Herziene Statenvertaling (HSV)
13

De verwoesting van Jeruzalem voorzegd

131En toen Hij

13:1
Matt. 24:1
Luk. 21:5
uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!

2En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen?

13:2
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Luk. 19:44
Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.

3

13:3
Matt. 24:3
Luk. 21:7
En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren:

4

13:4
Hand. 1:6
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

5En Jezus antwoordde hun en begon te zeggen:

13:5
Jer. 29:8
Efez. 5:6
2 Thess. 2:2,3
1 Joh. 4:1
Pas op dat niemand u misleidt.

6Want velen zullen komen

13:6
Jer. 14:14
23:21
onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

7En wanneer u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt, want dit moet gebeuren, maar het is nog niet het einde.

8

13:8
Jes. 19:2
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en er zullen hongersnoden zijn en onlusten. Deze dingen zijn het begin van de weeën.

9

13:9
Matt. 10:17
24:9
Luk. 21:12
Joh. 15:19
16:2
Openb. 2:10
Past u op uzelf; want ze zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in de synagogen zult u geslagen worden; en u zult voor stadhouders en koningen geplaatst worden omwille van Mij, tot een getuigenis voor hen.

10En het Evangelie moet eerst gepredikt worden aan alle volken.

11

13:11
Matt. 10:19
Luk. 12:11
21:14
En wanneer ze u zullen wegleiden om u over te leveren, wees dan van tevoren niet bezorgd wat u spreken moet, en bedenk het niet; maar wat u op dat moment gegeven zal worden, spreek dat, want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.

12

13:12
Ezech. 38:21
Micha 7:6
En de ene broer zal de andere overleveren tot de dood en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen doden.

13En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam,

13:13
Matt. 10:22
24:13
Luk. 21:19
Openb. 2:7,10
maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Over de grote verdrukking

14

13:14
Matt. 24:15
Luk. 21:20
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet
13:14
Dan. 9:27
Daniël gesproken is, zult zien staan waar het niet behoort –
13:14
Luk. 21:21
laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

15En wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan in het huis om iets uit zijn huis te halen,

16en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet, om zijn bovenkleed te halen.

17Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!

18En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter.

19Want die dagen zullen dagen van zo'n verdrukking zijn als er niet geweest is vanaf het begin van de schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.

20En als de Heere die dagen niet ingekort had, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.

21

13:21
Matt. 24:23
Luk. 21:8
En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of zie, Hij is daar; geloof het niet.

22

13:22
Deut. 13:1
2 Thess. 2:11
Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen te misleiden.

23Maar past u op; zie, Ik heb u alles van tevoren gezegd!

Over de wederkomst

24

13:24
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Luk. 21:25
Openb. 6:12
Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven.

25En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen en de krachten in de hemelen zullen heftig bewogen worden.

26

13:26
Dan. 7:10
Matt. 16:27
24:30
Mark. 14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

27En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.

28

13:28
Matt. 24:32
Luk. 21:29
En leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

29Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

30Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.

31

13:31
Ps. 102:27
Jes. 40:8
51:6
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

32

13:32
Matt. 24:36
Hand. 1:7
Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader.

Aansporing tot waakzaamheid

33

13:33
Matt. 24:42
25:13
Luk. 12:40
21:36
1 Thess. 5:6
Let op: waak en bid, want u weet niet wanneer het de tijd is.

34Het zal zijn als bij iemand die naar het buitenland ging: hij verliet zijn huis, gaf zijn dienaren volmacht, en gaf aan ieder zijn werk, en gebood de deurwachter waakzaam te zijn.

35Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of te middernacht of met het hanengekraai of 's morgens vroeg,

36opdat hij u niet, als hij plotseling komt, slapend aantreft.

37En wat Ik tegen u zeg, zeg Ik tegen allen: Wees waakzaam!

14

De zalving in Bethanië

141En na twee dagen was

14:1
Matt. 26:2
Luk. 22:1
Joh. 11:55
13:1
het Pascha en het Feest van de ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem door een list te grijpen en te doden.

2Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er niet misschien opschudding onder het volk ontstaat.

3

14:3
Matt. 26:6
Luk. 7:37
Joh. 11:2
12:3
En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er, toen Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met zuivere, kostbare narduszalf en nadat zij de albasten fles gebroken had, goot zij hem uit op Zijn hoofd.

4En er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf?

5Want die had voor meer dan driehonderd penningen14:5 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden; en zij vielen scherp tegen haar uit.

6Maar Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.

7

14:7
Deut. 15:11
Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen, maar Mij hebt u niet altijd.

8Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.

9Voorwaar, Ik zeg u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.

10

14:10
Matt. 26:14
Luk. 22:4
En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.

11En toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden zij hem geld te geven. En hij zocht naar een geschikte manier om Hem over te leveren.

De paastijd

12

14:12
Matt. 26:17
Luk. 22:7
En op de eerste dag van
14:12
Ex. 12:17
de ongezuurde broden, wanneer ze het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en voorbereidingen treffen, zodat U het Pascha kunt eten?

13En Hij stuurde twee van Zijn discipelen eropuit en zei tegen hen: Ga de stad in en iemand zal u tegemoetkomen die een kruik water draagt; volg hem,

14en waar hij ook naar binnen gaat, zeg daar tegen de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?

15En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, volledig ingericht en klaar; maak het daar voor ons gereed.

16En Zijn discipelen vertrokken en kwamen in de stad en zij vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.

De ontmaskering van Judas

17

14:17
Matt. 26:20
Luk. 22:14
En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf.

18En toen zij aanlagen en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u

14:18
Ps. 41:10
Hand. 1:17
dat een van u, die met Mij eet, Mij verraden zal.

19En zij begonnen bedroefd te worden en de een na de ander tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet? En weer een ander: Ik ben het toch niet?

20Maar Hij antwoordde hun: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel indoopt.

21De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn, als hij niet geboren was.

De instelling van het Heilig Avondmaal

22

14:22
Matt. 26:26
Luk. 22:19
1 Kor. 11:23
En terwijl zij aten, nam Jezus brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.

23En Hij nam de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zij dronken er allen uit.

24En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe testament,14:24 testament - Het Griekse woord betekent hier zowel testament als verbond. dat voor velen vergoten wordt.

25Voorwaar, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God.

26En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.

Petrus gewaarschuwd

27

14:27
Matt. 26:31
Joh. 16:32
En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven:
14:27
Zach. 13:7
Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden.

28

14:28
Matt. 26:32
28:10
Mark. 16:7
Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

29En Petrus zei tegen Hem: Ook al zullen allen aanstoot aan U nemen, ik echter niet.

30

14:30
Matt. 26:34
Luk. 22:34
Joh. 13:38
En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u vandaag, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

31

14:31
Joh. 13:37
Maar hij zei nog krachtiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! En evenzo spraken zij ook allen.

Gethsémané

32

14:32
Matt. 26:36
Luk. 22:39
Joh. 18:1
En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.

33En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;

34en Hij zei tegen hen:

14:34
Joh. 12:27
Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.

35

14:35
Luk. 22:41
En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.

36En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg,

14:36
Joh. 6:38
maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.

37

14:37
Matt. 26:40
Luk. 22:45
En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken?

38Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt;

14:38
Gal. 5:17
de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

39En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden.

40En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.

41En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.

42Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

De gevangenneming van Jezus

43

14:43
Matt. 26:47
Luk. 22:47
Joh. 18:3
En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.

44En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg.

45En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en

14:45
2 Sam. 20:9
hij kuste Hem.

46En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.

47Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.

48En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen?

49Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt

14:49
Ps. 22:7
69:10
Luk. 24:25
opdat de Schriften vervuld worden.

50

14:50
Job 19:13
Ps. 88:9
En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen.

51En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem,

52maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.

Jezus voor het Sanhedrin

53

14:53
Matt. 26:57
Luk. 22:54
Joh. 18:13,24
En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen.

54En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur.

55

14:55
Matt. 26:59
Hand. 6:13
En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet.

56Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend.

57Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden:

58Wij hebben Hem horen zeggen:

14:58
Mark. 15:29
Joh. 2:19
Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.

59En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend.

60

14:60
Matt. 26:62
En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?

61

14:61
Jes. 53:7
Hand. 8:32
Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?

62En Jezus zei: Ik ben het.

14:62
Dan. 7:13
Matt. 16:27
24:30
25:31
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.

63Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig?

64U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende.

65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en

14:65
Job 16:10
Jes. 50:6
Joh. 19:3
Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht.

De verloochening van Petrus

66

14:66
Matt. 26:58,69
Luk. 22:55
Joh. 18:16,17
En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester;

67en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener.

68Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide.

69

14:69
Matt. 26:71
Luk. 22:58
Joh. 18:25
En toen het dienstmeisje hem opnieuw zag, begon zij te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen.

70Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden, opnieuw tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want u bent ook een Galileeër en uw spraak vertoont overeenkomst.

71En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet over Wie u spreekt.

72En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had:

14:72
Matt. 26:34,75
Luk. 22:61
Joh. 13:38
18:27
Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En toen dat tot hem doordrong, begon hij te huilen.

15

Jezus voor Pilatus

151En

15:1
Ps. 2:2
Matt. 27:1
Luk. 22:66
23:1
Joh. 18:28
meteen, 's morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en heel de Raad, en nadat zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden zij Hem over
15:1
Hand. 3:13
aan Pilatus.

2

15:2
Matt. 27:11
Luk. 23:3
Joh. 18:33
En Pilatus vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het.

3En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets.

4

15:4
Matt. 27:13
Joh. 19:10
En Pilatus stelde Hem opnieuw een vraag en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zij tegen U getuigen!

5Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.

6

15:6
Matt. 27:15
Luk. 23:17
Joh. 18:39
Nu liet hij op een feest één gevangene voor hen los, wie zij maar wensten.

7

15:7
Matt. 27:16
Luk. 23:19
Joh. 18:40
En er was er een, die Barabbas heette, die gevangenzat met medeoproermakers die in het oproer een moord begaan hadden.

8En de menigte schreeuwde en begon te eisen dat hij zou doen zoals hij altijd voor hen gedaan had.

9En Pilatus antwoordde hun: Wilt u dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?

10Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.

11

15:11
Matt. 27:20
Luk. 23:18
Joh. 18:40
Hand. 3:14
Maar de overpriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen zou loslaten.

12En Pilatus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Wat wilt u dan dat ik met Hem doen zal Die u de Koning van de Joden noemt?

13En zij riepen opnieuw: Kruisig Hem!

14Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen nog harder: Kruisig Hem!

15

15:15
Matt. 27:26
Joh. 19:1
Pilatus nu wilde de menigte tevredenstellen en liet Barabbas voor hen los; en hij leverde Jezus, nadat hij Hem gegeseld had, over om gekruisigd te worden.

Jezus weggeleid

16

15:16
Matt. 27:27
Joh. 19:2
En de soldaten leidden Hem het paleis binnen, dat is het gerechtsgebouw, en riepen heel de legerafdeling bijeen.

17En zij deden Hem een purperen mantel om, en nadat zij een doornenkroon gevlochten hadden, zetten zij Hem die op

18en begonnen Hem te begroeten: Gegroet, Koning van de Joden!

19En zij sloegen op Zijn hoofd met een rietstok en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en aanbaden Hem.

20En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de purperen mantel uit en trokken Hem Zijn eigen kleren aan en leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen.

De kruisiging

21

15:21
Matt. 27:32
Luk. 23:26
En zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.

22

15:22
Matt. 27:33
Luk. 23:33
Joh. 19:17
En zij brachten Hem naar de plaats Golgotha, dat is vertaald: Schedelplaats.

23En zij gaven Hem met mirre gemengde wijn te drinken, maar Hij nam die niet.

24

15:24
Matt. 27:35
Luk. 23:34
Joh. 19:23
En toen zij Hem gekruisigd hadden,
15:24
Ps. 22:19
verdeelden zij Zijn kleren: door het lot te werpen bepaalden zij wat ieder ervan nemen zou.

25En het was het derde uur en zij kruisigden Hem.

26

15:26
Matt. 27:37
Luk. 23:38
Joh. 19:19
En het opschrift met Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING VAN DE JODEN.

27En zij kruisigden met Hem twee misdadigers, een aan Zijn rechter- en een aan Zijn linkerzijde.

28

15:28
Jes. 53:12
Luk. 22:37
En het Schriftwoord is in vervulling gegaan dat zegt: En Hij is onder de misdadigers gerekend.

29

15:29
Ps. 22:8
69:21
109:25
Matt. 27:39
Luk. 23:35
En de voorbijgangers lasterden Hem en schudden hun hoofd en zeiden: Ha!
15:29
Joh. 2:19
U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,

30verlos Uzelf en kom van het kruis af!

31En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden, onder elkaar en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.

32Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij het zien en gaan geloven. Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.

33

15:33
Matt. 27:45
Luk. 23:44
En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe.

34En op het negende uur riep Jezus met luide stem:

15:34
Ps. 22:2
Matt. 27:46
ELOÏ, ELOÏ, LAMA SABACHTANI, dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

35En sommigen van hen die daarbij stonden en dit hoorden, zeiden: Zie, Hij roept Elia.

36

15:36
Ps. 69:22
Joh. 19:29
En er snelde iemand toe, vulde een spons met zure wijn, stak die op een rietstok en gaf Hem te drinken, en hij zei: Houd op, laten wij zien of Elia komt om Hem er af te nemen.

37En roepend met luide stem gaf Jezus de geest.

38

15:38
2 Kron. 3:14
Matt. 27:51
Luk. 23:45
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden.

39

15:39
Matt. 27:54
Luk. 23:47
En de hoofdman over honderd die daarbij stond, tegenover Hem, en zag dat Hij zo roepend de geest gegeven had, zei: Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!

40

15:40
Matt. 27:55
Luk. 23:49
En er waren daar ook vrouwen, die
15:40
Ps. 38:12
uit de verte toekeken; onder hen waren ook Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salome,

41die, ook toen Hij in Galilea was, Hem gevolgd waren en

15:41
Luk. 8:2,3
gediend hadden, en veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem opgegaan waren.

De begrafenis

42

15:42
Matt. 27:57
Luk. 23:50
Joh. 19:38
En toen het al avond geworden was, en omdat het de voorbereiding op het Pascha was, dat is de voorsabbat,

43kwam Jozef van Arimathea, een aanzienlijk raadsheer, die zelf ook het Koninkrijk van God verwachtte, en waagde het om bij Pilatus naar binnen te gaan en om het lichaam van Jezus te vragen.

44En Pilatus verwonderde zich erover dat Hij al gestorven was; en nadat hij de hoofdman over honderd bij zich geroepen had, vroeg hij hem of Hij allang gestorven was.

45En toen hij het van de hoofdman over honderd vernomen had, schonk hij Jozef het lichaam.

46En deze kocht fijn linnen en nadat hij Hem van het kruis afgenomen had, wikkelde hij Hem in dat fijne linnen

15:46
Matt. 12:40
26:12
27:60
Luk. 23:53
en legde Hem in een graf dat in een rots uitgehakt was; en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf.

47En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Hij gelegd werd.