Herziene Statenvertaling (HSV)
11

De intocht in Jeruzalem

111En

11:1
Matt. 21:1
Luk. 19:29
toen zij Jeruzalem naderden, bij Bethfagé en Bethanië, dicht bij de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,

2en zei tegen hen: Ga naar het dorp dat voor u ligt, en zodra u er binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens gezeten heeft; maak het los en breng het hier.

3En als iemand tegen u zegt: Waarom doet u dat? zeg dan: De Heere heeft het nodig; en hij zal het meteen hierheen sturen.

4En zij vertrokken en vonden het veulen vastgebonden bij de deur, buiten aan de straat, en zij maakten het los.

5En sommigen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: Wat doet u, dat u het veulen losmaakt?

6Maar zij spraken tot hen zoals Jezus bevolen had; en men liet hen gaan.

7En zij brachten

11:7
Joh. 12:14
het veulen bij Jezus en wierpen
11:7
2 Kon. 9:13
hun kleren erop; en Hij ging erop zitten.

8Ook spreidden velen hun kleren op de weg uit en anderen hakten twijgen van de bomen en spreidden ze op de weg uit.

9En zij die vooropliepen en zij die volgden, riepen: Hosanna!

11:9
Ps. 118:26
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere!

10Gezegend het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen!

11

11:11
Matt. 21:12,14
Luk. 19:45
Joh. 2:14
En Jezus kwam Jeruzalem binnen en ging de tempel in; en nadat Hij alles rondom bekeken had en toen het al avond11:11 avond - Letterlijk: avondtijd. was, ging Hij met de twaalf de stad uit naar Bethanië.

De vijgenboom verdord en de tempel gereinigd

12

11:12
Matt. 21:18
En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen, kreeg Hij honger.

13En toen Hij in de verte een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij erheen om te zien of Hij er ook iets aan zou vinden; en erbij gekomen, vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd voor vijgen.

14En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

15En zij kwamen in Jeruzalem;

11:15
Matt. 21:12
Luk. 19:45
Joh. 2:14
en toen Jezus de tempel binnengegaan was, begon Hij hen die in de tempel verkochten en kochten, naar buiten te drijven; en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om,

16en Hij liet niet toe dat iemand enig voorwerp door de tempel droeg.

17

11:17
Matt. 21:13
Luk. 19:46
En Hij gaf onderwijs en zei tegen hen: Staat er niet geschreven:
11:17
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken?
11:17
Jer. 7:11
Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

18En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden het en

11:18
Joh. 7:19
zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor Hem, omdat heel de menigte versteld stond over Zijn onderricht.

19En toen het laat geworden was, ging Hij naar buiten, de stad uit.

20En toen zij er 's morgens vroeg voorbijgingen, zagen zij dat de vijgenboom verdord was, van de wortels af.

21En Petrus, die het zich herinnerde, zei tegen Hem: Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.

22En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God.

23

11:23
Matt. 17:20
21:21
Luk. 17:6
Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt.

24Daarom zeg Ik u:

11:24
Jer. 29:12
Matt. 7:7
Luk. 11:9
Joh. 14:13
15:7
16:24
Jak. 1:5,6
1 Joh. 3:22
5:14
alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen.

25En wanneer u staat te bidden,

11:25
Matt. 6:14
Kol. 3:13
vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

26

11:26
Matt. 18:35
Maar als u niet vergeeft, zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.

Over de doop van Johannes

27

11:27
Matt. 21:23
Luk. 20:1
En zij kwamen weer in Jeruzalem. En toen Hij in de tempel rondliep, kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe

28en zeiden tegen Hem:

11:28
Ex. 2:14
Hand. 4:7
7:27
Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?

29Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één vraag stellen; antwoord Mij ook, en dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe:

30De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoord Mij.

31En zij overlegden met elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

32Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan hebben wij bevreesd te zijn voor het volk;

11:32
Matt. 14:5
Mark. 6:20
want allen hielden het ervoor dat Johannes werkelijk een profeet was.

33En zij antwoordden en zeiden tegen Jezus: Wij weten het niet. En Jezus antwoordde hun: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

12

De gelijkenis van de slechte landbouwers

121En

12:1
Matt. 21:33
Luk. 20:9
Hij begon tot hen te spreken in gelijkenissen: Iemand
12:1
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef een wijnpersbak en bouwde een toren, en hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

2En toen het de tijd was, stuurde hij een dienaar naar de landbouwers om van de landbouwers zijn deel van de opbrengst van de wijngaard te ontvangen.

3Maar zij grepen en sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.

4En hij stuurde weer een andere dienaar naar hen toe, en die stenigden zij en zij verwondden hem aan het hoofd en stuurden hem weg, nadat hij schandelijk behandeld was.

5En weer stuurde hij een andere en die doodden zij; en vele anderen, van wie zij sommigen sloegen en sommigen doodden.

6Toen hij dan nog één zoon had, die hem lief was, heeft hij ook die, als laatste, naar hen toe gestuurd en hij zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

7Maar die landbouwers zeiden tegen elkaar:

12:7
Ps. 2:8
Dit is de erfgenaam.
12:7
Gen. 37:18
Matt. 26:3
Joh. 11:53
Kom, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn.

8En zij grepen en doodden hem, en wierpen hem weg, buiten de wijngaard.

9Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal zelf komen, de landbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.

10Hebt u ook dit Schriftwoord niet gelezen: De

12:10
Ps. 118:22
Jes. 28:16
Matt. 21:42
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden.

11Dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

12En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigte; want zij begrepen dat Hij die gelijkenis met het oog op hen gesproken had, en zij verlieten Hem en gingen weg.

Het betalen van belasting

13

12:13
Matt. 22:15
Luk. 20:20
En zij stuurden enigen van de Farizeeën en van de Herodianen naar Hem toe om Hem op een woord te vangen.

14Dezen nu kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen?

15Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tegen hen: Waarom verzoekt u Mij? Breng Mij een penning,12:15 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. opdat Ik hem bekijk.

16En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer.

17Toen antwoordde Jezus hun:

12:17
Matt. 17:25
22:21
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.

De Sadduceeën en de opstanding

18

12:18
Matt. 22:23
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Er kwamen ook Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

19

12:19
Deut. 25:5,6
Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat dan zijn broer diens vrouw tot vrouw moet nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

20Nu waren er zeven broers; en de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nageslacht na.

21Ook de tweede nam haar tot vrouw en stierf, en ook deze liet geen nageslacht na; en de derde evenzo.

22En alle zeven namen haar tot vrouw en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw.

23In de opstanding, wanneer zij opgestaan zullen zijn, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad.

24En Jezus antwoordde hun: Dwaalt u niet daardoor, dat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God?

25Want wanneer ze uit de doden opgestaan zullen zijn, trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze

12:25
Matt. 22:30
1 Joh. 3:2
als engelen in de hemelen.

26En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak:

12:26
Ex. 3:6
Matt. 22:31,32
Hand. 7:32
Hebr. 11:16
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob?

27Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg.

Het grootste gebod

28

12:28
Matt. 22:34
Luk. 10:25
En een van de schriftgeleerden, die hen hoorde redetwisten en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden?

29En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is:

12:29
Deut. 6:4
10:12
Luk. 10:27
Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één.

30En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod.

31En het tweede, hieraan gelijk, is dit:

12:31
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.

32En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is, en er is geen ander dan Hij.

33En Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

34En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.

Christus, Zoon van David

35

12:35
Matt. 22:41
Luk. 20:41
En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is?

36Want

12:36
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.

37David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En de grote menigte hoorde Hem graag.

Waarschuwing tegen de schriftgeleerden

38

12:38
Matt. 23:5,6
Luk. 11:43
20:46
En Hij zei tegen hen in Zijn onderricht: Pas op voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het rondlopen in lange gewaden, op begroetingen op de markten,

39op de voorste plaatsen in de synagogen en op de ereplaatsen tijdens de maaltijden.

40

12:40
Matt. 23:14
Luk. 20:47
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
Zij verslinden de huizen van de weduwen en voor de schijn bidden zij lang. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

De gift van de weduwe

41

12:41
Luk. 21:1
En toen Jezus was gaan zitten tegenover
12:41
2 Kon. 12:9
de schatkist, zag Hij hoe de menigte geld in de schatkist wierp; en veel rijken wierpen er veel in.

42En er kwam één arme weduwe, die er twee kleine munten in wierp, dat is een quadrans.12:42 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk.

43En toen Hij Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat

12:43
2 Kor. 8:12
deze arme weduwe er meer ingeworpen heeft dan allen die iets in de schatkist geworpen hebben.

44Want zij allen hebben van hun overvloed erin geworpen; maar deze heeft van haar armoede alles wat zij had, erin geworpen, heel haar levensonderhoud.

13

De verwoesting van Jeruzalem voorzegd

131En toen Hij

13:1
Matt. 24:1
Luk. 21:5
uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!

2En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen?

13:2
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Luk. 19:44
Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.

3

13:3
Matt. 24:3
Luk. 21:7
En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren:

4

13:4
Hand. 1:6
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

5En Jezus antwoordde hun en begon te zeggen:

13:5
Jer. 29:8
Efez. 5:6
2 Thess. 2:2,3
1 Joh. 4:1
Pas op dat niemand u misleidt.

6Want velen zullen komen

13:6
Jer. 14:14
23:21
onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

7En wanneer u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt, want dit moet gebeuren, maar het is nog niet het einde.

8

13:8
Jes. 19:2
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en er zullen hongersnoden zijn en onlusten. Deze dingen zijn het begin van de weeën.

9

13:9
Matt. 10:17
24:9
Luk. 21:12
Joh. 15:19
16:2
Openb. 2:10
Past u op uzelf; want ze zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in de synagogen zult u geslagen worden; en u zult voor stadhouders en koningen geplaatst worden omwille van Mij, tot een getuigenis voor hen.

10En het Evangelie moet eerst gepredikt worden aan alle volken.

11

13:11
Matt. 10:19
Luk. 12:11
21:14
En wanneer ze u zullen wegleiden om u over te leveren, wees dan van tevoren niet bezorgd wat u spreken moet, en bedenk het niet; maar wat u op dat moment gegeven zal worden, spreek dat, want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.

12

13:12
Ezech. 38:21
Micha 7:6
En de ene broer zal de andere overleveren tot de dood en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen doden.

13En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam,

13:13
Matt. 10:22
24:13
Luk. 21:19
Openb. 2:7,10
maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Over de grote verdrukking

14

13:14
Matt. 24:15
Luk. 21:20
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet
13:14
Dan. 9:27
Daniël gesproken is, zult zien staan waar het niet behoort –
13:14
Luk. 21:21
laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

15En wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan in het huis om iets uit zijn huis te halen,

16en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet, om zijn bovenkleed te halen.

17Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!

18En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter.

19Want die dagen zullen dagen van zo'n verdrukking zijn als er niet geweest is vanaf het begin van de schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.

20En als de Heere die dagen niet ingekort had, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.

21

13:21
Matt. 24:23
Luk. 21:8
En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of zie, Hij is daar; geloof het niet.

22

13:22
Deut. 13:1
2 Thess. 2:11
Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen te misleiden.

23Maar past u op; zie, Ik heb u alles van tevoren gezegd!

Over de wederkomst

24

13:24
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Luk. 21:25
Openb. 6:12
Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven.

25En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen en de krachten in de hemelen zullen heftig bewogen worden.

26

13:26
Dan. 7:10
Matt. 16:27
24:30
Mark. 14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

27En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.

28

13:28
Matt. 24:32
Luk. 21:29
En leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

29Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

30Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.

31

13:31
Ps. 102:27
Jes. 40:8
51:6
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

32

13:32
Matt. 24:36
Hand. 1:7
Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader.

Aansporing tot waakzaamheid

33

13:33
Matt. 24:42
25:13
Luk. 12:40
21:36
1 Thess. 5:6
Let op: waak en bid, want u weet niet wanneer het de tijd is.

34Het zal zijn als bij iemand die naar het buitenland ging: hij verliet zijn huis, gaf zijn dienaren volmacht, en gaf aan ieder zijn werk, en gebood de deurwachter waakzaam te zijn.

35Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of te middernacht of met het hanengekraai of 's morgens vroeg,

36opdat hij u niet, als hij plotseling komt, slapend aantreft.

37En wat Ik tegen u zeg, zeg Ik tegen allen: Wees waakzaam!