Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De wonderbare visvangst

51En

5:1
Matt. 13:2
Mark. 4:1
het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij bij het meer Gennesaret stond.

2En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.

3Hij ging aan boord van een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land af te varen, en Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit het schip.

4Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon:

5:4
Joh. 21:6
Vaar naar het diepe gedeelte en werp uw netten uit om te vangen.

5Maar Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben heel de nacht gewerkt en niets gevangen, maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6En nadat zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote hoeveelheid vissen en hun net begon te scheuren.

7En zij wenkten hun metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen moesten komen helpen. Die kwamen en zij vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.

8Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus en zei: Heere, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.

9Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen die zij gedaan hadden;

10en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd,

5:10
Jer. 16:16
Ezech. 47:9
Matt. 4:19
Mark. 1:17
van nu aan zult u mensen vangen.

11En nadat zij de schepen aan land gebracht hadden,

5:11
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 18:28
lieten zij alles achter en volgden Hem.

De reiniging van een melaatse

12

5:12
Matt. 8:2
Mark. 1:40
En toen Hij in een van die steden was, gebeurde het, zie, dat er een man vol melaatsheid was. En toen hij Jezus zag, wierp hij zich met het gezicht ter aarde en bad Hem: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

13En Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen verliet de melaatsheid hem.

14En Hij beval hem dat hij het aan niemand zou vertellen. Maar ga heen, zei Hij, laat uzelf aan de priester zien, en breng een offer voor uw reiniging,

5:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
zoals Mozes bevolen heeft, tot een getuigenis voor hen.

15Het gerucht over Hem verspreidde zich echter des te meer en een grote menigte kwam bijeen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

16Maar Hij vertrok naar de woestijnen en bad daar.

De genezing van een verlamde

17En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwijs gaf en dat er Farizeeën en leraars van de wet zaten, die van alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem gekomen waren. En er was kracht van de Heere om hen te genezen.

18

5:18
Matt. 9:1
Mark. 2:3
Hand. 9:33
En zie, enkele mannen brachten op een bed een man die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen;

19maar toen zij vanwege de menigte geen mogelijkheid vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij het dak op en lieten hem, tussen de daktegels door, met het bed neer in het midden, vóór Jezus.

20En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Man, uw zonden zijn u vergeven.

21En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: Wie is deze Man Die godslastering spreekt?

5:21
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

22Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overlegt u in uw hart?

23Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en ga lopen?

24Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

25En hij stond onmiddellijk voor hun ogen op, en nadat hij datgene opgenomen had waarop hij gelegen had, ging hij naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.

26En ontsteltenis greep hen allen aan en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees en zeiden: Wij hebben vandaag ongelofelijke dingen gezien.

De roeping van Levi

27

5:27
Matt. 9:9
Mark. 2:14,15
En hierna ging Hij weg, en Hij zag een tollenaar, van wie de naam Levi was, in het tolhuis zitten en Hij zei tegen hem: Volg Mij!

28En hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.

29En Levi bereidde voor Hem een grote maaltijd in zijn huis

5:29
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 15:1
en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanlagen.

30En hun schriftgeleerden en de Farizeeën morden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?

31Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

32

5:32
Matt. 9:13
Luk. 19:10
1 Tim. 1:15
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

33

5:33
Matt. 9:14
En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen zij gebeden, en evenzo ook de discipelen van de Farizeeën, maar die van U eten en drinken?

34Maar Hij zei tegen hen:

5:34
Jes. 62:5
2 Kor. 11:2
Kunt u de bruiloftsgasten laten vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is?

35De dagen zullen echter komen, wanneer de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn; dan, in die dagen, zullen zij vasten.

36Hij sprak ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed; anders zal de nieuwe lap het oude bovenkleed doen scheuren, en de lap van het nieuwe past niet bij het oude.

37En niemand doet

5:37
Matt. 9:17
Mark. 2:22
nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de zakken doen barsten en de wijn zelf zal eruit stromen en de zakken zullen verloren gaan.

38Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen en beide blijven ze behouden.

39En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe, want hij zegt: De oude is beter.

6

Aren plukken op de sabbat

61En

6:1
Deut. 23:25
Matt. 12:1
Mark. 2:23
het gebeurde op de tweede sabbat na het Paasfeest6:1 de tweede sabbat na het Paasfeest - Letterlijk: de tweede-eerste sabbat. dat Hij door de korenvelden ging; en Zijn discipelen plukten aren, wreven die met de handen stuk en aten ze op.

2Sommigen van de Farizeeën zeiden tegen hen: Waarom doet u

6:2
Ex. 20:10
wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat?

3Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hebt u ook dat niet gelezen wat

6:3
1 Sam. 21:6
David deed toen hij honger had, en zij die bij hem waren?

4Hoe hij het huis van God binnengegaan is en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan hen die bij hem waren, broden die niemand mag eten

6:4
Lev. 24:9
dan alleen de priesters?

5En Hij zei tegen hen:

6:5
Matt. 12:8
Mark. 2:28
De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

De tweede genezing op de sabbat

6

6:6
Matt. 12:9
Mark. 3:1
Het gebeurde ook op een andere sabbat dat Hij in de synagoge kwam en onderwijs gaf. En er was daar iemand van wie de rechterhand verschrompeld was.

7De schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op Hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen.

8Maar Hij kende hun overwegingen en zei tegen de man met de verschrompelde hand: Sta op en ga in het midden staan; en hij stond op en ging daar staan.

9Jezus nu zei tegen hen: Ik vraag u: wat is geoorloofd op de sabbat: goed te doen of kwaad te doen, een mens6:9 mens - Letterlijk: ziel. te behouden of om te laten komen?

10En nadat Hij hen allen rondom aangekeken had, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. Hij deed dat

6:10
1 Kon. 13:6
en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.

11Zij waren vol woede en spraken er met elkaar over wat zij met Jezus zouden doen.

De roeping van de twaalf discipelen

12

6:12
Matt. 14:23
Het gebeurde in die dagen dat Hij naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God.

13

6:13
Matt. 10:1
Mark. 3:13
6:7
Luk. 9:1
En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:

14Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs;

15Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd,

16Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

De toeloop van de menigte

17

6:17
Matt. 4:25
Mark. 3:7
En toen Hij met hen afgedaald was, bleef Hij staan op een vlakke plaats en met Hem een menigte van Zijn discipelen en een grote menigte van het volk uit heel Judea en Jeruzalem en van de zeekant van Tyrus en Sidon,

18die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden, ook zij die gekweld werden door onreine geesten; en zij werden genezen.

19En heel de menigte probeerde Hem aan te raken,

6:19
Mark. 5:30
want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.

De zaligsprekingen

20

6:20
Matt. 5:2
En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

21

6:21
Jes. 65:13
Zalig bent u die nu honger hebt, want u zult verzadigd worden.
6:21
Jes. 61:3
66:10
Zalig bent u die nu huilt, want u zult lachen.

22

6:22
Matt. 5:11
1 Petr. 2:19
3:14
4:14
Zalig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitstoten en u smaden en uw naam als slecht verwerpen omwille van de Zoon des mensen.

23

6:23
Hand. 5:41
Verblijd u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel.
6:23
Hand. 7:51
Hun vaderen deden immers evenzo met de profeten.

24

6:24
Amos 6:1,8
Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost al.

25

6:25
Jes. 65:13
Wee u, die verzadigd bent, want u zult hongerlijden. Wee u die nu lacht,
6:25
Jak. 4:9
5:1
want u zult treuren en huilen.

26Wee u, wanneer alle mensen goed van u spreken, want hun vaderen deden evenzo met de valse profeten.

Heb uw vijanden lief

27Maar Ik zeg tegen u die dit hoort:

6:27
Ex. 23:4
Spr. 25:21
Matt. 5:44
Rom. 12:20
1 Kor. 4:12
Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.

28Zegen hen die u vervloeken, en

6:28
Luk. 23:34
Hand. 7:60
bid voor hen die u belasteren.

29

6:29
1 Kor. 6:7
Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen.

30

6:30
Deut. 15:7
Matt. 5:42
Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is.

31

6:31
Matt. 7:12
En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.

32

6:32
Matt. 5:46
En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben.

33En als u goeddoet aan hen die u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde.

34

6:34
Deut. 15:8
Matt. 5:42
En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen.

35Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u

6:35
Matt. 5:45
kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.

36Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.

De splinter en de balk

37

6:37
Matt. 7:1
Rom. 2:1
1 Kor. 4:5
Oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; veroordeel niet en u zult niet veroordeeld worden; laat los en u zult losgelaten worden.

38

6:38
Spr. 10:22
19:17
Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven,
6:38
Matt. 7:2
Mark. 4:24
want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

39Hij sprak tot hen een gelijkenis:

6:39
Jes. 42:19
Matt. 15:14
Een blinde kan toch niet een blinde op de weg geleiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen?

40

6:40
Matt. 10:24
Joh. 13:16
15:20
Een discipel staat niet boven zijn meester, maar iedere volmaakte discipel zal net als zijn meester zijn.

41

6:41
Matt. 7:3
Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?

42Of hoe kunt u tegen uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, eruit haal, terwijl u zelf de balk in uw oog niet ziet? Huichelaar,

6:42
Spr. 18:17
haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter, die in het oog van uw broeder is, eruit te halen.

De boom en zijn vruchten

43

6:43
Matt. 7:17
12:33
Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt.

44Want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend.

6:44
Matt. 7:16
Men plukt immers geen vijgen van dorens en men oogst geen druif van doornstruiken.

45

6:45
Matt. 12:35
De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart, en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart,
6:45
Matt. 12:34
want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.

De wijze en de dwaze bouwer

46

6:46
Mal. 1:6
Matt. 7:21
25:11
Luk. 13:25
Rom. 2:13
Jak. 1:22
Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?

47

6:47
Matt. 7:24
Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u laten zien aan wie hij gelijk is.

48Hij is gelijk aan een man die een huis bouwde: hij groef en diepte uit en legde het fundament op de rots. Toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet doen wankelen, want het was op de rots gefundeerd.

49Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een man die een huis bouwde op de aarde zonder fundament. Toen de waterstroom ertegenaan sloeg, stortte het meteen in, en de val van dat huis was groot.

7

De hoofdman in Kapernaüm

71Nadat Hij al Zijn woorden beëindigd had ten aanhoren van het volk,

7:1
Matt. 8:5
ging Hij Kapernaüm binnen.

2En een dienaar van een zekere hoofdman over honderd, die hij zeer waardeerde, was ziek en lag op sterven.

3Toen hij over Jezus gehoord had, stuurde hij de oudsten van de Joden naar Hem toe en dezen vroegen Hem te komen en zijn dienaar gezond te maken.

4Toen die bij Jezus gekomen waren, smeekten zij Hem indringend en zeiden: Hij is het waard dat U dat voor hem doet,

5want hij heeft ons volk lief en heeft zelf de synagoge voor ons gebouwd.

6En Jezus ging met hen mee, maar toen Hij niet ver meer van het huis was, stuurde de hoofdman enkele vrienden naar Hem toe om tegen Hem te zeggen: Heere, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.

7Daarom heb ik ook mijzelf niet waard geacht naar U toe te komen, maar spreek een woord en mijn knecht zal genezen zijn.

8Want ik ben ook iemand die onder gezag van anderen gesteld is, en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de een: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.

9Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Hij keerde Zich om en zei tegen de menigte die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden.

10En toen zij die gestuurd waren, in het huis teruggekeerd waren, vonden zij de zieke dienaar gezond.

De jongeman in Naïn

11En het gebeurde op de volgende dag dat Hij naar een stad ging die Naïn heette, en veel van Zijn discipelen en een grote menigte gingen met Hem mee.

12Toen Hij nu de poort van de stad naderde, ziedaar, er werd een dode uitgedragen. Hij was de enige zoon van zijn moeder, en zij was weduwe, en een grote menigte uit de stad was bij haar.

13En toen de Heere haar zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over haar, en zei Hij tegen haar: Huil niet.

14En Hij ging naar de baar toe en raakte die aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeman, Ik zeg u,

7:14
Hand. 9:40
sta op!

15En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.

16En vrees greep hen allen aan en zij verheerlijkten God en zeiden:

7:16
Luk. 24:19
Joh. 4:19
6:14
9:17
Een groot Profeet is onder ons opgestaan; en:
7:16
Luk. 1:68
God heeft naar Zijn volk omgezien.

17En het gerucht over Hem ging rond in heel Judea en in heel de omgeving.

De vraag van Johannes de Doper

18

7:18
Matt. 11:2
En de discipelen van Johannes berichtten hem over al die dingen.

19En nadat Johannes twee van zijn discipelen bij zich geroepen had, stuurde hij hen naar Jezus met de vraag: Bent U het Die komen zou, of verwachten wij een ander?

20Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons naar U toe gestuurd met de vraag: Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?

21Op dat moment genas Hij velen van ziekten en aandoeningen en boze geesten; en aan veel blinden schonk Hij het gezichtsvermogen.

22En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ga heen en bericht Johannes wat u gezien en gehoord hebt, namelijk

7:22
Jes. 29:18
35:5
61:1
dat blinden ziende worden, kreupelen kunnen lopen, melaatsen gereinigd worden, doven kunnen horen, doden opgewekt worden en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.

23En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.

Jezus' getuigenis over Johannes

24

7:24
Matt. 11:7
Toen de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tegen de menigte over Johannes te zeggen: Waar bent u in de woestijn naar gaan kijken? Naar een riet dat door de wind heen en weer bewogen wordt?

25Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar iemand in kostbare kleren gekleed? Zie, zij die prachtige kleding dragen en in weelde leven, zijn in de paleizen.

26Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar een profeet? Ja, Ik zeg u, zelfs naar veel meer dan een profeet.

27Deze is het over wie geschreven staat:

7:27
Mal. 3:1
Mark. 1:2
Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die voor U uit Uw weg gereed zal maken.

28Want Ik zeg u: Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is niemand een groter profeet dan Johannes de Doper, maar de minste in het Koninkrijk van God is groter dan hij.

29En heel het volk dat naar Hem luisterde, en de tollenaars die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God,

30maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen het raadsbesluit van God met betrekking tot zichzelf, omdat ze niet door hem gedoopt wilden worden.

31

7:31
Matt. 11:16
En de Heere zei: Met wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en aan wie zijn zij gelijk?

32Zij zijn gelijk aan kinderen die op de markt zitten, en elkaar toeroepen en zeggen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, maar jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen voor jullie gezongen, maar jullie hebben niet gehuild.

33

7:33
Matt. 3:4
Mark. 1:6
Want Johannes de Doper is gekomen, hij at geen brood en hij dronk geen wijn, en u zegt: Hij heeft een demon.

34De Zoon des mensen is gekomen, Die wel at en dronk, en u zegt: Ziedaar, een vraatzuchtig mens en drinker, een vriend van tollenaars en zondaars.

35Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd door al Haar kinderen.

De zalving bij Simon de Farizeeër

36

7:36
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Joh. 11:2
12:3
En een van de Farizeeën vroeg of Hij bij hem kwam eten; en toen Hij het huis van de Farizeeër binnengegaan was, lag Hij aan.

37En zie, een vrouw in de stad die een zondares was, kwam te weten dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, en zij bracht een albasten fles met zalf mee.

38En staande achter Zijn voeten, begon zij huilend Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.

39Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had, dat zag, zei hij bij zichzelf:

7:39
Luk. 15:2
Deze Man zou, als Hij een profeet was, wel weten wie en wat voor vrouw het is die Hem aanraakt, want zij is een zondares.

40Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zei: Meester, zeg het.

41Jezus zei: Een zekere schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd penningen7:41 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. schuldig en de ander vijftig.

42Toen zij niets hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan: Wie van hen zal hem meer liefhebben?

43Simon antwoordde en zei: Ik denk dat hij het is aan wie hij het meeste kwijtgescholden heeft. Hij zei tegen hem: U hebt juist geoordeeld.

44En Hij keerde Zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water voor Mijn voeten hebt u niet gegeven, maar zij heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd;

45u hebt Mij geen kus gegeven, maar vanaf het moment dat zij binnengekomen is, heeft zij niet opgehouden Mijn voeten te kussen;

46met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.

47Daarom zeg Ik u: Haar zonden, die veel waren, zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar aan wie weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

48En Hij zei tegen haar:

7:48
Matt. 9:2
Uw zonden zijn u vergeven.

49En zij die mee aanlagen, begonnen bij zichzelf te zeggen:

7:49
Matt. 9:3
Wie is Deze Die ook zonden vergeeft?

50Maar Hij zei tegen de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!