Herziene Statenvertaling (HSV)
104

Gods glorie in de schepping

1041Loof

104:1
Ps. 103:1
146:1
de HEERE, mijn ziel.

HEERE, mijn God, U bent zeer groot,

U bent met majesteit en glorie bekleed.

2Hij hult Zich in het licht als in een mantel,

104:2
Gen. 1:6
Job 26:7
Hij spant de hemel uit als een tentkleed.

3Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,

maakt van de wolken Zijn wagen,

104:3
Ps. 18:11
Jes. 19:1
Openb. 14:14
wandelt op de vleugels van de wind.

4

104:4
Hebr. 1:7
Hij maakt Zijn engelen tot hulpvaardige geesten,

Zijn dienaren tot vlammend vuur.

5

104:5
Job 26:7
38:4,5,6
Ps. 24:2
78:69
Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,

die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.

6U had hem met de watervloed als met een gewaad bedekt,

het water stond tot boven de bergen.

7Door Uw bestraffing vluchtten ze,

ze haastten zich weg voor het geluid van Uw donder.

8De bergen rezen op, de dalen daalden neer

op de plaats die U ervoor bestemd had.

9U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,

ze zullen de aarde nooit meer bedekken.

10Hij wijst de bronnen hun loop104:10 Hij wijst … hun loop - Letterlijk: Die de bronnen zendt. naar de dalen,

zodat ze tussen de bergen door stromen.

11Ze geven alle dieren van het veld te drinken,

de wilde ezels lessen er hun dorst.

12Daarbij wonen de vogels in de lucht,

hun stem klinkt tussen de takken.

13Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen,

de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken.

14Hij doet het gras groeien voor de dieren,

het gewas ten dienste van de mens.

Hij brengt voedsel uit de aarde voort:

15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,

olie, die zijn gezicht doet glanzen,

en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.

16De bomen van de HEERE worden verzadigd,

de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft.

17Daar nestelen de vogeltjes,

de cipressen zijn het huis voor de ooievaar.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,

de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen.

19Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,

de zon weet wanneer hij ondergaat.

20U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht;

daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten.

21

104:21
Job 39:1,2
Jes. 31:4
De jonge leeuwen brullen om een prooi

en verlangen van God hun voedsel.

22Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug

en leggen zich neer in hun holen.

23De mens gaat dan op weg naar zijn werk,

naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.

24Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,

U hebt alles met wijsheid gemaakt,

de aarde is vol van Uw rijkdommen.104:24 Uw rijkdommen - Letterlijk: Uw bezittingen.

25Daar ligt de zee, groot en wijd uitgestrekt;

daar leeft krioelend gedierte, niet te tellen,

kleine dieren en grote.

26Daar varen de schepen,

daar gaat de Leviathan, die U gevormd hebt

om hem erin te laten spelen.

27Zij allen

104:27
Ps. 145:15
wachten op U,

dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.

28Geeft U het hun, zij verzamelen het,

doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.

29

104:29
Ps. 30:8
Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,

neemt U hun adem weg, zij geven de geest

en keren terug tot hun stof.

30Zendt U Uw Geest uit, dan worden zij geschapen

en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.

31De heerlijkheid van de HEERE zij voor eeuwig,

laat de HEERE Zich verblijden in Zijn werken.

32Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,

raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.

33

104:33
Ps. 63:5
146:2
Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven,

ik zal voor mijn God psalmen zingen, mijn leven lang.

34Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn,

ík zal mij in de HEERE verblijden.

35De zondaars zullen van de aarde verdwijnen,

de goddelozen zullen er niet meer zijn.

Loof de HEERE, mijn ziel!

Halleluja!

105

Lofzang op de trouw van de HEERE

1051Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,

maak Zijn daden bekend onder de volken.

2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,

spreek aandachtig van al Zijn wonderen.

3

105:3
Ps. 34:3
Beroem u in Zijn heilige Naam,

laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.

4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,

zoek Zijn aangezicht voortdurend.

5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,

aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,

6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,

kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.

7Hij is de HEERE, onze God,

Zijn oordelen gaan over heel de aarde.

8Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,

aan de belofte die Hij gedaan heeft,105:8 de belofte … heeft - Letterlijk: het woord dat Hij geboden heeft. tot in duizend generaties,

9aan het verbond dat Hij met Abraham gesloten heeft,

en Zijn eed aan Izak.

10

105:10
1 Kron. 16:17
Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,

105:10
Gen. 28:13
35:11
voor Israël als een eeuwig verbond,

11door te zeggen:

105:11
Gen. 13:15
15:18
Ik zal u het land Kanaän geven,

het gebied dat uw erfelijk bezit is.

12

105:12
1 Kron. 16:19
Toen zij met weinig mensen waren,

ja, met weinigen, en vreemdelingen daarin,

13en zij van volk naar volk zwierven,

van het ene koninkrijk naar het andere volk,

14liet

105:14
Gen. 35:5
Hij geen mens toe hen te onderdrukken.

Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen en zei:

15Raak Mijn gezalfden niet aan,

doe Mijn profeten geen kwaad.

16Hij riep een hongersnood over het land af,

Hij liet het volledig aan brood ontbreken.105:16 Hij … ontbreken - Letterlijk: Hij brak elke staf van brood.

17Hij zond een man voor hen uit:

105:17
Gen. 37:28,36
45:5
Jozef werd als slaaf verkocht.

18Men drukte zijn voeten vast in de boeien,

hijzelf kwam in de ijzers.

19Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam,

heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd.

20De koning stuurde boden en liet hem vrij,

de heerser van de volken liet hem los.

21

105:21
Gen. 41:40
Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis,

tot heerser over al zijn bezit,

22om zijn vorsten zijn wil op te leggen

en zijn oudsten wijsheid te leren.

23Daarna kwam Israël in Egypte,

Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.

24

105:24
Ex. 1:7,9
Hij deed Zijn volk zeer toenemen

en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders.

25

105:25
Ex. 1:9,10,12
Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten

en Zijn dienaren listig behandelden.

26

105:26
Ex. 3:10
4:12
Hij zond Mozes, Zijn dienaar,

en Aäron, die Hij verkozen had.

27

105:27
Ex. 7:9
Zij verrichtten onder hen de tekenen die Hij bevolen had,105:27 de tekenen die Hij bevolen had - Letterlijk: de woorden van Zijn tekenen.

en wonderen in het land van Cham.

28Hij zond duisternis en maakte het duister

– zij waren Zijn woord niet ongehoorzaam –

29Hij veranderde hun water in bloed

en doodde hun vissen.

30Hun land wemelde van kikkers,

tot in de kamers van hun koningen.

31Hij sprak, en er kwamen steekvliegen

en muggen in hun hele gebied.

32Hij maakte hun regen tot hagel,

bracht vlammend vuur in hun land.

33Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,

Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.

34Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,

treksprinkhanen, niet te tellen,

35die al het gewas in hun land opaten,

ja, zij aten de vrucht van hun akker op.

36

105:36
Ps. 78:51
Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,

de eerste vruchten van al hun mannelijke kracht.

37Hij leidde hen uit met zilver en goud,

onder hun stammen was niemand die struikelde.

38

105:38
Ex. 12:33
Egypte was blij toen zij wegtrokken,

want angst voor dit volk was op hen gevallen.

39Hij spreidde een wolk uit om hen te bedekken

en gaf vuur om de nacht te verlichten.

40Zij baden, en Hij deed kwartels komen,

Hij verzadigde hen met hemels brood.

41Hij opende een rots en er vloeide water uit,

dat als een rivier door de dorre plaatsen stroomde.

42Want Hij dacht aan Zijn heilige woord,

aan

105:42
Gen. 15:14
Abraham, Zijn dienaar.

43

105:43
Ex. 14:8
Num. 33:3
Zo leidde Hij Zijn volk uit met vreugde,

Zijn uitverkorenen met gejuich.

44Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.

Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,

45

105:45
Ex. 19:4,5,6
Deut. 4:1,40
6:21,22,23,24,25
opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden

en Zijn wetten in acht zouden nemen.

Halleluja!

106

Trouw van de HEERE voor een ontrouw volk

1061Halleluja!

106:1
Ps. 107:1
118:1
136:1
Loof de HEERE, want Hij is goed,

want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

2Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,

al Zijn lof verkondigen?106:2 verkondigen - Letterlijk: doen horen.

3Welzalig zij die zich aan het recht houden,

die te allen tijde gerechtigheid doen.

4Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;

zie naar mij om met Uw heil,

5zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,

mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,

mij mag beroemen met Uw eigendom.

6

106:6
Lev. 26:40
Jer. 3:25
Dan. 9:5
Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen,

wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld.

7Onze vaderen in Egypte

hebben Uw wonderen niet opgemerkt;

zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke blijken van goedertierenheid,

106:7
Ex. 14:11,12
maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee.

8Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,

106:8
Ex. 9:16
om Zijn macht bekend te maken.

9Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel;

106:9
Ex. 14:21,22,29
Hij deed hen door de diepe wateren gaan als door een woestijn.

10Hij verloste hen uit de hand van de hater,

Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.

11

106:11
Ex. 14:27
15:5
Water bedolf hun tegenstanders,

niet één van hen bleef over.

12

106:12
Ex. 14:31
15:1
Toen geloofden zij Zijn woorden,

zij zongen Zijn lof.

13Maar zij vergaten spoedig Zijn werken.

Zij wachtten niet op Zijn raad,

14

106:14
Ex. 16:3
Num. 11:4,6,33
Ps. 78:18
1 Kor. 10:6
en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;

zij stelden God op de proef in de wildernis.

15Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,

maar henzelf106:15 henzelf - Letterlijk: hun zielen. deed

106:15
Num. 11:20,33
Ps. 78:30,31
Jes. 10:16
Hij uitteren.106:15 deed Hij uitteren - Letterlijk: zond Hij een uittering.

16

106:16
Num. 16:2
Zij werden jaloers op Mozes in het kamp,

en op Aäron, de heilige van de HEERE.

17

106:17
Num. 16:31,32,33
Deut. 11:6
De aarde opende zich en verslond Dathan

en bedolf de aanhang van Abiram.

18

106:18
Num. 16:35,46
Een vuur brandde onder hun aanhang,

een vlam verzengde de goddelozen.

19

106:19
Ex. 32:4
Zij maakten een kalf bij de Horeb

en bogen zich neer voor een gegoten beeld.

20Zij ruilden hun Eer106:20 hun Eer - D.i. hun God. in

voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.

21Zij vergaten God, hun Heiland,

Die grote dingen gedaan had in Egypte,

22wonderen in het land van Cham,

ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee.

23

106:23
Ex. 32:11,32
Deut. 9:13,14
10:10
Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.

Als Mozes, Zijn uitverkorene,

niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan

om Zijn grimmigheid af te wenden,

dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.

24

106:24
Num. 14:1,2
Zij versmaadden het begerenswaardige land,

zij geloofden Zijn woord niet,

25maar zij morden in hun tenten;

naar de stem van de HEERE luisterden zij niet.

26Daarom

106:26
Num. 14:28
hief Hij Zijn hand tegen hen op

en zwoer dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,

27dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken

en hen zou

106:27
Ps. 44:12
Ezech. 20:23
verstrooien door de landen.

28Ook koppelden zij zich aan

106:28
Num. 25:3
31:16
Openb. 2:14
Baäl-Peor,

zij aten de offers voor de doden.

29Zij verwekten de HEERE tot toorn met hun daden,

zodat er een plaag onder hen uitbrak.

30Toen stond Pinehas op en oefende gericht

en de plaag werd tot stilstand gebracht.

31Het is hem gerekend tot gerechtigheid,

van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.

32

106:32
Num. 20:12
Ps. 95:8
Zij maakten Hem zeer toornig bij het water van Meriba,

het verging Mozes slecht omwille van hen.

33Want zij tergden zijn geest,

zodat hij met zijn lippen ondoordachte woorden sprak.

34Zij vaagden de volken niet weg,

zoals de HEERE hun bevolen had;

35maar

106:35
Richt. 2:2
3:5,6
zij vermengden zich met de heidenvolken

en leerden hun gebruiken.

36Zij dienden hun afgoden,

die hun tot een valstrik werden.

37

106:37
Lev. 18:21
Deut. 12:31
2 Kon. 16:3
17:17
21:6
2 Kron. 28:3
33:6
Bovendien offerden zij hun zonen

en hun dochters aan de demonen.

38Zij vergoten onschuldig bloed,

het bloed van hun zonen en dochters.

Zij offerden hen aan de afgoden van Kanaän,

106:38
Num. 35:33
zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.

39Zij verontreinigden zichzelf door hun werken,

zij bedreven hoererij door hun daden.

40Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk,

Hij had een afschuw van Zijn eigendom.

41Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken;

wie hen haatten, heersten over hen.

42Hun vijanden onderdrukten hen,

zij werden vernederd onder hun hand.

43Hij redde hen vele keren,

zíj echter tergden Hem door hun plannen

en raakten uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

44Toch zag Hij hun benauwdheid,

toen Hij hun roepen hoorde.

45Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;

Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.

46Daarom bewees Hij hun barmhartigheid

bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.

47Verlos ons, HEERE, onze God,

breng ons bijeen

106:47
1 Kron. 16:35
vanuit de heidenvolken,

opdat wij Uw heilige Naam loven

en ons beroemen in Uw lof.

48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid;

laat

106:48
1 Kron. 16:36
heel het volk zeggen: Amen.

Halleluja!