Herziene Statenvertaling (HSV)
18

De onrechtvaardige rechter

181En Hij sprak ook een gelijkenis tot hen met het oog daarop

18:1
Rom. 12:12
Efez. 6:18
Kol. 4:2
1 Thess. 5:17
dat men altijd moet bidden en niet de moed verliezen.

2Hij zei: Er was in een zekere stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.

3En er was een weduwe in dezelfde stad en zij kwam voortdurend naar hem toe en zei: Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij.

4En hij wilde een tijd lang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie,

5toch zal ik, omdat deze weduwe mij lastigvalt, haar recht doen, opdat zij uiteindelijk niet komt en mij in het gezicht slaat.

6En de Heere zei: Hoor, wat de onrechtvaardige rechter zegt.

7

18:7
Openb. 6:10
Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, ook wanneer Hij lang wacht om hen te hulp te komen?

8Ik zeg u dat Hij hun met spoed recht zal doen. Maar zal de Zoon des mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde vinden?

De Farizeeër en de tollenaar

9En Hij sprak ook met het oog op sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en alle anderen minachtten, deze gelijkenis:

10Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De één was een Farizeeër en de ander een tollenaar.

11De Farizeeër stond daar en bad dit bij zichzelf:

18:11
Jes. 1:15
58:2
Openb. 3:17,18
O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar.

12Ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit.

13En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.

14Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere.

18:14
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 14:11
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Jezus zegent de kinderen

15

18:15
Matt. 19:13
Mark. 10:13
En zij brachten ook de jonge kinderen bij Hem, opdat Hij die zou aanraken. En toen de discipelen dat zagen, bestraften ze hen.

16Jezus echter riep die kinderen tot Zich en zei: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet,

18:16
Matt. 18:3
19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

17Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.

De rijke jongeman

18

18:18
Matt. 19:16
Mark. 10:17
En een leidinggevende vroeg Hem en zei: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

19En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.

20U kent de geboden:

18:20
Ex. 20:13
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis afleggen,
18:20
Efez. 6:2
Kol. 3:20
eer uw vader en uw moeder.

21En hij zei: Al deze dingen heb ik in acht genomen vanaf mijn jeugd.

22Maar toen Jezus dit hoorde, zei Hij tegen hem: Nog één ding ontbreekt u:

18:22
Matt. 6:19
19:21
1 Tim. 6:19
Verkoop al wat u hebt en deel het uit onder de armen en u zult een schat hebben in de hemel. En kom dan en volg Mij.

23Maar toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was erg rijk.

24Toen nu Jezus zag dat hij diep bedroefd was geworden, zei Hij:

18:24
Spr. 11:28
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Hoe moeilijk kunnen zij die rijkdommen hebben, het Koninkrijk van God binnengaan.

25Want het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

26En zij die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27Hij echter zei:

18:27
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

28

18:28
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 5:11
En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29Hij nu zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u

18:29
Deut. 33:9
dat er niemand is die huis of ouders of broers of vrouw of kinderen verlaten heeft om het Koninkrijk van God,

30

18:30
Job 42:12
die niet het veelvoudige zal terugontvangen in deze tijd, en in de wereld die komt, het eeuwige leven.

De derde aankondiging van het lijden

31

18:31
Matt. 16:21
17:22
20:17
Mark. 8:31
9:31
10:32
Luk. 9:22
24:7
En Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles
18:31
Ps. 22:7
Jes. 53:7
wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden.

32

18:32
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28
Hand. 3:13
Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot worden en smadelijk behandeld en bespuwd worden.

33En zij zullen Hem doden, nadat zij Hem gegeseld hebben en op de derde dag zal Hij weer opstaan.

34Zij begrepen echter niets van deze dingen en dit woord was voor hen verborgen en zij begrepen niet wat er gezegd werd.

De blinde in Jericho

35

18:35
Matt. 20:29
Mark. 10:46
Het gebeurde nu toen Hij dicht bij Jericho kwam, dat een zekere blinde aan de weg zat te bedelen.

36En toen hij de menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat er aan de hand was.

37En zij vertelden hem dat Jezus de Nazarener voorbijging.

38En hij riep en zei: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

39En zij die vooraan liepen, bestraften hem, opdat hij zou zwijgen. Hij echter riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!

40Jezus nu bleef staan en beval dat men hem naar Hem toe zou brengen en toen hij dichtbij gekomen was, vroeg Hij hem:

41Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En hij zei: Heere, dat ik ziende mag worden.

42En Jezus zei tegen hem: Word ziende. Uw geloof heeft u behouden.

43En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En al het volk gaf God de eer, toen het dat zag.