Herziene Statenvertaling (HSV)
7

Vrij van de wet

71Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

2

7:2
1 Kor. 7:39
Want de gehuwde vrouw is door de wet
7:2
1 Kor. 7:2,10
gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.

3

7:3
Matt. 5:32
Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

4Zo, mijn broeders,

7:4
Gal. 2:19
1 Petr. 4:1
bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

5Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

6Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij

7:6
Rom. 2:29
2 Kor. 3:6
in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

De wet leert de zonde kennen

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja,

7:7
Rom. 3:20
Hebr. 7:18
ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei:
7:7
Ex. 20:17
Deut. 5:21
U zult niet begeren.

8

7:8
Joh. 15:22
Rom. 4:15
5:20
Gal. 3:19
Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.

9Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

10En het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek voor mij de dood te betekenen.

11Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

12

7:12
1 Tim. 1:8
Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13Is dan het goede de oorzaak van mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft – opdat zij als zonde zichtbaar zou worden – door het goede voor mij de dood teweeggebracht, opdat door het gebod de zonde uitermate zondig zou blijken te zijn.

Inwendige strijd

14Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk,

7:14
Jes. 52:3
verkocht onder de zonde.

15Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet,

7:15
Gal. 5:17
want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.

16En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is.

17Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont.

18

7:18
Gen. 6:5
8:21
Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet.

19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont.

21Ik ontdek dus deze wet in mij: dat, als ik het goede wil doen, het kwade dicht bij mij ligt.

22

7:22
Efez. 3:16
Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.

23

7:23
Gal. 5:17
Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?

25Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

26Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.

8

Het leven door de Geest

81Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

2

8:2
Joh. 8:36
Rom. 6:18,22
Gal. 5:1
Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.

3

8:3
Hand. 13:39
Rom. 3:28
Gal. 2:16
Hebr. 7:18
Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees8:3 in een gedaante gelijk aan het zondige vlees - Letterlijk: in gelijkheid van het vlees van zonde. en dat omwille van de zonde, en
8:3
2 Kor. 5:21
Gal. 3:13
de zonde veroordeeld in het vlees,

4opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

5

8:5
1 Kor. 2:14
Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest.

6Want het denken van het vlees is de dood, maar het denken van de Geest is leven en vrede.

7Immers, het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.

8En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.

9Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans8:9 wanneer althans - Of: omdat. de Geest van God

8:9
1 Kor. 3:16
in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.

10Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.

11En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont,

8:11
Rom. 6:4,5
1 Kor. 6:14
2 Kor. 4:14
Efez. 2:5
Kol. 2:13
zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont.

12Welnu, broeders, wij zijn aan het vlees niet verplicht om naar het vlees te leven.

13Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven.

14

8:14
Gal. 5:18
Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.

15

8:15
1 Kor. 2:12
2 Tim. 1:7
Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt,
8:15
Jes. 56:5
Gal. 3:26
4:5,6
maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!

16

8:16
2 Kor. 1:22
5:5
Efez. 1:13
4:30
De Geest Zelf getuigt met onze geest8:16 getuigt met onze geest - Of: getuigt mede aan onze geest. dat wij kinderen van God zijn.

17En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus;

8:17
2 Tim. 2:11,12
wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.

De eerstelingen van de Geest

18

8:18
Matt. 5:12
2 Kor. 4:10,17
Filipp. 3:20
1 Petr. 4:13
1 Joh. 3:1,2
Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.

19Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.

20Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft,

21in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.

22Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe.

23En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk

8:23
Luk. 21:28
de verlossing van ons lichaam.

24Want in de hoop zijn wij zalig geworden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen?

25Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.

26En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp,

8:26
Matt. 20:22
Jak. 4:3
want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

27En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit.

28En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.

29Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij

8:29
Kol. 1:18
de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.

30En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.

Meer dan overwinnaars

31Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen?

8:31
Num. 14:8
Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

32Hoe zal Hij, Die zelfs

8:32
Gen. 22:12
Jes. 53:5
Joh. 3:16
Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

33Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God?

8:33
Jes. 50:8
God is het Die rechtvaardigt.

34Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is,

8:34
Hebr. 7:25
Die ook voor ons pleit.

35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?

36Zoals geschreven staat:

8:36
Ps. 44:23
1 Kor. 4:9
2 Kor. 4:11
Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.

37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.

38Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,

39noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.

9

Droefheid over het ongeloof van Israël

91Ik

9:1
Rom. 1:9
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
5:27
spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest,

2dat het een grote bron van droefheid voor mij is, en een voortdurende smart voor mijn hart.

3

9:3
Ex. 32:32
Rom. 10:1
Want ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft.

4

9:4
Deut. 7:6
Rom. 2:17
3:2
Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid
9:4
Efez. 2:12
en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.

5Tot hen behoren de vaderen, en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus voortgekomen,

9:5
Jer. 23:6
Joh. 1:1
Hand. 20:28
Rom. 1:4
Hebr. 1:8,9,10
Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!

De vrijmacht van de verkiezing

6Ik zeg dit niet

9:6
Num. 23:19
Rom. 3:3
2 Tim. 2:13
alsof het Woord van God vervallen is,
9:6
Joh. 8:39
Rom. 2:28
want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël.

7

9:7
Gal. 4:23
Ook niet omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen.
9:7
Gen. 21:12
Gal. 3:29
Hebr. 11:18
Maar: Alleen dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden.

8Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God,

9:8
Gal. 4:28
maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend.

9Want dit is het woord van de belofte:

9:9
Gen. 18:10
Rond deze tijd zal Ik komen, en dan zal Sara een zoon hebben.

10En dit niet alleen,

9:10
Gen. 25:21
maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man, namelijk Izak, onze vader.

11Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden – opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept –

12werd tot haar gezegd:

9:12
Gen. 25:23
De meerdere zal de mindere dienen.

13Zoals geschreven staat:

9:13
Mal. 1:2
Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.

14Wat zullen wij dan zeggen?

9:14
Deut. 32:4
2 Kron. 19:7
Job 34:10
Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet!

15Want Hij zegt tegen Mozes:

9:15
Ex. 33:19
Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal barmhartig zijn voor wie Ik barmhartig ben.

16Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.

17Want de Schrift zegt tegen de farao:

9:17
Ex. 9:16
Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde.

18Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil.

19U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?

20Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt?

9:20
Jes. 45:9
Jer. 18:6
Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?

21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei

9:21
2 Tim. 2:20
het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?

22En is het niet zo dat God, omdat Hij Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel geduld de voorwerpen van Zijn toorn, voor het verderf gereedgemaakt, verdragen heeft?

23En dat met het doel om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid?

24Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

25Zoals Hij ook in Hosea zegt:

9:25
Hos. 2:22
Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.

26En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was:

9:26
Hos. 1:10
1 Petr. 2:10
U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.

27En Jesaja roept over Israël uit:

9:27
Jes. 10:22
Al zou het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.

28Want Hij voltooit een zaak en handelt die af in gerechtigheid. De Heere immers zal metterdaad Zijn zaak snel afhandelen9:28 zal … snel afhandelen - Letterlijk: zal een afgesneden zaak doen. op de aarde.

29En zoals Jesaja van tevoren gezegd heeft:

9:29
Jes. 1:9
Als de Heere van de legermachten9:29 de Heere van de legermachten - Letterlijk: de Heere Zebaoth. ons geen nageslacht had overgelaten, zouden wij
9:29
Gen. 19:24
Jes. 13:19
Jer. 50:40
Ezech. 16:46
als Sodom zijn geworden en aan Gomorra gelijkgemaakt zijn geweest.

Het behoud van de heiden en de dwaling van Israël

30Wat zullen wij dan zeggen? Dit: dat de heidenen, die geen gerechtigheid hebben nagejaagd, gerechtigheid verkregen hebben, gerechtigheid echter die uit het geloof is.

31Maar Israël,

9:31
Rom. 10:2
11:7
dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen.

32Waarom niet? Omdat zij die niet uit geloof zochten, maar als uit werken van de wet. Want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,

33zoals geschreven staat:

9:33
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Matt. 21:42
1 Petr. 2:6
Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een struikelblok.
9:33
Ps. 2:12
Spr. 16:20
Jes. 28:16
Jer. 17:7
En: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.