Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Petrus en Johannes voor het Sanhedrin

41En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters, de bevelhebber van de tempelwacht en de Sadduceeën op hen af,

2geërgerd, omdat zij het volk onderwezen en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden.

3En zij sloegen de handen aan hen en zetten hen gevangen tot de volgende dag, want het was al avond.

4En velen van hen die het Woord gehoord hadden, geloofden, en het aantal mannen werd ongeveer vijfduizend.

5En het gebeurde de volgende dag dat hun leiders en oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeenkwamen,

6ook Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden.

7En toen zij hen in het midden hadden doen staan, vroegen zij:

4:7
Ex. 2:14
Matt. 21:23
Hand. 7:27
Door welke kracht of door welke naam hebt u dit gedaan?

8Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tegen hen: Leiders van het volk en oudsten van Israël!

9Wanneer wij vandaag ondervraagd worden over de weldaad aan een zieke man bewezen, waardoor hij gezond geworden is,

10laat het dan bij u allen en bij heel het volk Israël bekend zijn dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruisigd hebt maar Die God uit de doden opgewekt heeft, dat door Hem deze man hier gezond voor u staat.

11Deze Jezus is de steen die door u,

4:11
Ps. 118:22
Jes. 28:16
Matt. 21:42
Mark. 12:10
Luk. 20:17
Rom. 9:33
1 Petr. 2:7
de bouwers, veracht werd, maar Die de hoeksteen geworden is.

12

4:12
Matt. 1:21
Hand. 10:43
1 Tim. 2:5
En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden.

13Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich en herkenden zij hen als mensen die met Jezus samen geweest waren.

14En omdat zij de man die genezen was, bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen.

15En nadat zij hun bevolen hadden de Raad te verlaten, overlegden zij met elkaar,

16en zeiden:

4:16
Joh. 11:47
Wat zullen wij met deze mensen doen? Want dat er een alom bekend teken door hen is verricht, is duidelijk voor allen die in Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen.

17Maar laten wij, opdat het niet nog verder onder het volk bekend raakt, hun met de grootste dreiging gebieden dat zij tot geen enkel mens meer in die Naam mogen spreken.

18En na hen geroepen te hebben, gaven zij hun het bevel helemaal niet meer te spreken of te onderwijzen in de Naam van Jezus.

19Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tegen hen:

4:19
Hand. 5:29
Oordeel zelf of het juist is in Gods ogen, meer naar u te luisteren dan naar God.

20Want wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben.

21Maar zij dreigden hen nog meer en omdat zij niets konden vinden om hen te straffen, lieten zij hen gaan

4:21
Hand. 5:26
ter wille van het volk; want ze verheerlijkten allen God over
4:21
Hand. 3:7,8
wat er gebeurd was.

22Want de man aan wie dit teken van genezing verricht was, was ouder dan veertig jaar.

Petrus en Johannes losgelaten

23En nadat zij losgelaten waren,

4:23
Hand. 12:12
gingen zij naar hun eigen mensen en berichtten alles wat de overpriesters en de oudsten tegen hen gezegd hadden.

24En toen zij dat gehoord hadden, verhieven zij eensgezind hun stem tot God en zeiden: Heere! U bent de God Die de hemel en de aarde en de zee gemaakt hebt, en alle dingen die erin zijn,

25en Die bij monde van David, Uw knecht, gezegd hebt:

4:25
Ps. 2:1
Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat inhoudsloos is?

26De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.

27

4:27
Matt. 26:3
Mark. 14:1
Luk. 22:2
Joh. 11:47
Want, in waarheid, tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zijn Herodes en Pontius Pilatus samen met de heidenen en de volken van Israël bijeengekomen,

28om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit van tevoren bepaald had dat er gebeuren zou.

29Nu dan, Heere, sla acht op hun bedreigingen en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw Woord te spreken,

30

4:30
Mark. 16:17
doordat U Uw hand uitstrekt tot genezing en er tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.

31En toen zij gebeden hadden, werd de plaats waar zij bijeenwaren,

4:31
Hand. 16:26
bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.

Vrijwillige gemeenschap van goederen bij de eerste christenen

32En de menigte van hen die geloofden, was

4:32
Hand. 2:44
1 Petr. 3:8
een van hart en een van ziel;4:32 En de menigte … van ziel - Letterlijk: En van de menigte van hen die geloofden was één hart en één ziel. en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk.

33En de apostelen legden met grote kracht getuigenis af van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.

34Want er was ook niemand onder hen die gebrek leed; want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen.

35

4:35
Jes. 58:7
En aan ieder werd uitgedeeld naar dat men nodig had.

36En Joses, die door de apostelen ook Barnabas genoemd werd (wat vertaald betekent: een zoon van vertroosting), een Leviet, afkomstig uit Cyprus,

37had een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.

5

Ananias en Saffira

51En een zekere man, van wie de naam Ananias was, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een eigendom,

2en hield een deel van de opbrengst achter, ook met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een bepaald gedeelte en legde dat aan de voeten van de apostelen.

3En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, zodat u gelogen hebt tegen de Heilige Geest en een deel achtergehouden hebt van de opbrengst van het stuk grond?

4Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.

5Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en gaf de geest. En er ontstond grote vrees bij allen die dit hoorden.

6En de jonge mannen stonden op, legden hem af, droegen hem naar buiten en begroeven hem.

7En het gebeurde na verloop van ongeveer drie uur dat ook zijn vrouw daar binnenkwam, zonder te weten wat er gebeurd was.

8En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u beiden het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel.

9Petrus zei tegen haar: Waarom toch hebt u met elkaar afgesproken de Geest van de Heere te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur en zullen u ook uitdragen.

10En zij viel onmiddellijk voor zijn voeten neer en gaf de geest. En toen de jongemannen binnengekomen waren, troffen zij haar dood aan, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man.

11En er kwam grote vrees over heel de gemeente en over allen die dit hoorden.

Wonderen door de apostelen

12

5:12
Mark. 16:17
Hand. 2:43
En er gebeurden door de handen van de apostelen veel tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eensgezind bijeen in de zuilengang van Salomo.

13En van de anderen durfde niemand zich daar bij hen aan te sluiten, maar het volk had grote achting voor hen.

14En er werden er steeds meer toegevoegd die in de Heere geloofden, menigten van zowel mannen als vrouwen,

15zodat zij de zieken naar buiten droegen op de straten en hen op bedden en ligmatten legden, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou kunnen vallen.

16En ook de menigte uit de steden in de omgeving kwam gezamenlijk naar Jeruzalem. Men bracht zieken

5:16
Mark. 16:17
Hand. 8:7
16:18
19:12
en hen die door onreine geesten gekweld werden, en zij werden allen genezen.

De apostelen uit de gevangenis verlost

17Maar de hogepriester stond op, en allen die bij hem waren (dit was de sekte van de Sadduceeën) en zij werden vervuld met afgunst.

18En zij sloegen hun handen aan de apostelen en zetten hen vast in de openbare gevangenis.

19

5:19
Hand. 12:7
16:26
Maar een engel van de Heere opende 's nachts de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei:

20Ga in de tempel staan en spreek tot het volk al de woorden van dit leven.

21Toen zij dit gehoord hadden, gingen zij tegen de ochtend de tempel in en gaven onderwijs. En de hogepriester en zij die bij hem waren, kwamen samen, riepen de Raad en al de oudsten van de Israëlieten bijeen en stuurden dienaars naar de gevangenis om hen te halen.

22Maar toen de dienaars daar kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis, dus keerden zij terug en berichtten:

23Wij stelden wel vast dat de gevangenis met alle zorgvuldigheid afgesloten was en dat de bewakers buiten voor de deuren stonden, maar toen wij die geopend hadden, troffen wij binnen niemand aan.

Gamaliëls raad

24Toen de hogepriester, de bevelhebber van de tempelwacht en de overpriesters deze woorden hoorden, vroegen zij zich met betrekking tot hen vol onzekerheid af wat dit moest worden.

25En er kwam iemand die hun berichtte: Zie, de mannen die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel en onderwijzen het volk.

26Toen ging de bevelhebber er met de dienaars heen en bracht hen zonder geweld mee,

5:26
Matt. 21:26
Hand. 4:21
want zij waren bevreesd voor het volk dat ze anders gestenigd zouden worden.

27En toen zij hen er gebracht hadden, leidden zij hen voor de Raad. En de hogepriester vroeg hun:

28

5:28
Hand. 4:18
Hebben wij u niet ten strengste bevolen5:28 ten strengste bevolen - Letterlijk: met bevel bevolen. dat u in deze Naam niet zou onderwijzen? En zie, u hebt met deze leer van u Jeruzalem vervuld en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.

29Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden:

5:29
Hand. 4:19
Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.

30

5:30
Hand. 3:15
De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt
5:30
Deut. 21:23
Hand. 10:39
13:29
1 Petr. 2:24
door Hem aan een kruishout te hangen.

31Deze Jezus heeft God door Zijn rechterhand

5:31
Hand. 2:33
3:15
Filipp. 2:9
verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël bekering te geven en vergeving van zonden.

32En wij zijn

5:32
Joh. 15:27
Zijn getuigen van deze dingen, en ook de Heilige Geest, Die God
5:32
Hand. 2:4
gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzaam zijn.

33Toen zij dit hoorden, barstten zij van woede en maakten zij plannen om hen te doden.

34Maar er stond iemand op in de Raad, een Farizeeër van wie de naam Gamaliël was, een leraar van de wet, die in hoge achting stond bij heel het volk. Hij gaf opdracht dat men de apostelen even buiten zou doen staan.

35En hij zei tegen hen: Israëlitische mannen, wees op uw hoede en bedenk wat u met deze mensen wilt gaan doen.

36

5:36
Hand. 21:38
Want vóór deze dagen stond Theudas op, die zei dat hij wat was, en hij had een aanhang van ongeveer vierhonderd man; maar hij is omgebracht en allen die naar hem luisterden, zijn verstrooid en tot niets geworden.

37Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de inschrijving, en hij maakte veel volk afvallig, dat hem volgde; en deze is ook omgekomen, en allen die naar hem luisterden, zijn uiteengedreven.

38En nu zeg ik u: Houd u ver van deze mensen en laat hen gaan,

5:38
Spr. 21:30
Jes. 8:10
Matt. 15:13
want als dit voornemen of dit werk van mensen afkomstig is, dan zal het afgebroken worden,

39maar als het van God afkomstig is, kunt u dat niet afbreken, opdat u niet misschien ook

5:39
Hand. 9:5
23:9
tegen God blijkt te strijden.

40En zij lieten zich door hem overtuigen; en toen zij de apostelen bij zich geroepen hadden, geselden zij hen en geboden hun dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en zij lieten hen gaan.

41Zij dan gingen weg uit de tegenwoordigheid van de Raad

5:41
Matt. 5:12
en waren verblijd dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam schandelijk behandeld te worden.

42En zij hielden niet op iedere dag in de tempel en bij de huizen onderwijs te geven en Jezus Christus te verkondigen.

6

De verkiezing van zeven diakenen

61In die dagen, toen het aantal discipelen steeds toenam, ontstond er gemor van de Griekssprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij het dagelijkse dienstbetoon over het hoofd gezien werden.

2En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden:

6:2
Ex. 18:17
Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen.

3

6:3
Deut. 1:13
Hand. 1:21
16:2
1 Tim. 3:7
Zie daarom uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van wie men een goed getuigenis geeft, vol van de Heilige Geest en van wijsheid, die wij voor deze noodzakelijke taak zullen aanstellen.

4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.

5En dit woord behaagde heel de menigte; en zij kozen Stefanus, een man

6:5
Hand. 11:24
vol van geloof en van de Heilige Geest,
6:5
Hand. 21:8
Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs, een proseliet uit Antiochië.

6Zij leidden hen

6:6
Hand. 1:23
vóór de apostelen, en die
6:6
Hand. 8:17
13:3
1 Tim. 4:14
5:22
2 Tim. 1:6
legden hun, nadat zij gebeden hadden, de handen op.

7

6:7
Hand. 19:20
En het Woord van God verbreidde zich en het aantal discipelen in Jeruzalem nam sterk toe; en een grote menigte priesters werd aan het geloof gehoorzaam.

Stefanus gevangengenomen

8En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.

9En enigen van hen die behoorden tot de zogenoemde synagoge van de Libertijnen, van de Cyreneeërs, en van de Alexandrijnen en van hen die uit Cilicië en Asia afkomstig waren, stonden op en redetwistten met Stefanus.

10

6:10
Ex. 4:12
Jes. 54:17
Luk. 21:15
Zij waren echter niet in staat de wijsheid en de Geest, door Wie hij sprak, te weerstaan.

11

6:11
Matt. 26:59
Toen zetten zij mannen aan om te zeggen: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken.

12En zij brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en zij kwamen op hem af, grepen hem en brachten hem voor de Raad.

13En zij lieten valse getuigen optreden, die zeiden: Deze man houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en tegen de wet,

14want wij hebben hem horen zeggen dat die Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken en de gebruiken zal veranderen die Mozes ons overgeleverd heeft.

15En allen die in de Raad zaten, hielden hun ogen op hem gericht en zagen zijn gezicht als het gezicht van een engel.