Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Het oude en nieuwe verbond

31Beginnen

3:1
2 Kor. 5:12
10:8
wij onszelf weer aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven voor u nodig, of aanbevelingsbrieven van u?

2U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen.

3Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet

3:3
Ex. 24:12
34:1
op stenen tafelen,
3:3
Jer. 31:33
Ezech. 11:19
36:26
Hebr. 8:10
maar op tafelen van vlees, van de harten.

4Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God.

5Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar

3:5
Filipp. 2:13
onze bekwaamheid is uit God.

6Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om

3:6
2 Kor. 5:18
dienaars van
3:6
Hebr. 8:6,8
het nieuwe verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7Als nu de bediening van de dood, met letters

3:7
Ex. 24:12
34:1
Deut. 10:1
in stenen gegrift, in heerlijkheid was,
3:7
Ex. 34:30
zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,

8hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?

9Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.

10Immers, zelfs dat wat verheerlijkt was, is in dit opzicht niet heerlijk geweest, vergeleken met de allesovertreffende heerlijkheid.

11Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid.

12Omdat wij dan een dergelijke hoop bezitten, gaan wij met veel vrijmoedigheid te werk,

13en doen wij niet zoals

3:13
Ex. 34:35
Mozes, die een bedekking op zijn gezicht legde, opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden
3:13
Rom. 10:4
op het einddoel van wat tenietgedaan wordt.

14

3:14
Jes. 6:10
Ezech. 12:2
Matt. 13:11
Hand. 28:26
Rom. 11:8
Maar hun gedachten werden verhard, want tot op heden blijft diezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Testament, zonder te worden weggenomen. Die bedekking wordt tenietgedaan in Christus.

15Ja, tot op heden ligt er, wanneer Mozes gelezen wordt, een bedekking op hun hart.

16

3:16
Matt. 13:11
Rom. 11:23
1 Kor. 2:10
Maar wanneer het zich tot de Heere bekeert, wordt de bedekking weggenomen.

17

3:17
Joh. 4:24
De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.

18

3:18
1 Kor. 13:12
2 Kor. 5:7
Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.

4

De apostolische bediening

41Daarom, aangezien wij deze bediening hebben naar de barmhartigheid die ons bewezen is, verliezen wij de moed niet.

2Integendeel, wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen;

4:2
2 Kor. 2:17
wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid
4:2
2 Kor. 6:4
bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.

3Maar in het geval dat ons Evangelie nog bedekt is, dan is het bedekt in hen

4:3
2 Kor. 2:15
2 Thess. 2:10
die verloren gaan.

4Van hen, de ongelovigen, geldt dat de god van deze eeuw

4:4
Jes. 6:10
Joh. 12:40
hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus,
4:4
Joh. 14:9
Filipp. 2:6
Kol. 1:15
Hebr. 1:3
Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.

5Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus' wil.

6Want God,

4:6
Gen. 1:3
Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene
4:6
2 Petr. 1:19
Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.

De schat in aarden kruiken

7Maar wij hebben deze schat

4:7
2 Kor. 5:1
in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van
4:7
1 Kor. 2:5
God zou zijn en niet uit ons.

8Wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht; wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld;

9wij worden vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet te gronde gericht.

10

4:10
Rom. 8:17
Gal. 6:17
Filipp. 3:10
2 Tim. 2:11,12
1 Petr. 4:13
Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.

11

4:11
Ps. 44:23
Matt. 5:11
Rom. 8:36
1 Kor. 4:9
Want wij die leven, worden voortdurend aan de dood overgegeven om Jezus' wil,
4:11
1 Kor. 15:49
Kol. 3:4
opdat ook het leven van Jezus openbaar wordt in ons sterfelijk vlees.

12Zo is dan de dood werkzaam in ons, maar het leven in u.

13Maar omdat wij dezelfde Geest van het geloof hebben, overeenkomstig wat geschreven staat:

4:13
Ps. 116:10
Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook.

14

4:14
Rom. 8:11
1 Kor. 6:14
Wij weten immers dat Hij Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en samen met u voor Zich zal stellen.

15Want dit alles gebeurt ter wille van u,

4:15
2 Kor. 1:11
opdat de genade, die meer en meer is toegenomen, door de dankzegging van velen overvloedig wordt tot verheerlijking van God.

Een aardse tent en een huis in de hemel

16Daarom verliezen wij de moed niet; integendeel, ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.

17

4:17
Ps. 30:6
Matt. 5:12
Rom. 8:18
1 Joh. 3:2
Want onze lichte verdrukking, die van korte duur is, brengt in ons een allesovertreffend eeuwig gewicht van heerlijkheid teweeg.

18Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.

5

51Wij weten immers dat, wanneer ons

5:1
2 Kor. 4:7
aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

2

5:2
Rom. 8:23
Want in deze tent zuchten wij ook, en verlangen wij er vurig naar met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden,

3

5:3
Openb. 3:18
16:15
als wij maar bekleed en niet naakt zullen bevonden worden.

4Want ook wij, die in deze tent zijn, zuchten terwijl we het zwaar te verduren hebben; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden,

5:4
Rom. 8:11
1 Kor. 15:53
zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden.

5Hij nu Die ons hiervoor heeft gereedgemaakt, is God,

5:5
Rom. 8:16
2 Kor. 1:22
Efez. 1:13
4:30
Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft.

6Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere,

7

5:7
1 Kor. 13:12
2 Kor. 3:18
want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen.

8Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.

9Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn.

10

5:10
Matt. 25:32
Rom. 14:10
Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden,
5:10
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
14:12
1 Kor. 3:8
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

De bediening van de verzoening

11Nu wij dus deze vrees voor de Heere kennen, bewegen wij de mensen tot het geloof; en voor God zijn wij openbaar geworden, maar ik hoop ook voor uw gewetens openbaar te zijn.

12

5:12
2 Kor. 3:1
10:8
Want wij bevelen onszelf niet opnieuw bij u aan, maar wij geven u een aanleiding tot roem over ons, opdat u iets te zeggen zou hebben tegen hen die in het uiterlijke roemen en niet in wat er in het hart leeft.

13Want wanneer wij buiten onszelf zijn, dan is dat voor God; en wanneer wij bij ons verstand zijn, dan is dat voor u.

14Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven.

15En Hij is voor allen gestorven,

5:15
Rom. 14:7
Gal. 2:20
1 Thess. 5:10
1 Petr. 4:2
opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is.

16

5:16
Matt. 12:50
Joh. 15:14
Gal. 5:6
6:15
Kol. 3:11
Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer.

17Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping:

5:17
Jes. 43:18
Openb. 21:5
het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.

18En dit alles is uit God,

5:18
Kol. 1:20
1 Joh. 2:2
4:10
Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.

19

5:19
Rom. 3:24,25
Kol. 1:20
God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.

20Wij zijn dan

5:20
2 Kor. 3:6
gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen.

21

5:21
Jes. 53:9
1 Petr. 2:22
1 Joh. 3:5
Want Hem Die geen zonde gekend heeft,
5:21
Jes. 53:12
Rom. 8:3
Gal. 3:13
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.