Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Klaaglied over de verwoesting van Juda en Jeruzalem

21Hoe heeft de Heere in Zijn toornaleph

de dochter van Sion in wolken gehuld.

Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen

de luister van Israël;

en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht

op de dag van Zijn toorn.

2De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, beth

alle woningen van Jakob;

Hij heeft in Zijn verbolgenheid

de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.

Hij heeft ze met de grond in aanraking doen komen,

Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.

3In brandende toorn heeft Hij gimel

heel de hoorn van Israël stukgebroken.

Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken

in het zicht van de vijand.

Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,

dat naar alle kanten verteert.

4Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, daleth

Zijn rechterhand in de aanslag

als een tegenstander; Hij doodde

alle voor het oog begerenswaardige dingen.

In de tent van de dochter van Sion

heeft Hij Zijn grimmigheid als een vuur uitgestort.

5De Heere is als een vijand geworden.he

Hij heeft Israël verslonden,

al haar paleizen heeft Hij verslonden,

haar vestingen te gronde gericht:

Hij vermeerderde bij de dochter van Juda

geklag en geklaag.

6Hij heeft als in een tuin Zijn hut met geweld omvergehaald, waw

Hij heeft Zijn plaats van samenkomst te gronde gericht;

De HEERE heeft in Sion laten vergeten

feestdag en sabbat.

Hij heeft in Zijn grimmige toorn verworpen

koning en priester.

7De Heere heeft Zijn altaar verstoten, zain

tenietgedaan Zijn heiligdom.

Hij heeft in de hand van de vijand uitgeleverd

de muren van haar paleizen.

Zij hebben in het huis van de HEERE hun stem laten klinken

als op een feestdag.

8De HEERE heeft besloten2:8 besloten - Letterlijk: bedacht. omcheth

de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;

Hij heeft het meetlint uitgespannen,

Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.

Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,

samen zijn zij ingestort.

9Haar poorten zijn ter aarde gezonken, teth

haar grendels heeft Hij vernield en gebroken.

haar koning en haar vorsten bevinden zich onder de heidenvolken.

Het onderwijs in de wet ontbreekt.

Ook hebben haar profeten geen

visioen van de HEERE ontvangen.

10Zij zitten zwijgend op de grond, jod

de oudsten van de dochter van Sion.

Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,

zich met rouwgewaden omgord.

Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,

de jonge vrouwen van Jeruzalem.

11Mijn ogen zijn verteerd door tranen, kaph

mijn binnenste is vol onrust.

Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,

vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,

om het bezwijken van kind en zuigeling

op de pleinen van de stad.

12Tegen hun moeders zeggen zij: lamed

Waar is er koren en wijn?

terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden

op de pleinen van de stad,

terwijl hun leven wegvloeit

op de schoot van hun moeders.

13Wat zal ik u voorhouden, mem

waarmee u vergelijken, dochter van Jeruzalem?

Waaraan zal ik u gelijkstellen,

zodat ik u zal troosten, maagd, dochter van Sion?

Want groot als de zee is uw breuk!

Wie kan u genezen?

14Uw profeten hebben voor u geziennun

valse visioenen en dwaasheid;

uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt

om uw gevangenschap om te keren,

maar zij hebben lasten voor u gezien

van valsheid en misleidingen.

15Alle voorbijgangers hebben over usamech

de handen ineengeslagen.

Zij sisten van afschuw en schudden hun hoofd

over de dochter van Jeruzalem:

Is dit de stad waarvan men zei:

Volmaakt van schoonheid,

een vreugde voor heel de aarde?

16Zij hebben over u hun mond opengesperd, pe

al uw vijanden.

Zij sisten van afschuw en knarsetandden,

zij zeiden: Wij hebben haar verslonden!

Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,

wij hebben hem gevonden en hebben hem gezien!

17De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, ain

Hij heeft Zijn woord vervuld,

dat Hij in de dagen van weleer geboden had.

Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,

en Hij heeft de vijand over u verblijd;

Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.

18Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: tsade

2:18
Jer. 14:17
Klaagl. 1:16
Muur van de dochter van Sion,

laat tranen als een beek naar beneden stromen,

dag en nacht!

Gun uzelf geen rust,

laat uw oogappel niet stilstaan!

19Sta op, weeklaag in de nacht, koph

vanaf de eerste nachtwake!

Stort uw hart uit als water

voor het aangezicht van de Heere!

Hef tot Hem uw handen op,

vanwege het leven van uw kleine kinderen,

die van honger versmachten

op de hoeken van alle straten.

20Zie, HEERE, en aanschouwresj

aan wie U zo gedaan hebt!

2:20
Klaagl. 4:10
Moeten vrouwen hun eigen vrucht eten,

kleine kinderen die zij op handen droegen?

Moeten dan in het heiligdom van de Heere gedood worden

priester en profeet?

21Zij liggen ter aarde op de straten, sjin

jong en oud.

Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen

zijn door het zwaard gevallen.

U hebt hen gedood op de dag van Uw toorn,

U hebt hen afgeslacht, en niet gespaard.

22U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, taw

verschrikkingen voor mij van rondom!

En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE

ontkomen of ontvlucht!

Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,

heeft mijn vijand omgebracht!

3

Lijden en hoop

31Ik ben de man die ellende gezien heeft aleph

door de stok van Zijn verbolgenheid.

2Mij heeft Hij geleid en doen gaanaleph

in duisternis, en niet in licht.

3Ja, Hij heeft telkens weer Zijn handaleph

tegen mij gekeerd, de hele dag.

4Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, beth

Hij heeft mijn beenderen gebroken.

5Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft mij omsingeldbeth

met gal en moeite.

6In duistere oorden doet Hij mij wonen, beth

als degenen die allang dood zijn.

7Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; gimel

Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.

8Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, gimel

sluit Hij Zijn oren voor mijn gebed.

9Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, gimel

mijn paden heeft Hij krom gemaakt.

10Een loerende beer is Hij voor mij, daleth

een leeuw op verborgen plaatsen.

11Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; daleth

Hij heeft van mij een woestenij gemaakt.

12Hij heeft Zijn boog gespannen, daleth

en Hij stelde mij als doelwit voor Zijn pijl.

13Hij heeft in mijn nieren doen binnendringenhe

de pijlen3:13 de pijlen - Letterlijk: de zonen. uit Zijn koker.

14Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, he

het onderwerp van hun spotlied, de hele dag.

15Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, he

Hij heeft mij met alsem doordrenkt.

16Hij heeft mij mijn tanden op kiezelstenen laten stukbijten, waw

Hij heeft mij in de as neergedrukt.

17Van vrede verstoten is mijn ziel, waw

ik ben het goede vergeten.

18En ik zei: Mijn kracht is vergaan, waw

en wat ik van de HEERE verwachtte.

19Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, zain

aan de alsem en de gal.

20Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, zain

zij buigt zich neer in mij.

21Dit zal ik ter harte nemen, zain

daarom zal ik hopen:

22Het is

3:22
Jes. 1:9
Hab. 3:13
de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, cheth

dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!

23Nieuw

3:23
Ps. 30:6
zijn ze, elke morgen; cheth

groot is Uw trouw!

24Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, cheth

3:24
Hab. 2:3
daarom zal ik op Hem hopen.

25Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, teth

voor de ziel die Hem zoekt.

26Goed is het te hopen en stil te wachtenteth

op het heil van de HEERE.

27Goed is het voor een man, als hijteth

een juk draagt in zijn jeugd.

28Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, jod

omdat Hij het hem opgelegd heeft.

29Laat hij zijn mond in het stof steken: jod

3:29
Hand. 8:22
misschien is er hoop.

30Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, jod

laat hij met smaad verzadigd worden.

31Want niet voor eeuwig verstootkaph

de Heere!

32Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermenkaph

naar de grootheid van Zijn goedertierenheid.

33Want niet van harte verdrukt Hijkaph

en bedroeft Hij mensenkinderen.

34Dat men vertrapt onder zijn voetenlamed

alle gevangenen van de aarde;

35dat men het recht van een man buigtlamed

voor het aangezicht van de Allerhoogste;

36dat men een mens in zijn rechtszaak in het ongelijk stelt; lamed

zou de Heere het niet zien?

37

3:37
Ps. 33:9
Wie zegt iets en het gebeurt, mem

als de Heere het niet gebiedt?

38

3:38
Jes. 45:7
Amos 3:6
Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voortmem

het kwade en het goede?

39Wat klaagt dan een mens die leeft? mem

Laat ieder klagen over zijn zonden!

40Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, nun

en laten wij terugkeren tot de HEERE!

41Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen, nun

tot God in de hemel!

42Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! nun

Ú hebt niet vergeven!

43U hebt U in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; samech

U hebt gedood, U hebt niet gespaard.

44U hebt U in een wolk gehuld, samech

zodat er geen gebed doorkwam.

45Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaaktsamech

in het midden van de volken!

46Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, pe

al onze vijanden.

47Angst en valkuil zijn over ons gekomen, pe

de verwoesting en de ondergang.3:47 ondergang - Letterlijk: breuk; zie ook vers 48.

48Waterbeken stromen neer uit mijn oogpe

vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk.

49Mijn oog vloeit van tranen en kan niet ophouden, ain

omdat er geen rust is;

50totdat de HEERE neerkijkt en zietain

uit de hemel.

51Mijn oog doet mijn ziel kwelling aanain

vanwege al de dochters van mijn stad.

52Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, tsade

hebben fel op mij gejaagd als op een vogel.

53Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, tsade

en hebben een steen op mij geworpen.

54Water heeft mijn hoofd overstroomd; tsade

ik zei: Ik ben afgesneden!

55Ik heb Uw Naam aangeroepen, HEERE, koph

vanuit het diepste van de put.

56U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor nietkoph

voor mijn zuchten, voor mijn hulpgeroep.

57U bent nabij geweest op de dag dat ik U aanriep; koph

U hebt gezegd: Wees niet bevreesd!

58U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, resj

U hebt mijn leven verlost.

59U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; resj

verschaf mij recht.

60U hebt al hun wraakzucht gezien, resj

al hun plannen waren tegen mij.

61U hebt hun smaden gehoord, HEERE, sin, sjin

al hun plannen waren tegen mij;

62de taal van mijn tegenstanders3:62 de taal van mijn tegenstanders - Letterlijk: de lippen van wie tegen mij opstaan. en hun gemompelsin, sjin

tegen mij de hele dag.

63Aanschouw hun zitten en opstaan: sin, sjin

ik ben hun spotlied.

64Vergeldt u hun, HEERE, wat zij verdienen, taw

naar het werk van hun handen.

65Geeft U hun een deksel op het hart; taw

laat Uw vloek over hen zijn!

66Achtervolgt U hen in toorn en vaagt U hen wegtaw

van onder de hemel van de HEERE.

4

Klaaglied over het lot van het Joodse volk

41Hoe is het goud donker geworden, aleph

het goede, fijne goud veranderd!

De stenen van het heiligdom liggen in het rond

op de hoeken van alle straten!

2De kostbare kinderen van Sion, beth

eens gewaardeerd als zuiver goud,

hoe worden zij nu beschouwd als aarden kruiken,

het werk van pottenbakkershanden!

3Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, gimel

om ze te laten zuigen;

maar de dochter van mijn volk is zo wreed geworden

als struisvogels in de woestijn.

4De tong van de zuigeling kleeftdaleth

aan zijn gehemelte van dorst.

Kleine kinderen vragen om brood,

niemand verstrekt het hun.

5Zij die eens lekkernijen aten, he

kwijnen nu weg op de straten;

zij die eens met karmozijnrode stof vertrouwd waren,

omarmen nu het vuil.

6Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volkwaw

dan de zonde van Sodom,

dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,

zonder toedoen van mensenhanden.

7Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, zain

blanker dan melk,

roder van lichaam dan robijnen;

hun gestalte was gladder dan een saffier.

8Maar zwarter dan roet is nu hun gestalte, cheth

onherkenbaar zijn zij op de straten.

Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,

ze is verdord, ze is geworden als hout.

9Zij die vielen door het zwaard zijn beter afteth

dan zij die vielen door de honger,

want als doorstoken kwijnen die weg

omdat de velden niets opbrengen.4:9 omdat … opbrengen - Letterlijk: zonder opbrengsten van de velden.

10De handen van barmhartige vrouwenjod

hebben hun eigen kinderen gekookt.

Zij zijn hun tot voedsel geworden

bij de ondergang4:10 ondergang - Letterlijk: breuk. van de dochter van mijn volk.

11De HEERE heeft Zijn grimmigheid ten uitvoer gebracht, kaph

Hij heeft Zijn brandende toorn uitgestort.

Hij stak in Sion een vuur aan,

dat haar fundamenten verteerde.

12De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, lamed

al de wereldbewoners evenmin,

dat tegenstander of vijand zou komen

binnen de poorten van Jeruzalem.

13Het is vanwege de zonden van haar profeten, mem

vanwege de ongerechtigheden van haar priesters,

die in haar midden vergoten hebben

het bloed van de rechtvaardigen.

14Blind wankelden zij op de straten, nun

met bloed besmet,

zodat men hun kleren

niet kon aanraken.

15Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen.samech

Ga opzij! Ga opzij! Raak ons niet aan!

Voorzeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; men zei onder de heidenvolken:

Zij mogen hier niet langer verblijven.

16Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid.pe

Hij zal hen voortaan niet meer aanzien.

Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters,4:16 geen ontzag … priesters - Letterlijk: Zij hebben het aangezicht van de priesters niet verheven.

de oudsten hebben zij geen genade bewezen.

17Voortdurend bezweken onze ogen, ain

uitziend naar hulp voor ons. Tevergeefs.

4:17
Ezech. 29:16
Op onze uitkijkposten keken wij uit

naar een volk dat niet verlossen kon.

18Zij jaagden onze voetstappen na; tsade

wij konden op onze pleinen niet gaan.

Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,

voorzeker, ons einde is gekomen.

19Onze vervolgers waren sneller koph

dan arenden in de lucht!

Op de bergen achtervolgden zij ons fel,

in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.

20Onze levensadem,4:20 Onze levensadem - Letterlijk: De adem van onze neuzen. de gezalfde van de HEERE, resj

is in hun kuilen gevangen,

hij van wie wij gezegd hadden:

in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!

21Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin

die in het land Uz woont!

De beker zal ook bij u langskomen:

u zult dronken worden en ontbloot worden.

22Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! taw

Hij zal u niet meer in ballingschap voeren!

Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!

Hij zal uw zonden openbaren!