Herziene Statenvertaling (HSV)
20

De arbeiders in de wijngaard

201Want het Koninkrijk der hemelen is als een heer des huizes, die 's morgens vroeg eropuit ging om arbeiders voor zijn wijngaard in te huren.

2Nadat hij het met de arbeiders eens geworden was voor een penning20:2 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider; zie ook de verzen 9, 10, en 13. per dag, stuurde hij hen zijn wijngaard in.

3En toen hij omstreeks het derde uur eropuit ging, zag hij anderen werkloos op de markt staan.

4Ook tegen hen zei hij: Gaat u ook naar de wijngaard, en ik zal u geven wat rechtvaardig is. En zij gingen.

5Toen hij nogmaals eropuit gegaan was, omstreeks het zesde en het negende uur, deed hij hetzelfde.

6En toen hij omstreeks het elfde uur eropuit ging, vond hij weer anderen werkloos staan en hij zei tegen hen: Waarom staat u hier heel de dag werkloos?

7Zij zeiden tegen hem: Omdat niemand ons ingehuurd heeft. Hij zei tegen hen: Gaat u ook naar de wijngaard en u zult ontvangen wat rechtvaardig is.

8Toen het avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: Roep de arbeiders en geef hun het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.

9En toen zij kwamen die omstreeks het elfde uur ingehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.

10En toen de eersten kwamen, dachten zij dat zij meer ontvangen zouden; maar ook zij ontvingen ieder een penning.

11Toen zij die ontvangen hadden, morden zij tegen de heer des huizes

12en zeiden: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u hebt ze gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de hitte verdragen hebben.

13Maar hij antwoordde en zei tegen een van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht; bent u het niet met mij eens geworden over een penning?

14Neem wat van u is, en vertrek. Ik wil aan hem die het laatst kwam, hetzelfde geven als aan u.

15

20:15
Rom. 9:21
Of is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat ik wil? Of bent u afgunstig20:15 bent u afgunstig - Letterlijk: is uw oog boos. omdat ik goed ben?

16

20:16
Matt. 19:30
Mark. 10:31
Luk. 13:30
Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten;
20:16
Matt. 22:14
want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Derde aankondiging van het lijden

17

20:17
Mark. 10:32
Luk. 18:31
24:7
En toen Jezus naar Jeruzalem ging, nam Hij de twaalf discipelen onderweg apart bij Zich en zei tegen hen:

18Zie, wij gaan naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;

19

20:19
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28,31
Hand. 3:23
en zij zullen Hem aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; maar op de derde dag zal Hij opgewekt worden.

De zonen van Zebedeüs

20

20:20
Mark. 10:35
Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij knielde voor Hem neer om Hem iets te vragen.

21Hij zei tegen haar: Wat wilt u? Zij zei tegen Hem: Zeg dat deze twee zonen van mij mogen zitten, de één aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.

22Maar Jezus antwoordde en zei:

20:22
Rom. 8:26
U weet niet wat u vraagt; kunt u de drinkbeker drinken die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden
20:22
Luk. 12:50
waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tegen Hem: Dat kunnen wij.

23En Hij zei tegen hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven, maar het zal gegeven worden aan hen voor wie het bestemd is

20:23
Matt. 25:34
door Mijn Vader.

24En toen de andere tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.

25En toen Jezus hen bij Zich geroepen had, zei Hij:

20:25
Mark. 10:42
Luk. 22:25
U weet dat de leiders van de volken heerschappij over hen voeren, en de groten macht over hen uitoefenen.

26

20:26
1 Petr. 5:3
Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn;

27

20:27
Matt. 23:11
Mark. 9:35
10:43
en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw dienaar zijn,

28

20:28
Luk. 22:27
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
zoals ook de Zoon des mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en
20:28
Efez. 1:7
1 Tim. 2:6
1 Petr. 1:19
Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen.

De blinden van Jericho

29

20:29
Mark. 10:46
Luk. 18:35
En toen zij Jericho uit gingen, volgde een grote menigte Hem.

30En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons!

31De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David!

32En Jezus stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal?

33Zij zeiden tegen Hem: Heere, dat onze ogen geopend worden.

34En Jezus, Die innerlijk met ontferming bewogen was, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

21

De intocht in Jeruzalem

211En

21:1
Mark. 11:1
Luk. 19:29
toen zij Jeruzalem naderden en in Bethfagé bij de Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee discipelen uit en zei tegen hen:

2Ga het dorp in dat voor u ligt, en u zult meteen een ezelin vinden die vastgebonden is, en een veulen bij haar; maak ze los en breng ze bij Mij.

3En als iemand iets tegen u zegt, moet u zeggen dat de Heere ze nodig heeft, en hij zal ze meteen sturen.

4Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei:

5

21:5
Jes. 62:11
Zach. 9:9
Joh. 12:15
Zeg tegen de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen dat een jong van een jukdragende ezelin is.

6En de discipelen gingen heen en deden zoals Jezus hun bevolen had;

7zij brachten de ezelin en het veulen,

21:7
2 Kon. 9:13
en zij legden hun kleren erop en
21:7
Joh. 12:14
zetten Hem daarop.

8En het grootste deel van de menigte spreidde hun kleren uit op de weg en anderen hakten takken van de bomen en spreidden ze uit op de weg.

9De menigte die vooropliep en die volgde, riep: Hosanna, de Zoon van David!

21:9
Ps. 118:25,26
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna, in de hoogste hemelen!

10Toen Hij Jeruzalem binnenkwam, raakte heel de stad in opschudding en men zei: Wie is Dat?

11De menigte zei: Dat is Jezus, de Profeet uit Nazareth in Galilea.

De tempelreiniging

12

21:12
Deut. 14:26
Mark. 11:15
Luk. 19:45
Joh. 2:14
En Jezus ging de tempel van God binnen en dreef allen die in de tempel verkochten en kochten naar buiten, en keerde de tafels van de wisselaars om en de stoelen van hen die de duiven verkochten.

13En Hij zei tegen hen: Er is geschreven:

21:13
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Jer. 7:11
Luk. 19:46
Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden; maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

14En er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen.

15

21:15
Mark. 11:27
Toen de overpriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel riepen: Hosanna, de Zoon van David! namen zij Hem dat zeer kwalijk,

16en zeiden tegen Hem: Hoort U wel wat deze kinderen zeggen? Jezus zei tegen hen: Ja. Hebt u nooit gelezen:

21:16
Ps. 8:3
Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt U voor Uzelf lof tot stand gebracht?

17En Hij verliet hen en ging vandaar de stad uit naar Bethanië en overnachtte daar.

De verdorde vijgenboom

18

21:18
Mark. 11:12,20
's Morgens vroeg, toen Hij terugkeerde naar de stad, kreeg Hij honger.

19En toen Hij een vijgenboom langs de weg zag, ging Hij ernaartoe en vond er niets aan dan alleen bladeren. Hij zei tegen hem: Laat er aan u geen vrucht meer groeien in eeuwigheid! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.

20Toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo ineens verdord?

21Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u:

21:21
Matt. 17:20
Luk. 17:6
Als u geloof had en niet twijfelde, zou u niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gedaan, maar zelfs als u tegen deze berg zou zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, dan zou het gebeuren.

22

21:22
Matt. 7:7
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
16:24
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
En alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen.

De vraag naar Jezus' bevoegdheid

23

21:23
Mark. 11:27
Luk. 20:1
En toen Hij in de tempel gekomen was, kwamen de overpriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe, terwijl Hij onderwijs gaf, en zeiden:
21:23
Ex. 2:14
Hand. 4:7
7:27
Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?

24Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één ding vragen; als u Mij dat zegt, zal Ik u ook zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

25De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel of uit de mensen? En zij overlegden met elkaar, en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

26Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan zijn wij bevreesd voor de menigte,

21:26
Matt. 14:5
Mark. 6:20
want zij houden allen Johannes voor een profeet.

27En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Hij zei tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met wat voor bevoegdheid Ik dit doe.

De twee zonen

28Maar wat denkt u? Iemand had twee zonen, en hij ging naar de eerste en zei: Zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken.

29Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet. Later kreeg hij berouw en ging erheen.

30En hij ging naar de tweede en zei hetzelfde, en deze antwoordde en zei:

21:30
Ezech. 33:31
Ik ga, heer! Maar hij ging niet.

31Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tegen Hem: De eerste. Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God.

32

21:32
Matt. 3:1
Want Johannes is bij u gekomen in de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; en hoewel u dat zag, hebt u later geen berouw gehad zodat ook u hem geloofde.

De slechte landbouwers

33Luister naar een andere gelijkenis.

21:33
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
Mark. 12:1
Luk. 20:9
Er was iemand, een heer des huizes, die een wijngaard plantte. Hij zette er een omheining omheen, groef er een wijnpersbak in uit en bouwde een toren. En hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

34Toen de tijd van de vruchten naderde, stuurde hij zijn dienaren naar de landbouwers om zijn vruchten te ontvangen.

35En de landbouwers namen zijn dienaren, sloegen de één, doodden een ander, en

21:35
2 Kron. 24:21
stenigden een derde.

36Nogmaals stuurde hij andere dienaren, meer in aantal dan de eerste, en zij deden met hen hetzelfde.

37Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe en zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

38Maar toen de landbouwers de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar:

21:38
Ps. 2:8
Hebr. 1:2
Dit is de erfgenaam.
21:38
Gen. 37:18
Ps. 2:1
Matt. 26:3
27:1
Joh. 11:53
Kom, laten we hem doden en zijn erfenis voor onszelf houden.

39Toen ze hem gegrepen hadden, wierpen zij hem buiten de wijngaard en doodden hem.

40Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij met die landbouwers doen?

41Zij zeiden tegen Hem: Hij zal die kwaaddoeners een kwade dood doen sterven en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.

42Jezus zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften:

21:42
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Mark. 12:10
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
De steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden; dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

43Daarom zeg Ik u

21:43
Ex. 32:10
Matt. 8:12
dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en
21:43
Jes. 55:5
aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.

44

21:44
Jes. 8:15
Zach. 12:3
Luk. 20:18
En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; en
21:44
Dan. 2:34
op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

45

21:45
Luk. 20:19
En toen de overpriesters en Farizeeën deze gelijkenissen van Hem hoorden, begrepen zij dat Hij over hen sprak.

46En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigten, omdat die Hem

21:46
Luk. 7:16
Joh. 7:40
voor een profeet hielden.

22

De koninklijke bruiloft

221En Jezus antwoordde en sprak opnieuw tot hen door gelijkenissen, en zei:

2

22:2
Luk. 14:16
Openb. 19:7
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had,

3en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen.

4Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft.

5Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

6En de anderen grepen zijn dienaren, behandelden hen smadelijk en doodden hen.

7Toen de koning dat hoorde, werd hij boos. En hij stuurde zijn legers, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.

8Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard.

9Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden.

10En die dienaren gingen naar de wegen, verzamelden allen die zij vonden, zowel slechte als goede mensen; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten.22:10 gasten - Letterlijk: aanliggenden; zie ook vers 11.

11Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te overzien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruiloftskleding.

12En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen terwijl u geen bruiloftskleding aan hebt? En hij zweeg.

13Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis;

22:13
Matt. 8:12
13:42
24:51
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

14Want

22:14
Matt. 20:16
velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De belasting aan de keizer

15

22:15
Mark. 12:13
Luk. 20:20
Toen gingen de Farizeeën weg en beraadslaagden hoe zij Hem op Zijn woorden konden vangen.

16En zij stuurden hun discipelen naar Hem toe, met de Herodianen, en zeiden: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid onderwijst en Zich door niemand laat beïnvloeden, want U ziet de persoon van de mensen niet aan.

17Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?

18Maar Jezus, die hun boosaardigheid kende, zei:

19Huichelaars, waarom verzoekt u Mij? Toon Mij de belastingmunt. En zij brachten Hem een penning.

20En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift?

21Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen:

22:21
Matt. 17:25
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.

22En toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich; en zij verlieten Hem en gingen weg.

De Sadduceeën en de opstanding

23

22:23
Mark. 12:18
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Op die dag kwamen er Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

24Meester, Mozes heeft

22:24
Deut. 25:5
gezegd: Als er iemand sterft die geen kinderen heeft, dan moet zijn broer diens vrouw trouwen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

25Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste trouwde en stierf; en omdat hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer.

26Zo ook de tweede en de derde, tot de zevende toe.

27Ten slotte stierf na allen ook de vrouw.

28In de opstanding dan, van wie van die zeven zal zij de vrouw zijn? Want zij hebben haar allen als vrouw gehad.

29Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: U dwaalt, omdat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God.

30Want in de opstanding nemen ze niet ten huwelijk en worden ze niet ten huwelijk gegeven,

22:30
1 Joh. 3:2
maar ze zijn als engelen van God in de hemel.

31En wat de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei:

32

22:32
Ex. 3:6
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? God is niet een God van doden, maar van levenden.

33En toen de menigte dit hoorde,

22:33
Matt. 7:28
stonden ze versteld van Zijn onderricht.

Het grote gebod

34

22:34
Mark. 12:28
Toen de Farizeeën gehoord hadden dat Hij de Sadduceeën de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen.

35

22:35
Luk. 10:25
En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken:

36Meester, wat is het grote gebod in de wet?

37Jezus zei tegen hem:

22:37
Deut. 6:5
10:12
30:6
Luk. 10:27
U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.

38Dit is het eerste en het grote gebod.

39En het tweede, hieraan gelijk, is:

22:39
Lev. 19:18
Mark. 12:31
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.

Christus Davids Zoon en Heere

41

22:41
Mark. 12:35
Luk. 20:41
Toen de Farizeeën bijeenwaren, vroeg Jezus hun:

42Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon.

43Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt:

44

22:44
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?

45Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?

46En niemand kon Hem een woord antwoorden, en ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer iets te vragen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]