Herziene Statenvertaling (HSV)
72

Gebed voor Salomo

721Voor Salomo.

O God, geef de koning Uw recht

en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.

2Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid

en over Uw ellendigen met recht.

3De bergen zullen voor het volk vrede dragen

en de heuvels, met gerechtigheid.

4Hij zal de ellendigen van het volk recht doen,

Hij zal de kinderen van de arme verlossen

en de onderdrukker verbrijzelen.

5Zij zullen U vrezen,

72:5
Ps. 89:37,38
zolang de zon en de maan er zijn,

van generatie op generatie.

6Hij zal neerdalen als

72:6
2 Sam. 23:4
regen op het gemaaide veld,

als regendruppels die de aarde bevochtigen.

7In Zijn dagen zal de rechtvaardige tot bloei komen;

er zal grote vrede zijn, tot de maan er niet meer is.

8Hij zal heersen van zee tot zee,

van de rivier de Eufraat tot de einden der aarde.

9De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,

Zijn vijanden zullen het stof oplikken.

10De koningen van Tarsis en de kustlanden

zullen schatting brengen;

de koningen van Sjeba en Seba

zullen schatten aanvoeren.

11Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,

alle heidenvolken zullen Hem dienen.

12

72:12
Job 29:12
Want Hij zal de arme redden die om hulp roept,

en de ellendige, en wie geen helper heeft.

13Hij zal de geringe en arme sparen

en de ziel van de armen verlossen.

14Hij zal hun ziel van list en geweld bevrijden,

hun bloed is kostbaar in Zijn ogen.

15Hij zal leven!

Men zal Hem van het goud van Sjeba geven,

men zal voortdurend voor Hem bidden,

de hele dag zal men Hem zegenen.

16Is er een handvol koren op het land,

op de top van de bergen,

de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;

de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.

17Zijn Naam zal voor eeuwig blijven;

zolang de zon er is, wordt Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant.

Zij zullen in Hem gezegend worden;

alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.

18Geloofd zij de HEERE God, de God van Israël;

Hij doet wonderen, Hij alleen.

19Geloofd zij voor eeuwig Zijn heerlijke Naam;72:19 Zijn heerlijke Naam - Letterlijk: de Naam van Zijn heerlijkheid.

laat heel de aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worden.

Amen, ja, amen.

20Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.

73

BOEK DRIE

(Psalm 73—89)

Toch dicht bij God

731Een psalm van Asaf.

Ja, God is goed voor Israël,

voor hen die zuiver van hart zijn.

2Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden,

mijn schreden waren haast uitgeschoten,

3

73:3
Job 21:7Ps. 37:1
Jer. 12:1,2
want ik was jaloers op de dwazen,

toen ik de vrede van de goddelozen zag.

4Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,

en hun kracht is fris.

5Zij verkeren niet in moeiten, zoals andere stervelingen,

en worden niet gekweld met andere mensen.

6Daarom hangt de hoogmoed hun als een ketting om de nek,

het geweld bedekt hen als een mantel.

7Hun ogen puilen uit van vet,

zij hebben de inbeeldingen van hun hart overtroffen.

8Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,

zij spreken uit de hoogte.

9Zij zetten hun mond op tegen de hemel,

hun tong wandelt honend rond op de aarde.

10Daarom kan Gods volk ertoe komen,

wanneer er een volle beker water voor hen uitgeperst wordt,

11dat zij zeggen: Hoe kan God het weten?

Zou de Allerhoogste er weet van hebben?

12Zie, dezen zijn goddeloos,

toch hebben zij in de wereld rust en vermeerderen hun vermogen.

13Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd

en mijn handen in onschuld gewassen.

14Want de hele dag word ik gekweld

en mijn bestraffing is er elke morgen.

15Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken,

zie, ik zou ontrouw zijn aan al Uw kinderen.73:15 al Uw kinderen - Letterlijk: de generatie van Uw kinderen.

16Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,

maar het was moeite in mijn ogen,

17totdat ik Gods heiligdom binnenging

en op hun einde lette.

18Ja, U zet hen op gladde plaatsen,

U doet hen in verwoesting vallen.

19Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting!

Zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen.

20Zoals een droom vervaagt bij het ontwaken,

zult U, Heere, als U wakker wordt, hun beeld verachten.

21Toen mijn hart verbitterd was

en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

22hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!

Ik was een redeloos dier bij U.

23Ik zal echter voortdurend bij U zijn,

U hebt mijn rechterhand gegrepen.

24U zult mij leiden door Uw raad,

daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.

25Wie heb ik behalve U in de hemel?

Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde.

26Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,

dan is God de rots van mijn hart

en voor eeuwig mijn deel.

27Want zie, wie zich ver van U houden, zullen omkomen;

U verdelgt allen die als in hoererij U verlaten.

28Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.

Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE,

om al Uw werken te vertellen.

74

Klaaglied over het verwoeste heiligdom

741Een onderwijzing van Asaf.

O God, waarom hebt U ons voor altijd verstoten?

Waarom ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?

2Denk aan Uw gemeente, die U vanouds verworven hebt,

de stam die Uw eigendom is, die U verlost hebt,

de berg Sion, waarop U gewoond hebt.

3Richt Uw voeten naar wat voor altijd verwoest is,

want de vijand heeft alles in het heiligdom vernield.

4Uw tegenstanders tierden midden in Uw ontmoetingsplaatsen;

daar stelden zij hun zegetekens als eretekens op.

5Zij raakten bekend als lieden

die hun bijlen opheffen in dicht geboomte.

6Zo sloegen zij al de graveringen ervan

met houwelen en mokers in stukken.

7

74:7
2 Kon. 25:9
Zij staken Uw heiligdom in brand;

tot de grond toe ontheiligden zij de woning van Uw Naam.

8Zij zeiden in hun hart: Laten wij die gezamenlijk plunderen!

Zij verbrandden al Gods ontmoetingsplaatsen in het land.

9Onze tekenen zien wij niet, er is geen profeet meer;

er is niemand onder ons die weet hoelang nog.

10Hoelang, o God, zal de tegenstander U smaden?

Zal de vijand Uw Naam voor altijd lasteren?

11Waarom trekt U Uw hand terug, Uw sterke rechterhand?

Trek haar uit het midden van Uw boezem. Maak er een eind aan!

12Toch is God mijn Koning van oudsher,

Die heil brengt hier op aarde.74:12 hier op aarde - Letterlijk: in het midden van de aarde.

13

74:13
Ex. 14:21
Ú hebt door Uw macht de zee gespleten,

U hebt de koppen van de zeemonsters in de wateren vermorzeld.

14Ú hebt de koppen van de Leviathan verbrijzeld,

U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in de woestijn.

15

74:15
Ex. 17:5,6
Num. 20:11
Ps. 105:41
Jes. 48:21
Ú hebt een bron en een beek doormidden gespleten,

74:15
Joz. 3:13
Ú hebt altijd stromende rivieren laten uitdrogen.

16De dag is van U, ook de nacht behoort U toe,

74:16
Gen. 1:14
Ú hebt het licht en de zon hun plaats gegeven.

17Ú hebt alle grenzen van de aarde vastgesteld;

zomer en winter, Ú hebt ze geformeerd.

18Denk hieraan, de vijand heeft de HEERE gesmaad,

een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.

19Geef aan de wilde dieren de ziel van Uw tortelduif niet over,

vergeet niet voor altijd het volk van Uw ellendigen.

20Aanschouw het verbond, want de duistere oorden van het land

zijn vol woningen van geweld.

21Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren,

laat de ellendige en arme Uw Naam loven.

22Sta op, o God, voer Uw rechtszaak,

denk aan de smaad die dwazen U de hele dag aandoen.

23Vergeet het geroep van Uw tegenstanders niet;

het gejoel van wie tegen U opstaan, stijgt voortdurend op.