Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Inleiding

11Aangezien velen ter hand genomen hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben,

2zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, aan ons overgeleverd hebben,

3heeft het ook mij goedgedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het geordend voor u te beschrijven, hooggeachte Theofilus,

4opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u onderwezen bent.

Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper

5In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een priester

1:5
1 Kron. 24:10
van de afdeling van Abia, van wie de naam Zacharias was. En zijn vrouw behoorde tot de dochters van Aäron en haar naam was Elizabet.

6Zij waren beiden rechtvaardig voor God en wandelden onberispelijk volgens alle geboden en verordeningen van de Heere.

7En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was en zij beiden op leeftijd1:7 op leeftijd - Letterlijk: ver op hun dagen; zie ook vers 18. gekomen waren.

8Terwijl hij het priesterambt bediende voor God, toen het de beurt van zijn afdeling was, gebeurde het

9dat hij, volgens de gewoonte van de priesterdienst, door loting werd aangewezen

1:9
Hebr. 9:6
om de tempel van de Heere binnen te gaan en
1:9
Ex. 30:7
Lev. 16:17
het reukoffer te brengen.

10En heel de menigte van het volk was buiten aan het bidden op het uur van het reukoffer.

11En er verscheen aan hem een engel van de Heere, die aan de rechterzijde van het reukofferaltaar stond.

12En toen Zacharias hem zag, raakte hij in verwarring en vrees overviel hem.

13Maar de engel zei tegen hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren en

1:13
Vers 60
u zult hem de naam Johannes geven.

14En er zal blijdschap en vreugde voor u zijn en velen

1:14
Vers 58
zullen zich over zijn geboorte verblijden,

15want hij zal groot zijn voor de Heere.

1:15
Richt. 13:4
Geen wijn en geen sterkedrank zal hij drinken en hij zal al van de moederschoot af met de Heilige Geest vervuld worden,

16en

1:16
Mal. 4:6
Matt. 11:14
hij zal velen van de Israëlieten bekeren tot de Heere, hun God.

17En hij

1:17
Matt. 3:2
Mark. 9:12
zal voor Hem uit gaan in de geest en de kracht van Elia,
1:17
Mal. 4:6
om het hart van de vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de bedachtzaamheid van de rechtvaardigen, om voor de Heere een toegerust volk gereed te maken.

18En Zacharias zei tegen de engel: Hoe zal ik dat weten?

1:18
Gen. 17:17
Want ik ben oud en mijn vrouw is op leeftijd gekomen.

19En de engel antwoordde en zei tegen hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen.

20En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen gebeurd zijn, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.

21En het volk stond te wachten op Zacharias; en ze waren verwonderd dat hij zo lang in de tempel bleef.

22Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken. Zij begrepen dat hij een verschijning in de tempel gezien had. Hij wenkte hun toe en bleef stom.

23En het gebeurde, toen de dagen van zijn dienstwerk voorbij waren, dat hij naar zijn huis ging;

24en na die dagen werd zijn vrouw Elizabet zwanger. En zij verborg zich vijf maanden en zei:

25Zo heeft de Heere voor mij gedaan in de dagen waarin Hij acht op mij geslagen heeft om

1:25
Gen. 30:23
Jes. 4:1
mijn smaad onder de mensen weg te nemen.

Aankondiging van de geboorte van Jezus

26In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, waarvan de naam Nazareth was,

27

1:27
Matt. 1:18
naar een maagd die ondertrouwd was met een man, van wie de naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria.

28En toen de engel bij haar binnengekomen was, zei hij: Wees gegroet, begenadigde. De Heere is met u. U bent gezegend onder de vrouwen.

29Toen zij hem zag, raakte zij in verwarring door zijn woorden, en zij vroeg zich af wat de betekenis van deze groet kon zijn.

30En de engel zei tegen haar: Wees niet bevreesd, Maria, want u hebt genade gevonden bij God.

31En

1:31
Jes. 7:14
zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de
1:31
Matt. 1:21
Naam Jezus geven.

32

1:32
Jes. 54:5
Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en
1:32
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Jes. 9:6
God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,

33

1:33
1 Kron. 22:10
Ps. 45:7
89:37
Jer. 23:5
Dan. 7:14,27
Micha 4:7
Hebr. 1:8
en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.

34Maria zei tegen de engel: Hoe zal dat mogelijk zijn, aangezien ik geen gemeenschap heb met een man?1:34 gemeenschap heb met een man - Letterlijk: een man ken.

35En de engel antwoordde en zei tegen haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden.

36En zie, uw nicht Elizabet is eveneens zwanger van een zoon, in haar ouderdom. Dit is de zesde maand voor haar, die onvruchtbaar genoemd werd.

37

1:37
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Matt. 19:26
Luk. 18:27
Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

38Maria zei: Zie, de dienares van de Heere, laat met mij geschieden overeenkomstig uw woord. En de engel ging van haar weg.

Maria bij Elizabet

39In die dagen stond Maria op en reisde haastig naar het bergland, naar een stad van Juda,

40en zij kwam in het huis van Zacharias en groette Elizabet.

41En toen Elizabet de groet van Maria hoorde, gebeurde het dat het kindje opsprong in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest,

42en zij riep met luide stem en zei: Gezegend ben je onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je buik.

43En waaraan heb ik dit te danken dat de moeder van mijn Heere naar mij toe komt?

44Want zie, toen het geluid van je groet in mijn oren klonk, sprong het kindje van vreugde op in mijn buik.

45

1:45
Luk. 11:28
En zalig is zij die geloofd heeft, want wat haar van de kant van de Heere gezegd is, zal volbracht worden.

De lofzang van Maria

46En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heere groot,

47en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker,

48omdat Hij heeft omgezien naar de nederige staat van Zijn dienares. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij zalig spreken,

49want Hij Die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam.

50

1:50
Ex. 20:6
En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen.

51

1:51
Jes. 51:9
52:10
Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm.
1:51
Ps. 33:10
1 Petr. 5:5
Hij heeft hen die hoogmoedig zijn in de gedachten van hun hart, uiteengedreven.

52Hij heeft machtigen van de troon gestoten en

1:52
1 Sam. 2:8
Ps. 113:6
nederigen heeft Hij verhoogd.

53

1:53
Ps. 34:11
Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden.

54

1:54
Jes. 30:18
41:9
54:5
Jer. 31:2,20
Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken,

55zoals Hij gesproken heeft

1:55
Gen. 17:19
22:18
Ps. 132:11
tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.

56En Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde terug naar haar huis.

De geboorte van Johannes de Doper

57De tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zou, en zij baarde een zoon.

58En haar buren en familieleden hoorden dat de Heere haar grote barmhartigheid bewezen had, en

1:58
Vers
verheugden zich met haar.

59En het gebeurde op de

1:59
Gen. 17:12
Lev. 12:3
achtste dag dat zij kwamen om het kind te besnijden en ze noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader,

60maar zijn moeder antwoordde en zei: Nee, maar

1:60
Vers
hij zal Johannes heten!

61En ze zeiden tegen haar: Er is niemand in uw familie die die naam draagt,

62en zij gebaarden naar zijn vader hoe hij wilde dat het genoemd zou worden.

63En nadat hij om een schrijftafeltje gevraagd had, schreef hij de woorden: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.

64En onmiddellijk werd zijn mond geopend en zijn tong losgemaakt; en hij sprak en loofde God.

65En er kwam vrees over allen die rondom hen woonden, en in heel het bergland van Judea werd veel over al deze dingen gesproken.

66En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat zal er toch van dit kind worden? En de hand van de Heere was met hem.

De lofzang van Zacharias

67En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde:

68Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht.

69

1:69
Ps. 132:17
En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht,

70

1:70
Ps. 72:12
Jes. 40:10
Jer. 23:6
30:10
Dan. 9:27
zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn,

71namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten,

72om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond,

73

1:73
Gen. 22:16
Ps. 105:9
Jer. 31:33
Hebr. 6:13,17
de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven,

74

1:74
Hebr. 9:14
dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees,

75

1:75
1 Petr. 1:15
in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.

76

1:76
Vers
En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want je zult voor het aangezicht van de Heere uit gaan om Zijn wegen gereed te maken,

77

1:77
Luk. 3:3
en om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden,

78door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de

1:78
Mal. 4:2
Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft,

79

1:79
Jes. 9:1
42:7
43:8
49:9
60:1
om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en om onze voeten te richten op de weg van de vrede.

80

1:80
Luk. 2:40
Het kind groeide op en werd gesterkt in de geest, en het verbleef in de woestijnen tot de dag van zijn verschijning aan Israël.

2

De geboorte van Jezus

21En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven moest worden.

2Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius over Syrië stadhouder was.

3En ze gingen allen op weg om ingeschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad.

4Ook Jozef ging op weg, van Galilea uit de stad Nazareth naar Judea,

2:4
Micha 5:1
Joh. 7:42
naar de stad van David, die
2:4
1 Sam. 16:4
Bethlehem heet, omdat hij uit het
2:4
Matt. 1:1
huis en het geslacht van David was,

5om ingeschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was.

6En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou,

7en zij

2:7
Matt. 1:25
baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.

De herders en de engelen

8En er waren herders in diezelfde streek, die zich ophielden in het open veld en 's nachts de wacht hielden over hun kudde.

9En zie, een engel van de Heere stond bij hen en de heerlijkheid van de Heere omscheen hen en zij werden zeer bevreesd.2:9 zij … bevreesd - Letterlijk: zij vreesden met grote vrees.

10En de engel zei tegen hen: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal,

11namelijk dat heden voor u geboren is de Zaligmaker, in de stad van David; Hij is Christus, de Heere.

12En dit zal voor u het teken zijn: u zult het Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe.

13En plotseling was er bij de engel

2:13
Dan. 7:10
Openb. 5:11
een menigte van de hemelse legermacht, die God loofde en zei:

14Eer zij aan God in de hoogste hemelen,

2:14
Jes. 57:19
Efez. 2:17
en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.

15En het geschiedde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tegen elkaar zeiden: Laten wij dan naar Bethlehem gaan en dat woord zien dat er geschied is, dat de Heere ons bekendgemaakt heeft.

16En zij gingen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindje liggend in de kribbe.

17Toen zij Het gezien hadden, maakten zij overal het woord bekend dat hun over dit Kind verteld was.

18En allen die het hoorden, verwonderden zich over wat door de herders tegen hen gezegd werd.

19Maar Maria bewaarde al deze woorden en overlegde die in haar hart.

20En de herders keerden terug en zij verheerlijkten en loofden God om alles wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was.

21En toen

2:21
Gen. 17:12
Lev. 12:3
Joh. 7:22
acht dagen vervuld waren, en men het Kind besnijden moest, werd Hem de
2:21
Matt. 1:21
Luk. 1:31
naam Jezus gegeven, die genoemd was door de engel voordat Hij in de moederschoot ontvangen was.

Simeon en Anna

22En toen de dagen van haar

2:22
Lev. 12:6
reiniging volgens de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Heere voor te stellen

23– zoals geschreven staat

2:23
Ex. 13:2
Num. 3:13
8:16,17
in de wet van de Heere: al wat mannelijk is dat de moederschoot opent, zal heilig voor de Heere genoemd worden –

24en om een offer te brengen volgens wat gezegd is in de wet van de Heere,

2:24
Lev. 12:8
een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

25En zie, er was een man in Jeruzalem, van wie de naam Simeon was, en die man was rechtvaardig en godvrezend. Hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem.

26En hem was een Goddelijke openbaring gegeven door de Heilige Geest dat hij de dood niet zien zou voordat hij de Gezalfde van de Heere zou zien.

27En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen volgens de gewoonte van de wet,

28nam hij Het in zijn armen, loofde God en zei:

29Nu

2:29
Gen. 46:30
laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord,

30want mijn ogen hebben Uw

2:30
Ps. 98:2
Jes. 52:10
zaligheid gezien,

31

2:31
Hand. 28:28
die U bereid hebt voor de ogen van alle volken,

32

2:32
Jes. 42:6
49:6
Hand. 13:47
een licht om de heidenen te verlichten en om Uw volk Israël te verheerlijken.2:32 een licht … verheerlijken - Letterlijk: een licht tot openbaring van de heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.

33En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over wat er over Hem gezegd werd.

34En Simeon zegende hen en zei tegen Maria, Zijn moeder: Zie,

2:34
Jes. 8:14
Rom. 9:32
1 Petr. 2:8
dit Kind is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken
2:34
Hand. 28:22
dat tegengesproken zal worden

35– ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan – opdat de overwegingen uit veel harten openbaar worden.

36Ook Anna was er, een profetes, een dochter van Fanuel, uit de stam van Aser. Zij was op hoge leeftijd2:36 op hoge leeftijd - Letterlijk: ver op haar dagen. gekomen en had na haar meisjesjaren zeven jaar met haar man geleefd.

37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die de tempel niet verliet en met vasten en bidden God

2:37
1 Sam. 1:22
nacht en dag diende.

38En zij kwam er op dat moment bij staan en beleed eveneens de Heere, en zij sprak over Hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

39En toen zij alles volbracht hadden wat er volgens de wet van de Heere gedaan moest worden, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.

40En het Kind

2:40
Luk. 1:80
groeide op en Het werd gesterkt in de geest en vervuld met wijsheid, en de genade van God was op Hem.

De twaalfjarige Jezus in de tempel

41En Zijn ouders reisden elk jaar voor

2:41
Ex. 23:15,17
Lev. 23:5
Deut. 16:1
het feest van het Pascha naar Jeruzalem.

42En toen Hij twaalf jaar was en zij naar de gewoonte van het feest naar Jeruzalem gegaan waren,

43en die dagen tot het einde doorgebracht hadden, bleef het Kind Jezus, terwijl zij terugkeerden, in Jeruzalem achter zonder dat Jozef en Zijn moeder het wisten.

44Maar omdat zij dachten dat Hij bij het reisgezelschap was, gingen zij een dagreis ver, en daarna zochten zij Hem onder de familieleden en onder de bekenden.

45En toen zij Hem niet vonden, keerden zij terug naar Jeruzalem en zochten Hem daar.

46En het gebeurde dat zij Hem na drie dagen in de tempel vonden, terwijl Hij te midden van de leraars zat, naar hen luisterde en vragen aan hen stelde.

47

2:47
Matt. 7:28
Mark. 1:22
Luk. 4:22,32
Joh. 7:15
Allen die Hem hoorden, stonden versteld van Zijn verstand en antwoorden.

48En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld, en Zijn moeder zei tegen Hem: Kind, waarom hebt U ons dit aangedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.

49En Hij zei tegen hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?

50

2:50
Luk. 9:45
18:34
En zij begrepen het woord niet dat Hij tot hen sprak.

51En Hij ging met hen mee en kwam in Nazareth en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.

52En Jezus

2:52
1 Sam. 2:26
Luk. 1:80
nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen.