Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Jezus geneest een verschrompelde hand

31En

3:1
Matt. 12:9
Luk. 6:6
Hij kwam opnieuw in de synagoge; en er was daar iemand die een verschrompelde hand had.

2En ze letten scherp op Hem om te zien of Hij hem op de sabbat genezen zou, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen.

3En Hij zei tegen de man die de verschrompelde hand had: Sta op en ga in het midden staan.

4En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, een mens3:4 mens - Letterlijk: ziel. te behouden of te doden? En zij zwegen.

5En nadat Hij hen rondom toornig aangekeken had, tegelijk bedroefd over de verharding van hun hart, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. En hij stak hem uit,

3:5
1 Kon. 13:6
en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.

6

3:6
Matt. 12:14
Joh. 10:39
11:53
En toen de Farizeeën weggegaan waren, beraadslaagden zij meteen met de Herodianen tegen Hem hoe zij Hem om zouden kunnen brengen.

Twaalf apostelen uitgekozen

7En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee;

3:7
Matt. 4:25
Luk. 6:17
en Hem volgde een grote menigte uit Galilea en uit Judea,

8en uit Jeruzalem en uit Idumea en van over de Jordaan; ook een grote menigte uit de omgeving van Tyrus en Sidon, die gehoord had wat voor grote dingen Hij deed, kwam naar Hem toe.

9En Hij zei tegen Zijn discipelen dat er steeds een scheepje bij Hem moest blijven vanwege de menigte, opdat ze Hem niet verdringen zouden.

10Want Hij had er velen genezen, zodat allen die aandoeningen hadden, op Hem aandrongen om Hem te kunnen aanraken.

11En telkens wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God!

12En Hij gebood hun streng en met klem dat zij niet bekend zouden maken wie Hij was.

13

3:13
Matt. 10:1
Mark. 6:7
Luk. 6:13
9:1
En Hij klom de berg op en riep bij Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe.

14En Hij stelde er twaalf aan om bij Hem te zijn, en om hen uit te zenden om te prediken,

15en macht te hebben om de ziekten te genezen en de demonen uit te drijven.

16En Simon gaf Hij de naam Petrus,

17en verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent –

18en Andreas en Filippus en Bartholomeüs en Mattheüs en Thomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs en Simon Kananites,

19en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

De godslastering van de schriftgeleerden

20En zij kwamen thuis; en er kwam opnieuw een menigte bijeen, zodat zij zelfs

3:20
Mark. 6:31
geen brood konden eten.

21En toen Zijn verwanten dat hoorden, gingen zij eropuit om Hem tegen te houden, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.

22En de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden:

3:22
Matt. 9:34
12:24
Luk. 11:15
Joh. 8:48
Hij heeft Beëlzebul, en: Door de aanvoerder van de demonen drijft Hij de demonen uit.

23En Hij riep hen bij Zich

3:23
Matt. 12:25
en zei tegen hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven?

24En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden.

25En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, kan dat huis niet standhouden.

26En als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden, maar is dat zijn einde.3:26 is dat zijn einde - Letterlijk: heeft hij een einde.

27

3:27
Matt. 12:29
Niemand kan het huis van een sterke binnengaan en zijn huisraad roven,
3:27
Kol. 2:15
als hij niet eerst de sterke bindt; en dan kan hij zijn huis leegroven.

28Voorwaar, Ik zeg u

3:28
1 Sam. 2:25
Matt. 12:31
Luk. 12:10
1 Joh. 5:16
dat alle zonden de mensenkinderen vergeven zullen worden, en de lasteringen die zij ook maar uitgesproken zullen hebben;

29

3:29
1 Joh. 5:16
maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig en verdient het eeuwige oordeel.

30Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.

31

3:31
Matt. 12:46
Luk. 8:19
Nu kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en terwijl zij buiten stonden, stuurden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.

32En de menigte zat om Hem heen; en ze zeiden tegen Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers daarbuiten zoeken U.

33En Hij antwoordde hun en zei: Wie is Mijn moeder, of wie zijn Mijn broers?

34En terwijl Hij rondom Zich keek naar hen die om Hem heen zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders;

35

3:35
Joh. 15:14
2 Kor. 5:16,17
want wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en Mijn moeder.

4

De gelijkenis van de zaaier

41En

4:1
Matt. 13:1
Luk. 8:4
Hij begon weer onderwijs te geven bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in een schip ging zitten, op zee; en heel de menigte was op het land aan de zee.

2En Hij onderwees hun veel dingen door gelijkenissen en zei in Zijn onderricht tegen hen:

3Luister! Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien.

4En het gebeurde bij het zaaien dat het ene deel van het zaad langs de weg viel; en de vogels in de lucht kwamen en aten het op.

5En een ander deel viel op steenachtige grond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had.

6Maar toen de zon opgegaan was, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7En een ander deel viel in de dorens, en de dorens kwamen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

8En nog een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht; het kwam op en groeide, en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoudig.

9En Hij zei tegen hen: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

10

4:10
Matt. 13:10
Luk. 8:9
En toen Hij alleen was, vroegen zij die om Hem heen waren, met de twaalf, Hem naar de gelijkenis.

11En Hij zei tegen hen:

4:11
Matt. 11:25
2 Kor. 2:14
Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van God te kennen;
4:11
2 Kor. 3:14
maar tot degenen die buiten zijn, komt alles door gelijkenissen,

12

4:12
Jes. 6:9
Matt. 13:14
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
opdat zij ziende zien en niet doorzien, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet op enig moment bekeren en de zonden hun vergeven worden.

13En Hij zei tegen hen: Begrijpt u deze gelijkenis niet? En hoe zult u dan alle gelijkenissen verstaan?

14

4:14
Matt. 13:19
Luk. 8:11
De zaaier is hij die het Woord zaait.

15En dit zijn zij bij wie langs de weg gezaaid is: in wie het Woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, komt de satan meteen en neemt het Woord weg dat in hun hart gezaaid was.

16En evenzo zijn dit degenen in wie op de steenachtige grond gezaaid wordt: die, als zij het Woord gehoord hebben, het meteen met vreugde ontvangen,

17en geen wortel in zichzelf hebben, maar zij zijn mensen van het ogenblik; als er later verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelen zij meteen.

18En dit zijn zij bij wie in de dorens gezaaid wordt: zij horen het Woord,

19

4:19
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

20En dit zijn zij bij wie in de goede aarde gezaaid wordt: zij horen het Woord en nemen het aan en dragen vrucht, de één dertig-, en de ander zestig-, en de ander honderdvoudig.

De gelijkenis van de lamp

21

4:21
Matt. 5:15
Luk. 8:16
11:33
Hij zei ook tegen hen: De lamp wordt toch niet binnengebracht om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?

22

4:22
Job 12:22
Matt. 10:26
Luk. 8:17
12:2
Want er is niets verborgen wat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.

23Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen.

24En Hij zei tegen hen: Let op wat u hoort.

4:24
Matt. 7:2
Luk. 6:38
Met de maat waarmee u meet, zal er bij u gemeten worden, en aan u die hoort, zal er meer bij gegeven worden.

25

4:25
Matt. 13:12
25:29
Luk. 8:18
19:26
Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft.

De gelijkenis van het zaad

26Ook zei Hij: Zo is het Koninkrijk van God: als wanneer iemand het zaad in de aarde werpt

27en slaapt en opstaat, nacht en dag; en het zaad ontkiemt en komt op, zonder dat hij zelf weet hoe.

28Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst de halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

29En als de vrucht het toelaat, zendt hij meteen de sikkel erin, omdat de oogsttijd aangebroken is.

De gelijkenis van het mosterdzaad

30

4:30
Matt. 13:31
Luk. 13:18
En Hij zei: Waarmee zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of door welke gelijkenis zullen wij het voorstellen?

31Door een mosterdzaad dat, als het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden die er op de aarde zijn.

32En wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt het grootste van alle tuingewassen, en maakt grote takken, zodat de vogels in de lucht een nest kunnen maken in zijn schaduw.

33

4:33
Matt. 13:34
En door veel van zulke gelijkenissen sprak Hij het Woord tot hen, voor zover zij het horen konden,

34en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, maar Hij verklaarde alles aan Zijn discipelen als zij alleen waren.

Jezus stilt de storm

35

4:35
Matt. 8:23
Luk. 8:22
En op die dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: Laten wij overvaren naar de overkant.

36En zij lieten de menigte achter en namen Hem, Die al in het schip was, mee; en er waren nog andere scheepjes bij Hem.

37En er stak een harde stormwind op en de golven sloegen over in het schip, zodat het al volliep.

38En Hij lag in het achterschip te slapen op een hoofdkussen; en zij wekten Hem en zeiden tegen Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?

39En Hij, wakker geworden,

4:39
Job 26:12
Ps. 107:29
Jes. 51:10
bestrafte de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er kwam een grote stilte.

40En Hij zei tegen hen: Waarom bent u zo angstig? Hebt u dan geen geloof?

41En zij vreesden met grote vrees en zeiden tegen elkaar: Wie is Deze toch, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

5

De genezing van de bezetene van Gadara

51En

5:1
Matt. 8:28
Luk. 8:26
zij kwamen aan de overkant van de zee, in het land van de Gadarenen.

2En toen Hij uit het schip gegaan was, kwam Hem meteen uit de grafspelonken iemand met een onreine geest tegemoet.

3Hij hield in de grafspelonken verblijf, en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketenen.

4Hij was namelijk dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest, maar de ketenen waren door hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was in staat hem in bedwang te houden.

5En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de grafspelonken en hij schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen.

6Toen hij nu Jezus uit de verte zag, snelde hij naar Hem toe en aanbad Hem,

7en met luide stem schreeuwde hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God dat U mij niet pijnigt!

8(Want Hij had tegen hem gezegd: Onreine geest, ga uit van deze man!)

9En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen.

10En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet het land uit zou sturen.

11Nu was daar bij de bergen een grote kudde varkens aan het grazen.

12En alle demonen smeekten Hem: Stuur ons naar die varkens, opdat wij daarin mogen gaan.

13En Jezus stond het hun meteen toe. En toen de onreine geesten uit de man weggegaan waren, gingen zij in de varkens; en de kudde stortte van de steilte af de zee in (het waren er ongeveer tweeduizend), en ze verdronken in de zee.

14En zij die de varkens weidden, vluchtten en berichtten het gebeurde in de stad en op het land; en ze liepen uit om te zien wat er gebeurd was.

15En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, namelijk hem die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

16En zij die het gezien hadden, vertelden hun wat er met de bezetene gebeurd was, en ook over de varkens.

17

5:17
Hand. 16:39
En zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.

18

5:18
Luk. 8:38
En toen Hij in het schip ging, smeekte degene die bezeten was geweest Hem of hij bij Hem mocht blijven.

19Jezus stond hem dat echter niet toe, maar zei tegen hem: Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.

20Toen ging hij weg en begon in het gebied van Dekapolis alles te verkondigen wat Jezus voor hem gedaan had, en ze verwonderden zich allen.

Het dochtertje van Jaïrus opgewekt; een zieke vrouw genezen

21

5:21
Luk. 8:40
En toen Jezus opnieuw in het schip naar de overkant gevaren was, verzamelde zich een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee.

22

5:22
Matt. 9:18
Luk. 8:41
En zie, er kwam een van de hoofden van de synagoge, wiens naam Jaïrus was; en toen hij Hem zag, wierp hij zich neer aan Zijn voeten

23en smeekte Hem dringend: Mijn dochtertje ligt op sterven; ik smeek U dat U komt en de handen op haar legt, zodat zij behouden wordt en zal leven.

24En Hij ging met hem mee; en een grote menigte volgde Hem en zij drongen tegen Hem aan.

25

5:25
Lev. 15:25
Matt. 9:20
Luk. 8:43
En een zekere vrouw, die al twaalf jaar bloedvloeiingen had,

26en veel geleden had door toedoen van veel dokters, en alles wat zij bezat, daaraan uitgegeven had en geen baat gevonden had, maar met wie het veeleer erger geworden was,

27deze had van Jezus gehoord en kwam van achteren de menigte in en raakte Zijn bovenkleed aan,

28want zij zei: Als ik maar Zijn kleren kan aanraken, zal ik gezond worden.

29En meteen droogde de bron van haar bloed op, en merkte zij aan haar lichaam dat zij van die aandoening5:29 aandoening - Letterlijk: gesel. genezen was.

30En meteen toen Jezus bij Zichzelf merkte dat er

5:30
Luk. 6:19
kracht van Hem uitgegaan was, keerde Hij Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?

31En Zijn discipelen zeiden tegen Hem: U ziet dat de menigte tegen U opdringt, en zegt U dan: Wie heeft Mij aangeraakt?

32Maar Hij keek om Zich heen om haar te zien die dat gedaan had.

33En de vrouw, die bevreesd was en beefde, omdat zij wist wat er met haar gebeurd was, kwam en wierp zich voor Hem neer en vertelde Hem de volle waarheid.

34

5:34
Matt. 9:22
Mark. 10:52
Toen zei Hij tegen haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw aandoening.

35

5:35
Luk. 8:49
Terwijl Hij nog sprak, kwamen er enigen van het huis van het hoofd van de synagoge, die zeiden: Uw dochter is gestorven; waarom valt u de Meester nog lastig?

36En zodra Jezus het woord gehoord had dat er gesproken werd, zei Hij tegen het hoofd van de synagoge: Wees niet bevreesd, geloof alleen.

37En Hij liet niemand toe Hem te volgen dan Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.

38En Hij kwam bij het huis van het hoofd van de synagoge en zag de opschudding en hen die luid huilden en jammerden.

39En toen Hij naar binnen gegaan was, zei Hij tegen hen: Waarom maakt u misbaar en huilt u?

5:39
Joh. 11:11
Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

40Zij lachten Hem echter uit, maar Hij stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het kind en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het kind lag.

41En Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op.

42En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar; en zij waren geheel buiten zichzelf.5:42 en zij waren geheel buiten zichzelf - Letterlijk: zij ontstelden met grote ontsteltenis.

43En Hij gebood hun met klem dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven.