Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

Volg andere volken niet na

101Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, volk van Israël.

2

10:2-6
Jes. 40:18-20
10:2-5
Ps. 115:4-8
Dit zegt de HEER:

Volg andere volken niet na,

raak niet van slag door tekenen aan de hemel,

ook al jagen die de hele wereld schrik aan.

3De gebruiken van die volken zijn niets waard.

Ze hakken een stuk hout in het bos,

een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel,

4verfraait het met zilver en goud.

Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om.

5Het is net een vogelverschrikker,

neergezet in een komkommerveld.

Het kan niet spreken

en moet worden gedragen,

want zelf kan het geen stap verzetten.

Heb voor beelden geen ontzag,

kwaad doen ze niet,

en goed nog minder.’

6‘Niemand is als u, o HEER, u bent groot,

groot is uw naam door uw kracht.

7

10:7
Op. 15:4
Wie zou geen ontzag voor u hebben?

Koning van de volken, dat komt u immers toe.

Onder alle wijzen van de volken,

onder al hun koningen is niemand als u.

8Allen zijn ze dom en dwaas,

wat ze moeten leren is dit:

die nietige beelden zijn maar hout.

9Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis ingevoerd,

met goud afkomstig uit Ufaz,

door een ambachtsman,

door de handen van een goudsmid.

Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed,

ze zijn vakkundig gemaakt.

10Maar alleen de HEER is werkelijk God,

hij is de levende God, de eeuwige koning.

Door zijn woede beeft de aarde,

tegen zijn toorn houden volken geen stand.’

11‘Zeg tegen hen:

Goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt,

zullen van de aarde verdwijnen,

worden onder de hemel weggevaagd.’

12

10:12-16
Jer. 51:15-19
10:12
Job 38:2-6
Ps. 104:1-2
Spr. 8:27-31
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

13

10:13
Ps. 135:7
als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt hij aan de einder,

bliksems smeedt hij, de regen valt,

hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

14Daar staat het menselijk verstand bij stil.

De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden.

Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet,

15lege, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

16Hoe anders is de God van Jakob,

hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

Oproep om Jeruzalem te verlaten

17‘Jeruzalem, belegerde stad,

laat je inwoners hun boedel pakken

en het land verlaten.

18Want dit zegt de HEER:

Ditmaal slinger ik ze weg,

de bevolking drijf ik in het nauw,

men zal ze weten te vinden.’

19

10:19
Jer. 4:19
‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden,

niet te helen is mijn letsel.

Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen.

20

10:20
Jes. 54:1-2
Jer. 4:20
Maar mijn tent is vernield,

alle touwen zijn doorgesneden.

Mijn kinderen zijn mij ontvallen,

ze zijn er niet meer.

Niemand zet ooit nog mijn tent op,

niemand spant mijn tentdoeken meer.’

21‘De herders zijn een kudde dwazen,

ze gaan niet te rade bij de HEER.

Daarom lukt hun niets,

en is hun eigen kudde verstrooid.

22Luister! Een geluid komt naderbij,

een machtig gedreun uit het noorden,

om Juda’s steden tot een woestenij te maken,

tot een oord voor jakhalzen.’

23

10:23
Spr. 20:24
‘Ik erken, o HEER,

dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen,

zijn pad uit te zetten,

te kiezen waarheen hij zal gaan.

24

10:24
Ps. 6:2
38:2
Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig,

niet uit woede, vaag mij niet weg.

25

10:25
Ps. 79:6-7
Jes. 9:11
Jer. 30:16
Stort uw woede uit over volken die u niet kennen,

over naties die uw naam niet aanroepen,

want zij verslinden Jakobs volk,

laten er niets van over,

en zijn weidegrond verwoesten zij.’

11

Het verbond verbroken

111De HEER richtte zich tot Jeremia: 2‘Laat allen luisteren naar de bepalingen van dit verbond, zeg tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem: 3

11:3
Deut. 27:26
Dit zegt de HEER, de God van Israël: Vervloekt is eenieder die zich niet houdt aan de bepalingen van het verbond 4
11:4
Ex. 6:7
Lev. 26:12
Deut. 4:20
26:17
2 Sam. 7:24
Jer. 24:7
30:22
31:33
32:38
Ezech. 11:20
die ik jullie voorouders heb opgelegd toen ik hen uit de smeltoven van Egypte haalde. Ik heb gezegd: “Luister naar mij en doe alles wat ik jullie gebied. Dan zullen jullie mijn volk zijn en zal ik jullie God zijn. 5
11:5
Gen. 15:18
17:8
Deut. 6:3
7:12-13
11:9
Dan houd ik me aan de belofte die ik jullie voorouders onder ede heb gedaan: ik beloofde hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing. En dat land bezitten jullie tot op de dag van vandaag.”’ Ik antwoordde: ‘Het is zoals u zegt, HEER.’ 6De HEER vervolgde: ‘Roep in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem: Luister naar de bepalingen van dit verbond en leef ze na. 7Vanaf het moment dat ik jullie voorouders uit Egypte bevrijdde tot op de dag van vandaag heb ik hun steeds bezworen naar mij te luisteren. 8Maar zij luisterden niet en waren ongehoorzaam, ze lieten zich leiden door hun koppig en boosaardig hart. Toen heb ik mijn bedreigingen waargemaakt. Ik had hun geboden dit verbond na te leven, maar dat hebben ze niet gedaan.’

9De HEER zei tegen mij: ‘Ik heb ontdekt dat de bevolking van Juda en Jeruzalem tegen mij samenzweert. 10Ze zijn tot dezelfde wandaden vervallen als hun voorouders, die al weigerden mijn geboden na te leven; ze zijn achter andere goden aan gelopen en hebben die vereerd. Zowel Israël als Juda heeft het verbond verbroken dat ik met hun voorouders gesloten had. 11

11:11
Spr. 1:28
Jes. 59:2
Ezech. 8:18
Micha 3:4
Daarom – dit zegt de HEER: Ik tref hen met onheil waaraan ze niet kunnen ontkomen. Ze zullen mij om hulp roepen, maar ik zal niet naar hen luisteren. 12
11:12
Recht. 10:14
De steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem zullen de goden om hulp roepen voor wie zij nu wierook branden. Maar die komen hen in hun nood niet helpen, 13
11:13
Jer. 2:28
ook al telt Juda evenveel goden als steden en heeft Jeruzalem in elke straat een wierookaltaar voor Baäl, de god van de schande.

14

11:14
Jer. 7:16
Jeremia, bid niet voor dit volk, kom niet langer met smeekbeden, want ik luister niet als zij me in hun nood om hulp roepen.

15

11:15
Jer. 2:2
Wat doet mijn geliefde in mijn huis,

voert zij kwade plannen uit?

Je geloften en offervlees zullen snel verdwijnen,11:15 Je geloften en offervlees zullen snel verdwijnen – Voorgestelde lezing. MT: ‘De velen en het offervlees nemen je kwaad niet weg’.

jubel maar als het kwaad je treft.

16Een zilvergroene olijfboom vol prachtige vruchten

noemde de HEER jou.

Hij steekt je in brand, donderslagen klinken.

Je bladeren zullen verteren.

17De HEER van de hemelse machten, die jou geplant heeft, heeft aangekondigd dat je ten onder gaat. Want Israël en Juda hebben mij getergd en hebben kwaad gedaan door wierook te branden voor Baäl.’

Plan om Jeremia te doden

18De HEER onthulde mij een plan waar ik geen weet van had; hij liet mij zien wat de mannen uit Anatot in de zin hadden. 19

11:19
Ps. 83:5
Jes. 53:7
Daarvóór was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze tegen mij dit plan hadden gesmeed:

‘Laten wij die boom met al zijn vruchten vellen,

hem uit het land der levenden wegkappen,

dan wordt zijn naam nooit meer genoemd.’

20

11:20
1 Kon. 8:39
Ps. 7:10
44:22
Spr. 15:11
Jer. 17:10
20:12
‘Maar, HEER van de hemelse machten, rechtvaardige rechter,

u die hart en nieren doorgrondt,

laat mij zien dat u zich op hen wreekt.

U leg ik mijn zaak voor.’

21
11:21
Jes. 30:10
Amos 2:12
‘Daarom – dit zegt de HEER over de mannen uit Anatot die je naar het leven staan en tegen je zeggen: “Profeteer niet in de naam van de HEER, anders brengen we je eigenhandig om.” 22Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ga hen straffen, hun jonge mannen zullen sterven door het zwaard en hun zonen en dochters door de honger. 23Niemand zal het overleven, want ik tref die mannen uit Anatot met onheil zodra de tijd ervoor gekomen is.’
12

121

12:1-2
Job 21:7
12:1
Ps. 73:1-3
HEER, u staat altijd in uw recht

als ik het tegen u opneem.

Toch vraag ik, hoe verantwoordt u

dat boosdoeners in voorspoed leven,

en trouwelozen rust genieten?

2U hebt hen geplant, ze schoten wortel,

liepen uit en droegen vrucht.

Ze hebben de mond vol van u,

maar dragen u niet in het hart.

3

12:3
Jer. 11:19
Maar mij kent u, HEER, u ziet mij,

u weet dat ik u in mijn hart draag.

Sleep die boosdoeners weg,

voer ze als schapen naar de slachtbank,

zonder ze af om ze te laten doden.

4

12:4
Jer. 5:20-25
8:18-23
Hoe lang nog zal de aarde treuren,

zullen gras en bloemen verdorren?

Het vee en de vogels komen om

door de wandaden van haar bewoners,

die denken: Hij voorziet niet hoe ons einde zal zijn.’

5‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden,

kun je het dan tegen paarden opnemen?

Jij struikelt al op het vlakke land,

wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan?

6Ook je broers en zusters, je hele familie,

zullen je laten vallen,

ook zij zullen je naschreeuwen.

Vertrouw hen niet,

al zijn ze nog zo vriendelijk.

Straf en ontferming voor Israël en zijn buurvolken

7Ik heb mijn volk verlaten,

mijn bezit opgegeven,

mijn zielsbeminde aan haar vijanden overgeleverd.

8Mijn eigen volk werd als een leeuw in het bos,

het brulde tegen mij.

Daarom ben ik het gaan haten.

9Mijn volk is een nest hyena’s,

en gieren cirkelen eromheen.

Breng wilde dieren bijeen,

laat ze komen om het te verslinden.

10

12:10
Jer. 6:3
Talloze herders hebben mijn wijngaard vernield,

mijn akker laten vertrappen.

Ze hebben mijn prachtige akker

tot een troosteloze woestenij gemaakt.

11Hij is een wildernis geworden,

dor en verlaten ligt hij erbij.

Heel het land is verwilderd,

want niemand bekommert zich erom.

12Op de kale heuvels in de woestijn

doemen vernietigende legers op,

de HEER houdt een verslindend zwaard gereed.

Niemand is meer veilig, nergens in het land.

13Ze hebben tarwe gezaaid, maar distels geoogst.

Ze hebben tevergeefs gezwoegd,

ze staan verslagen bij hun oogst,

door de brandende toorn van de HEER.

14Dit zegt de HEER: Alle slechte buren die het bezit hebben aangetast dat ik mijn volk Israël gegeven heb, zal ik uit hun eigen land wegrukken. Het volk van Juda ruk ik ook weg. 15Maar daarna zal ik mij opnieuw over hen ontfermen en ieder naar zijn eigen land en eigen bezit laten terugkeren. 16

12:16
Jer. 4:2
En zoals zij mijn volk hebben geleerd om bij Baäl te zweren, zo moeten zij van mijn volk leren om bij mijn naam te zweren: “Zo waar de HEER leeft.” Dan zullen ze worden opgenomen in mijn volk. 17Maar een volk dat niet luistert ruk ik uit, voor eens en altijd – spreekt de HEER.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]