Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

181Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil,

hij gaat de strijd met alle wijsheid aan.

2

18:2
Spr. 12:23
Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht,

hij wil alleen zijn eigen mening kwijt.

3Waar goddeloosheid is, is verachting,

een schanddaad gaat gepaard met smaad.

4

18:4
Spr. 20:5
Sir. 21:13
De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren,

ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.

5Het is niet goed een goddeloze te bevoorrechten

en het recht van een rechtvaardige te schenden.

6De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,

wat hij zegt leidt tot een vechtpartij.

7

18:7
Spr. 10:14
12:13
13:3
Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf,

hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt.

8

18:8
Spr. 26:22
De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op,

als een lekkernij die de buik verzadigt.

9Wie lui is in zijn werk,

werkt aan zijn eigen ondergang.

10

18:10
Ps. 61:4
De naam van de HEER is een sterke toren,

de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig.

11

18:11
Spr. 10:15
Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is,

achter een muur waant hij zich veilig.

12

18:12
Spr. 15:33
16:18
Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val,

bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

13

18:13
Sir. 11:8
Wie antwoordt zonder eerst te luisteren,

handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk.

14Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte,

maar wie geneest een zieke geest?

15

18:15
Spr. 15:14
Een verstandig mens verwerft kennis,

een wijze is gespitst op inzicht.

16

18:16
Spr. 17:8
Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf,

hij verschaft zich toegang tot de machtigen.

17Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen,

maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan.

18Het lot kan een geschil beslechten,

het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden.

19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting,

ruzie is als een vergrendelde toren.

20

18:20
Spr. 12:14
13:2
Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen,

hij voedt zich met de vruchten van zijn mond.

21

18:21
Spr. 21:23
Jak. 3:2-12
Woorden hebben macht over leven en dood,

wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.

22Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden,

hij ontvangt de gunst van de HEER.

23Een verschoppeling bidt en smeekt,

de rijkaard antwoordt hem hooghartig.

24

18:24
Spr. 27:10
Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd,

een echte vriend is meer waard dan een broer.