Herziene Statenvertaling (HSV)
1

11De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,

2om bekend te worden met wijsheid en vermaning,

om woorden vol inzicht te begrijpen,

3om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen,

gerechtigheid, recht en billijkheid,

4om aan onverstandigen schranderheid te geven,

aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.

5Wie wijs is, zal horen en inzicht vermeerderen,

en wie verstandig is, zal wijze raad verwerven

6om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen,

woorden van wijzen en hun raadsels.

7

1:7
Job 28:28
Ps. 111:10
Spr. 9:10
Pred. 12:13
De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,

dwazen verachten wijsheid en vermaning.

Plicht van de kinderen

8Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader

en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,

9want ze zijn een bevallige krans om je hoofd,

en schakels van een ketting om je hals.

10Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,

1:10
Spr. 4:14
bewillig er dan niet in.

11Als zij zeggen: Ga met ons mee,

laten wij loeren op bloed,

zonder reden een onschuldige belagen,1:11 belagen - Letterlijk: verbergen; zie ook vers 18.

12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,

volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.

13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,

onze huizen zullen wij vullen met buit.

14Je zult je lot in ons midden werpen,

wij zullen allen tezamen één buidel hebben –

15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,

weerhoud je voet van hun pad,

16want hun

1:16
Jes. 59:7
Rom. 3:15
voeten snellen naar het kwaad

en zij haasten zich om bloed te vergieten.

17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen

voor de ogen van al wat vleugels bezit.

18Zíj loeren op hun eigen bloed,

zij belagen hun eigen leven.

19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,

dat ontneemt zijn bezitters het leven.

De oproep van de Wijsheid

20Buiten roept de hoogste Wijsheid luid,

op de pleinen laat Zij Haar stem klinken.

21Zij roept boven het rumoer uit,

aan de ingangen van de poorten in de stad spreekt Zij Haar woorden uit.

22Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben,

zullen spotters spotternij voor zich begeren

en dwazen kennis haten?

23Keert u zich tot Mijn bestraffing,

zie, Ik zal Mijn Geest over u uitstorten,

Mijn woorden u bekendmaken.

24Omdat Ik

1:24
Jes. 65:12
66:4
Jer. 13:10
riep, maar u weigerde,

Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,

25omdat u al Mijn raad verwierp,

Mijn bestraffing niet hebt gewild,

26daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang,

u bespotten wanneer uw angst komt,

27wanneer uw angst

1:27
Job 27:9
35:12
Jes. 1:15
Jer. 11:11
14:12
Ezech. 8:18
Micha 3:4
komt als een verwoesting,

uw ondergang eraan komt als een wervelwind,

wanneer benauwdheid en nood over u komen.

28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden.

Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,

29omdat zij de kennis hebben gehaat

en de vreze des HEEREN niet hebben verkozen.

30Zij hebben Mijn raad niet gewild,

al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.

31Zij zullen van de vruchten van hun weg eten,

en verzadigd worden van hun eigen opvattingen,

32want de afvalligheid van de onverstandigen zal hen doden

en de zorgeloze rust van de dwazen zal hen ombrengen.

33Maar wie naar Mij luistert, zal veilig wonen,

hij zal vrij zijn van angst voor het kwaad.

2

Wijsheid tegenover onverstand

21Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt,

en mijn geboden bij je opbergt,

2om je oor acht te doen slaan op de wijsheid,

als je je hart neigt naar het inzicht,

3ja, als je roept om het verstand,

je stem laat klinken om inzicht,

4

2:4
Matt. 13:44
als je het zoekt als zilver,

het naspeurt als verborgen schatten,

5dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen,

de kennis van God vinden.

6

2:6
1 Kon. 3:9,12
Jak. 1:5
De HEERE geeft immers wijsheid,

uit Zijn mond komen kennis en inzicht.

7Hij houdt voor de oprechten wijsheid gereed,

Hij is een schild voor hen die in oprechtheid hun weg gaan,

8opdat zij de paden van het recht in acht nemen.

Hij bewaart de weg van Zijn gunstelingen.

9Dan zul je gerechtigheid en recht begrijpen,

en billijkheid, op elk goed spoor.

10Ja, in je hart zal wijsheid komen

en kennis zal aangenaam zijn voor je ziel.

11Bedachtzaamheid zal over jou waken,

inzicht zal je beschermen,

12om je te redden van de verkeerde weg,

van de man die verderfelijke dingen spreekt,

13van hen die de rechte paden verlaten

om op de wegen van de duisternis te gaan,

14van hen die zich verblijden in kwaad te doen,

zich verheugen in verderfelijk kwaad,

15van wie de paden slinks zijn,

die afwijken in hun sporen,

16om je te redden van de vreemde vrouw,

2:16
Spr. 5:3
6:24
7:5
de onbekende die met haar woorden vleit,

17die de leidsman van haar jeugd verlaat,

en het verbond van haar God vergeet.

18Haar huis helt immers over naar de dood,

en haar sporen naar de gestorvenen.

19Allen die bij haar komen, zullen niet terugkomen

en de paden van de levenden niet bereiken.

20Opdat je zult gaan op de weg van wie goed zijn,

en je de paden van de rechtvaardigen in acht zult nemen.

21

2:21
Ps. 37:29
De vromen zullen immers de aarde bewonen,

en de oprechten zullen erop overblijven.

22

2:22
Job 18:17
Ps. 104:35
De goddelozen echter zullen van de aarde uitgeroeid worden,

trouwelozen zullen ervan weggerukt worden.

3

De zegen van de godsvrucht

31Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet,

en laat je hart mijn geboden in acht nemen,

2

3:2
Deut. 8:1
30:20
want lengte van dagen en jaren van leven

en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.

3Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten.

3:3
Ex. 13:9
Deut. 6:8
Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart,

4vind gunst en goed verstand

in de ogen van God en mens.

5Vertrouw op de HEERE met heel je hart,

en steun op je eigen inzicht niet.

6

3:6
1 Kron. 28:9
Ken Hem in al je wegen,

dan zal Híj je paden rechtmaken.

7

3:7
Rom. 12:16
Wees niet wijs in je eigen ogen:

vrees de HEERE en keer je af van het kwade.

8Het zal een medicijn zijn voor je navel

en verfrissing voor je beenderen.

9

3:9
Ex. 23:19
34:26
Deut. 26:2Mal. 3:10
Luk. 14:13
Vereer de HEERE met je bezit,

met de eerstelingen van heel je opbrengst,

10

3:10
Deut. 28:8
dan zullen je schuren gevuld worden met overvloed

en je perskuipen overlopen3:10 overlopen - Letterlijk: openbreken. van nieuwe wijn.

11

3:11
Job 5:17
Hebr. 12:5
Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet

en heb geen afkeer van Zijn bestraffing.

12

3:12
Openb. 3:19
Want de HEERE straft wie Hij liefheeft,

zoals een vader doet met de zoon die hij goedgezind is.

13Welzalig is de mens die wijsheid vindt,

de mens die inzicht verkrijgt,

14

3:14
Job 28:15
Ps. 19:11
Spr. 8:11,19
16:16
want haar opbrengst is beter dan de opbrengst van zilver

en haar inkomen beter dan bewerkt goud,

15

3:15
Spr. 8:11
zij is kostbaarder dan robijnen.

Al jouw wensen zijn met haar niet te vergelijken.

16Lengte van dagen is in haar rechterhand,

in haar linkerhand zijn rijkdom en eer.

17Haar wegen zijn lieflijke wegen,

al haar paden zijn vrede.

18Zij is een boom des levens voor wie haar vastgrijpen:

wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen.

19De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,

de hemel met inzicht gevestigd.

20Door Zijn kennis hebben de diepe wateren zich

3:20
Gen. 1:9,10
een weg gebaand,

en druipen de wolken van dauw.

21Mijn zoon, laat ze niet wijken van je ogen:

neem wijsheid en bedachtzaamheid in acht.

22Zij zullen leven zijn voor je ziel,

een sieraad voor je hals.

23Dan zul je je weg

3:23
Ps. 37:24
91:11,12
onbezorgd gaan

en je voet niet stoten.

24

3:24
Lev. 26:6
Job 11:19
Ps. 3:6
4:9
91:5,6
Als je neerligt, zul je niet angstig zijn,

je zult neerliggen en je slaap zal aangenaam zijn.

25Wees niet bevreesd voor plotselinge angst

of voor verwoesting door goddelozen, als die komt,

26want de HEERE is je hoop,

Hij zal je voet bewaren voor gevangenschap.

27Onthoud het goede niet aan wie er recht op hebben3:27 wie er recht op hebben - Letterlijk: zijn bezitters.

als het binnen je macht ligt3:27 het binnen je macht ligt - Letterlijk: het in de macht van je hand is. dat te doen.

28Zeg niet tegen je naaste: Ga heen en kom nog eens terug

en morgen zal ik het geven, terwijl het bij jou is.

29Smeed geen kwaad tegen je naaste,

terwijl hij onbezorgd bij jou woont.

30Klaag een mens niet zonder reden aan

als hij jou geen kwaad heeft gedaan.

31

3:31
Ps. 37:1
73:3
Spr. 23:17
Wees niet jaloers op een man van geweld

en verkies geen van zijn wegen,

32want wie afwijkt van de rechte weg is voor de HEERE een gruwel,

maar met de oprechten gaat Hij

3:32
Ps. 25:14
vertrouwelijk om.

33

3:33
Lev. 26:14Deut. 28:15Mal. 2:2
De vloek van de HEERE rust op het huis van de goddeloze,

maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen.

34

3:34
Jak. 4:6
1 Petr. 5:5
De spotters zal Híj wel bespotten,

maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.

35Wijzen zullen eer ontvangen,

maar dwazen laden schande op zich.