Herziene Statenvertaling (HSV)
114

Het wonder van de uittocht

1141Toen

114:1
Ex. 13:3
Israël uit Egypte trok,

het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal,

2werd Juda Zijn heiligdom,

Israël Zijn koninklijk bezit.114:2 koninklijk bezit - Letterlijk: heerschappijen.

3De zee zag het en vluchtte,

de Jordaan deinsde achteruit,

4de bergen sprongen op als rammen,

de heuvels als lammeren.

5Wat was er, zee, dat u vluchtte,

Jordaan, dat u achteruit deinsde?

6Wat was er, bergen, dat u opsprong als rammen,

en u, heuvels, als lammeren?

7Beef, aarde, voor het aangezicht van de Heere,

voor het aangezicht van de God van Jakob,

8

114:8
Ex. 17:6
Num. 20:11
Die de rots veranderde in een waterplas,

hard gesteente in een waterbron.

115

De heerlijkheid van de HEERE

1151Niet ons, HEERE, niet ons,

maar geef Uw Naam eer,

om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.

2Waarom zouden de heidenvolken zeggen:

Waar is toch hun God?

3Onze God is immers in de hemel,

Hij doet al wat Hem behaagt.

4Hun afgoden zijn zilver en goud,

het werk van mensenhanden:

5

115:5
Deut. 4:28
Jer. 10:3,4,5,9
zij hebben een mond, maar spreken niet;

zij hebben ogen, maar zien niet;

6zij hebben oren, maar horen niet;

zij hebben een neus, maar ruiken niet;

7hun handen, die tasten niet;

hun voeten, die gaan niet;

er komt geen geluid uit hun keel.

8Laat wie ze maken hun gelijk worden,

al wie op hen vertrouwt.

9Israël, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

10Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

11U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

12De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,

Hij zal het huis van Israël zegenen,

Hij zal het huis van Aäron zegenen.

13Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,

de kleinen met de groten.

14De HEERE zal u meer en meer zegenen,

u en uw kinderen.

15U bent gezegend door de HEERE,

Die hemel en aarde gemaakt heeft.

16De hemel, de hemel is van de HEERE,

maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.

17De doden zullen de HEERE niet prijzen,

evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.

18Maar wíj zullen de HEERE loven,

van nu aan tot in eeuwigheid.

Halleluja!

116

Danklied van een verloste

1161Ik heb de HEERE lief,

want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden.

2Want Hij neigt Zijn oor tot mij,

daarom zal ik Hem al mijn dagen aanroepen.

3

116:3
2 Sam. 22:5,6
Banden van de dood hadden mij omvangen,

angsten van het graf hadden mij getroffen,

ik ondervond benauwdheid en verdriet.

4Maar ik riep de Naam van de HEERE aan:

Och HEERE, bevrijd mijn ziel!

5De HEERE is genadig en rechtvaardig,

onze God is een Ontfermer.

6De HEERE bewaart de eenvoudigen;

ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.

7Mijn ziel, keer terug tot uw rust,

want

116:7
Ps. 13:6
de HEERE is goed voor u geweest.

8Ja, U, HEERE, hebt mijn ziel immers gered van de dood,

mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen.

9Ik zal wandelen voor het aangezicht van de HEERE

in de landen der levenden.

10Ik

116:10
2 Kor. 4:13
heb geloofd, daarom spreek ik.

Ík ben zeer verdrukt geweest.

11Ík zei, in mijn haast:

Alle

116:11
Rom. 3:4
mensen zijn leugenaars.

12Wat zal ik de HEERE vergelden

voor al Zijn weldaden, die Hij mij bewees?

13Ik zal de beker van het heil heffen

en de Naam van de HEERE aanroepen.

14Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,

nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

15Kostbaar is in de ogen van de HEERE

de dood van Zijn gunstelingen.

16Och HEERE, voorzeker, ik ben Uw dienaar,

ik ben Uw dienaar, een zoon van Uw dienares;

U hebt mijn boeien losgemaakt.

17Ik zal U een offer van dankzegging brengen

en de Naam van de HEERE aanroepen.

18Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,

nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,

19in de voorhoven van het huis van de HEERE,

in uw midden, Jeruzalem.

Halleluja!