Herziene Statenvertaling (HSV)
4

De gelijkenis van de zaaier

41En

4:1
Matt. 13:1
Luk. 8:4
Hij begon weer onderwijs te geven bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in een schip ging zitten, op zee; en heel de menigte was op het land aan de zee.

2En Hij onderwees hun veel dingen door gelijkenissen en zei in Zijn onderricht tegen hen:

3Luister! Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien.

4En het gebeurde bij het zaaien dat het ene deel van het zaad langs de weg viel; en de vogels in de lucht kwamen en aten het op.

5En een ander deel viel op steenachtige grond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had.

6Maar toen de zon opgegaan was, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7En een ander deel viel in de dorens, en de dorens kwamen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

8En nog een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht; het kwam op en groeide, en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoudig.

9En Hij zei tegen hen: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

10

4:10
Matt. 13:10
Luk. 8:9
En toen Hij alleen was, vroegen zij die om Hem heen waren, met de twaalf, Hem naar de gelijkenis.

11En Hij zei tegen hen:

4:11
Matt. 11:25
2 Kor. 2:14
Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van God te kennen;
4:11
2 Kor. 3:14
maar tot degenen die buiten zijn, komt alles door gelijkenissen,

12

4:12
Jes. 6:9
Matt. 13:14
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
opdat zij ziende zien en niet doorzien, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet op enig moment bekeren en de zonden hun vergeven worden.

13En Hij zei tegen hen: Begrijpt u deze gelijkenis niet? En hoe zult u dan alle gelijkenissen verstaan?

14

4:14
Matt. 13:19
Luk. 8:11
De zaaier is hij die het Woord zaait.

15En dit zijn zij bij wie langs de weg gezaaid is: in wie het Woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, komt de satan meteen en neemt het Woord weg dat in hun hart gezaaid was.

16En evenzo zijn dit degenen in wie op de steenachtige grond gezaaid wordt: die, als zij het Woord gehoord hebben, het meteen met vreugde ontvangen,

17en geen wortel in zichzelf hebben, maar zij zijn mensen van het ogenblik; als er later verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelen zij meteen.

18En dit zijn zij bij wie in de dorens gezaaid wordt: zij horen het Woord,

19

4:19
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

20En dit zijn zij bij wie in de goede aarde gezaaid wordt: zij horen het Woord en nemen het aan en dragen vrucht, de één dertig-, en de ander zestig-, en de ander honderdvoudig.

De gelijkenis van de lamp

21

4:21
Matt. 5:15
Luk. 8:16
11:33
Hij zei ook tegen hen: De lamp wordt toch niet binnengebracht om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?

22

4:22
Job 12:22
Matt. 10:26
Luk. 8:17
12:2
Want er is niets verborgen wat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.

23Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen.

24En Hij zei tegen hen: Let op wat u hoort.

4:24
Matt. 7:2
Luk. 6:38
Met de maat waarmee u meet, zal er bij u gemeten worden, en aan u die hoort, zal er meer bij gegeven worden.

25

4:25
Matt. 13:12
25:29
Luk. 8:18
19:26
Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft.

De gelijkenis van het zaad

26Ook zei Hij: Zo is het Koninkrijk van God: als wanneer iemand het zaad in de aarde werpt

27en slaapt en opstaat, nacht en dag; en het zaad ontkiemt en komt op, zonder dat hij zelf weet hoe.

28Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst de halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

29En als de vrucht het toelaat, zendt hij meteen de sikkel erin, omdat de oogsttijd aangebroken is.

De gelijkenis van het mosterdzaad

30

4:30
Matt. 13:31
Luk. 13:18
En Hij zei: Waarmee zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of door welke gelijkenis zullen wij het voorstellen?

31Door een mosterdzaad dat, als het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden die er op de aarde zijn.

32En wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt het grootste van alle tuingewassen, en maakt grote takken, zodat de vogels in de lucht een nest kunnen maken in zijn schaduw.

33

4:33
Matt. 13:34
En door veel van zulke gelijkenissen sprak Hij het Woord tot hen, voor zover zij het horen konden,

34en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, maar Hij verklaarde alles aan Zijn discipelen als zij alleen waren.

Jezus stilt de storm

35

4:35
Matt. 8:23
Luk. 8:22
En op die dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: Laten wij overvaren naar de overkant.

36En zij lieten de menigte achter en namen Hem, Die al in het schip was, mee; en er waren nog andere scheepjes bij Hem.

37En er stak een harde stormwind op en de golven sloegen over in het schip, zodat het al volliep.

38En Hij lag in het achterschip te slapen op een hoofdkussen; en zij wekten Hem en zeiden tegen Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?

39En Hij, wakker geworden,

4:39
Job 26:12
Ps. 107:29
Jes. 51:10
bestrafte de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er kwam een grote stilte.

40En Hij zei tegen hen: Waarom bent u zo angstig? Hebt u dan geen geloof?

41En zij vreesden met grote vrees en zeiden tegen elkaar: Wie is Deze toch, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

5

De genezing van de bezetene van Gadara

51En

5:1
Matt. 8:28
Luk. 8:26
zij kwamen aan de overkant van de zee, in het land van de Gadarenen.

2En toen Hij uit het schip gegaan was, kwam Hem meteen uit de grafspelonken iemand met een onreine geest tegemoet.

3Hij hield in de grafspelonken verblijf, en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketenen.

4Hij was namelijk dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest, maar de ketenen waren door hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was in staat hem in bedwang te houden.

5En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de grafspelonken en hij schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen.

6Toen hij nu Jezus uit de verte zag, snelde hij naar Hem toe en aanbad Hem,

7en met luide stem schreeuwde hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God dat U mij niet pijnigt!

8(Want Hij had tegen hem gezegd: Onreine geest, ga uit van deze man!)

9En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen.

10En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet het land uit zou sturen.

11Nu was daar bij de bergen een grote kudde varkens aan het grazen.

12En alle demonen smeekten Hem: Stuur ons naar die varkens, opdat wij daarin mogen gaan.

13En Jezus stond het hun meteen toe. En toen de onreine geesten uit de man weggegaan waren, gingen zij in de varkens; en de kudde stortte van de steilte af de zee in (het waren er ongeveer tweeduizend), en ze verdronken in de zee.

14En zij die de varkens weidden, vluchtten en berichtten het gebeurde in de stad en op het land; en ze liepen uit om te zien wat er gebeurd was.

15En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, namelijk hem die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

16En zij die het gezien hadden, vertelden hun wat er met de bezetene gebeurd was, en ook over de varkens.

17

5:17
Hand. 16:39
En zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.

18

5:18
Luk. 8:38
En toen Hij in het schip ging, smeekte degene die bezeten was geweest Hem of hij bij Hem mocht blijven.

19Jezus stond hem dat echter niet toe, maar zei tegen hem: Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.

20Toen ging hij weg en begon in het gebied van Dekapolis alles te verkondigen wat Jezus voor hem gedaan had, en ze verwonderden zich allen.

Het dochtertje van Jaïrus opgewekt; een zieke vrouw genezen

21

5:21
Luk. 8:40
En toen Jezus opnieuw in het schip naar de overkant gevaren was, verzamelde zich een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee.

22

5:22
Matt. 9:18
Luk. 8:41
En zie, er kwam een van de hoofden van de synagoge, wiens naam Jaïrus was; en toen hij Hem zag, wierp hij zich neer aan Zijn voeten

23en smeekte Hem dringend: Mijn dochtertje ligt op sterven; ik smeek U dat U komt en de handen op haar legt, zodat zij behouden wordt en zal leven.

24En Hij ging met hem mee; en een grote menigte volgde Hem en zij drongen tegen Hem aan.

25

5:25
Lev. 15:25
Matt. 9:20
Luk. 8:43
En een zekere vrouw, die al twaalf jaar bloedvloeiingen had,

26en veel geleden had door toedoen van veel dokters, en alles wat zij bezat, daaraan uitgegeven had en geen baat gevonden had, maar met wie het veeleer erger geworden was,

27deze had van Jezus gehoord en kwam van achteren de menigte in en raakte Zijn bovenkleed aan,

28want zij zei: Als ik maar Zijn kleren kan aanraken, zal ik gezond worden.

29En meteen droogde de bron van haar bloed op, en merkte zij aan haar lichaam dat zij van die aandoening5:29 aandoening - Letterlijk: gesel. genezen was.

30En meteen toen Jezus bij Zichzelf merkte dat er

5:30
Luk. 6:19
kracht van Hem uitgegaan was, keerde Hij Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?

31En Zijn discipelen zeiden tegen Hem: U ziet dat de menigte tegen U opdringt, en zegt U dan: Wie heeft Mij aangeraakt?

32Maar Hij keek om Zich heen om haar te zien die dat gedaan had.

33En de vrouw, die bevreesd was en beefde, omdat zij wist wat er met haar gebeurd was, kwam en wierp zich voor Hem neer en vertelde Hem de volle waarheid.

34

5:34
Matt. 9:22
Mark. 10:52
Toen zei Hij tegen haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw aandoening.

35

5:35
Luk. 8:49
Terwijl Hij nog sprak, kwamen er enigen van het huis van het hoofd van de synagoge, die zeiden: Uw dochter is gestorven; waarom valt u de Meester nog lastig?

36En zodra Jezus het woord gehoord had dat er gesproken werd, zei Hij tegen het hoofd van de synagoge: Wees niet bevreesd, geloof alleen.

37En Hij liet niemand toe Hem te volgen dan Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.

38En Hij kwam bij het huis van het hoofd van de synagoge en zag de opschudding en hen die luid huilden en jammerden.

39En toen Hij naar binnen gegaan was, zei Hij tegen hen: Waarom maakt u misbaar en huilt u?

5:39
Joh. 11:11
Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

40Zij lachten Hem echter uit, maar Hij stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het kind en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het kind lag.

41En Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op.

42En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar; en zij waren geheel buiten zichzelf.5:42 en zij waren geheel buiten zichzelf - Letterlijk: zij ontstelden met grote ontsteltenis.

43En Hij gebood hun met klem dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven.

6

Jezus in Nazareth veracht

61En

6:1
Matt. 13:53
Luk. 4:16
Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn vaderstad en Zijn discipelen volgden Hem.

2En toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te onderwijzen; en velen die luisterden, stonden er versteld van en zeiden: Waar heeft Deze die dingen vandaan en wat is dit voor wijsheid die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren?

3

6:3
Joh. 6:42
Is Dit niet de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus en Joses en van Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.

4En Jezus zei tegen hen:

6:4
Matt. 13:57
Luk. 4:24
Joh. 4:44
Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en bij zijn familie en in zijn huis.

5

6:5
Matt. 13:58
En Hij kon daar geen kracht doen, maar Hij legde slechts enkele zieken de handen op en genas hen.

6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. En Hij

6:6
Matt. 9:35
Luk. 13:22
trok de dorpen in de omgeving rond en gaf er onderwijs.

De uitzending van de twaalf

7

6:7
Matt. 10:1
Luk. 6:13
9:1
En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun macht over de onreine geesten.

8En Hij gebood hun dat zij niets mee zouden nemen voor onderweg dan alleen een staf: geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel;

9

6:9
Hand. 12:8
maar dat zij wel sandalen zouden aanbinden en niet met twee stel onderkleren gekleed zouden zijn.

10En Hij zei tegen hen: Waar u een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u uit die plaats vertrekt.

11

6:11
Matt. 10:14
Luk. 9:5
En als er zullen zijn die u niet ontvangen en niet naar u luisteren,
6:11
Hand. 13:51
18:6
schud dan, als u vandaar weggaat, het stof af dat onder uw voeten zit, tot een getuigenis tegen hen.
6:11
Matt. 10:15
Luk. 10:12
Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad.

12En toen zij weggegaan waren, predikten zij dat men zich moest bekeren.

13En zij dreven veel demonen uit

6:13
Jak. 5:14
en zalfden veel zieken met olie en maakten hen gezond.

De dood van Johannes de Doper

14

6:14
Matt. 14:1
Luk. 9:7
En koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: Johannes die doopte, is uit de doden opgewekt en daarom zijn die krachten werkzaam in Hem.

15Anderen zeiden: Hij is Elia; en weer anderen zeiden: Hij is een profeet, of Hij is als een van de profeten.

16Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: Dit is Johannes die ik onthoofd heb; die is uit de doden opgewekt.

17

6:17
Matt. 14:3
Luk. 3:19
9:9
Want Herodes had zelf enigen eropuit gestuurd en Johannes gevangengenomen en hem geboeid in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had;

18want Johannes had tegen Herodes gezegd:

6:18
Lev. 18:16
20:21
Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.

19En Herodias had het op hem gemunt en wilde hem doden, maar zij kon dat niet,

20want Herodes was bevreesd voor Johannes, omdat hij wist dat deze een

6:20
Matt. 14:5
21:26
rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en als hij hem aangehoord had, ondernam hij vele dingen, en hij luisterde graag naar hem.

21En toen er een geschikte dag aangebroken was en Herodes

6:21
Gen. 40:20
Matt. 14:6
op zijn verjaardag een maaltijd had aangericht voor zijn rijksgroten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galilea,

22kwam de dochter van deze Herodias binnen en danste. En zij behaagde Herodes en degenen die mee aanlagen. Toen zei de koning tegen het meisje: Vraag van mij wat je maar wilt, en ik zal het je geven.

23

6:23
Richt. 11:30
En hij zwoer haar: Wat je van mij ook maar vraagt, ik zal het je geven, tot zelfs de helft van mijn koninkrijk.

24En zij ging weg en zei tegen haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.

25En zij ging meteen naar binnen, liep haastig naar de koning toe en vroeg: Ik wil dat u mij ogenblikkelijk op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.

26En de koning werd zeer bedroefd, maar wilde haar omwille van de eden en omwille van hen die mee aanlagen, niet afwijzen.

27

6:27
Matt. 14:10
En de koning stuurde meteen een scherprechter en beval zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28en hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder.

29En toen zijn discipelen dit hoorden, kwamen zij en namen zijn dode lichaam weg en legden het in een graf.

De wonderbare spijziging

30

6:30
Luk. 9:10
En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij onderwezen hadden.

31En Hij zei tegen hen: Komt u zelf mee naar een eenzame plaats, alleen, en rust wat uit; want er waren er velen die kwamen en die gingen,

6:31
Mark. 3:20
en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.

32

6:32
Matt. 14:13
Luk. 9:10
Joh. 6:1
En zij vertrokken in een schip naar een eenzame plaats, alleen.

33En de menigten zagen hen weggaan, en velen herkenden Hem en gingen uit alle steden gezamenlijk te voet daarnaartoe; en zij kwamen er vóór hen aan en gingen samen naar Hem toe.

34En toen Jezus uit het schip ging,

6:34
Matt. 9:36
14:4
zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen,
6:34
Jer. 23:1
Ezech. 34:2
want zij waren als schapen die geen herder hebben;
6:34
Luk. 9:11
en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen.

35

6:35
Matt. 14:15
Luk. 9:12
Joh. 6:5
En toen het al laat geworden was,6:35 het … was - Letterlijk: het uur veel geworden was. kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat;

36stuur hen weg, opdat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen kunnen gaan en broden voor zichzelf kopen, want zij hebben niets te eten.

37Maar Hij antwoordde hun en zei: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen6:37 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. brood gaan kopen en hun te eten geven?

38En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga eens kijken.

6:38
Matt. 14:17
Luk. 9:13
Joh. 6:9
En toen zij het te weten gekomen waren, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39En Hij droeg hun op om allen in groepen te laten gaan zitten in het groene gras.

40En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.

41En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had,

6:41
Joh. 17:1
keek Hij op naar de hemel,
6:41
1 Sam. 9:13
zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij die aan hen zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.

42En zij aten allen en werden verzadigd.

43En zij raapten twaalf manden vol met stukken brood op, en wat over was van de vissen.

44En die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.

Jezus loopt op de zee

45

6:45
Matt. 14:22
Joh. 6:17
En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hijzelf de menigte weg zou sturen.

46

6:46
Matt. 14:23
Luk. 6:12
En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.

47

6:47
Matt. 14:23
Joh. 6:16
En toen het avond was geworden, was het schip midden op de zee en Hijzelf was alleen op het land.

48En Hij zag dat zij veel moeite moesten doen om het schip vooruit te krijgen, want zij hadden de wind tegen; en omstreeks de vierde nachtwake kwam Hij, lopend op de zee, naar hen toe en wilde hun voorbijgaan.

49En toen zij Hem zagen lopen op de zee, dachten zij dat het een spook was en schreeuwden luid,

50want allen zagen Hem en raakten in verwarring; en meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

51En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen; en zij waren innerlijk volkomen buiten zichzelf en zij verwonderden zich,

52want zij hadden bij het wonder van de broden niets begrepen, omdat hun hart verhard was.

53

6:53
Matt. 14:34
En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret en legden daar aan.

54En toen zij uit het schip gegaan waren, herkende men Hem meteen.

55En men liep heel die streek door en begon op ligmatten hen die er slecht aan toe waren met zich mee te dragen naar de plaats waarvan ze hoorden dat Hij daar was.

56En waar Hij ook kwam, in dorpen of steden of in gehuchten, daar legden ze de zieken op de markten en smeekten Hem of zij al was het maar de zoom van Zijn bovenkleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden gezond.