergen en heuvels woest maken

en al hun gras zal Ik doen verdorren.

Ik zal van rivieren eilanden maken

en waterpoelen doen opdrogen.

16En Ik zal blinden leiden langs een weg die zij niet gekend hebben,

Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.

Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht

en

42:16
Jes. 40:3,4
wat krom is in wat recht is.

Deze dingen zal Ik voor hen doen,

Ik zal hen niet verlaten.

17Maar wie op gesneden beelden vertrouwen,

wie tegen gegoten beelden zeggen:

U bent onze goden,

42:17
Ps. 97:7
Jes. 1:29
44:11
45:16
die zullen terugwijken en diep beschaamd worden.42:17 diep beschaamd worden - Letterlijk: met schaamte beschaamd worden.

18Doven, hoor!

Blinden, kijk en zie!

19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,

doof zoals Mijn bode die Ik zend?

Wie is blind zoals de volmaakte,

blind zoals de knecht van de HEERE?

20U ziet wel veel dingen, maar

42:20
Rom. 2:2
u let er niet op.

Hij doet zijn oren wel open, toch luistert hij niet.

21De HEERE was hem genegen omwille van Zijn gerechtigheid,

Hij maakte hem groot door de wet, en luisterrijk.

22Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;

vastgebonden in holen zitten zij allen,

opgesloten in gevangenissen.

Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;

een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!

23Wie onder u neemt dit ter ore?

Wie slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?

24Wie heeft Jakob tot buit gegeven

en Israël overgeleverd aan rovers?

Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?

Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan

en zij luisterden niet naar Zijn wet.

25Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn

en het geweld van de oorlog.

Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;

het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.