Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 14:25
Eens richtte de HEER zich tot Jona, de zoon van Amittai: 2‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend.’ 3
1:3
Ps. 139:7
En Jona maakte zich gereed, maar vluchtte naar Tarsis, weg van de HEER. Hij ging naar Jafo en vond er een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de HEER.

4

1:4
Ps. 107:23-30
Maar de HEER wierp een hevige storm op de zee, en de zee werd zo wild dat het schip dreigde te breken. 5
1:5
Mat. 8:24-25
Hand. 27:18
De zeelieden werden bang, en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. Ook gooiden ze, om het gevaar af te wenden, de lading in zee. Maar Jona was in het ruim van het schip afgedaald, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. 6De schipper ging naar hem toe en zei tegen hem: ‘Wat lig jij hier te slapen! Sta op, roep je God aan! Misschien dat hij zich om ons bekommert, zodat we niet vergaan.’ 7Intussen overlegden de zeelieden: ‘Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft.’ Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona. 8Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft? Wat doe je hier aan boord? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?’ 9Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer de HEER, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.’ 10De mannen werden doodsbang, en toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht van de HEER, zeiden ze tegen hem: ‘Hoe heb je dat kunnen doen?’ 11En ze vroegen hem: ‘Wat moeten we met je doen, dat de zee ons met rust laat?’ Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. 12Hij antwoordde: ‘Gooi me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat het mijn schuld is dat deze storm zo tegen jullie tekeergaat.’ 13Maar de mannen roeiden uit alle macht om weer aan land te komen; dat lukte hun echter niet, want de zee ging steeds onstuimiger tegen hen tekeer. 14Toen riepen ze tot de HEER: ‘Ach HEER, laat ons toch niet vergaan als wij het leven van deze man opofferen. Reken het ons niet aan als hier een onschuldige sterft. U bent de HEER, al wat u wilt dat doet u!’ 15Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. 16De mannen werden vervuld van bang ontzag voor de HEER. Ze brachten hem een offer en deden hem geloften.

2

21

2:1
Mat. 12:40
De2:1-11 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:17-2:10. HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis. 2Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden:

3

2:3
Ps. 120:1
130:2
Klaagl. 3:55
‘In mijn nood roep ik de HEER aan

en hij antwoordt mij.

Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp –

u hoort mijn stem!

4

2:4
Ps. 42:8
U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.

Door kolkend water ben ik omgeven,

zwaar slaan uw golven over mij heen.

5

2:5
Ps. 31:23
Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.

Maar eens zal ik opnieuw

uw heilige tempel aanschouwen.

6

2:6
Ps. 69:2
Het water stijgt tot aan mijn lippen,

muren van water storten op mij neer,

zeewier om mijn hoofd verstikt mij.

7

2:7
Ps. 30:4
Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,

naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.

Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog,

o HEER, mijn God!

8Nu mijn levensadem mij verlaat

roep ik u aan, HEER,

en mijn gebed komt tot u

in uw heilige tempel.

9Zij die armzalige afgoden vereren,

verlaten u, trouwe God.

10Maar ik zal mijn stem in dank verheffen

en u offers brengen;

mijn geloften los ik in.

Het is de HEER die redt!’

11Toen, op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit op het land.
Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]