Herziene Statenvertaling (HSV)
11

De opwekking van Lazarus

111En er was iemand ziek, Lazarus van Bethanië, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha.

2

11:2
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Luk. 7:37
Joh. 12:3
Maria nu was het die de Heere gezalfd heeft met mirre en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; haar broer Lazarus was ziek.

3Zijn zusters dan stuurden Hem de boodschap: Heere, zie, hij die U liefhebt, is ziek.

4En toen Jezus dat hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood,

11:4
Vers 40;
maar is er met het oog op de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt.

5Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.

6Toen Hij dan gehoord had dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was.

7Daarna zei Hij tegen de discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan.

8De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi,

11:8
Joh. 8:59
10:31
de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?

9Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet,

10maar als iemand 's nachts loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet bij hem is.

11Dit sprak Hij, en daarna zei Hij tegen hen: Lazarus, onze vriend,

11:11
Matt. 9:24
Mark. 5:39
Luk. 8:52
slaapt, maar Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken.

12Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zal hij gezond worden.

13Maar Jezus had over zijn dood gesproken, terwijl zij dachten dat Hij over de natuurlijke slaap sprak.

14Toen zei Jezus dan openlijk tegen hen: Lazarus is gestorven.

15En Ik ben blij voor u dat Ik daar niet was, opdat u gelooft; maar laten wij naar hem toe gaan.

16Thomas dan, die Didymus genoemd werd, zei tegen zijn medediscipelen: Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.

17Toen Jezus dan gekomen was, bleek dat hij al vier dagen in het graf lag.

18Bethanië nu lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën11:18 stadiën - Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. daarvandaan.

19En velen van de Joden waren naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten over hun broer.

20Zodra Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, maar Maria bleef in huis zitten.

21Martha nu zei tegen Jezus: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn,

22maar ook nu weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.

23Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.

24Martha zei tegen Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de

11:24
Dan. 12:2
Luk. 14:14
Joh. 5:29
opstanding op de laatste dag.

25Jezus zei tegen haar:

11:25
Joh. 1:4
5:24
14:6
Ik ben de Opstanding en het Leven;
11:25
Joh. 3:16,36
6:47
1 Joh. 5:10
wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven,

26

11:26
Joh. 6:51
en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat?

27Zij zei tegen Hem: Ja, Heere,

11:27
Matt. 16:16
Mark. 8:29
Luk. 9:20
Joh. 6:69
ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.

28En na dit gezegd te hebben ging zij weg en riep Maria, haar zuster, onopgemerkt en zei: De Meester is er en Hij roept u.

29Zodra die dat hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe.

30Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar was op de plaats waar Martha Hem tegemoetgekomen was.

31Toen dan de Joden, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar en zeiden: Zij gaat naar het graf om daar te huilen.

32Zodra dan Maria kwam waar Jezus was, en Hem zag, viel zij aan Zijn voeten en zei tegen Hem: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.

33Toen Jezus haar dan zag huilen, en ook de Joden die met haar meekwamen, zag huilen, werd Hij heftig in de geest bewogen en raakte innerlijk in beroering.11:33 raakte innerlijk in beroering - Letterlijk: bracht Zichzelf in beroering.

34En Hij zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tegen Hem: Heere, kom het zien.

35

11:35
Luk. 19:41
Jezus weende.

36De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had!

37En sommigen van hen zeiden: Kon Hij

11:37
Joh. 9:6
Die de ogen van de blinde geopend heeft, ook niet maken dat deze niet gestorven was?

38Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf. Het was een grot, en er was een steen op gelegd.

39Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tegen Hem: Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.

40Jezus zei tegen haar: Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien?

41Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen omhoog en zei: Vader, Ik dank U dat U Mij verhoord hebt.

42En Ik wist dat U Mij altijd verhoort,

11:42
Joh. 12:30
maar ter wille van de menigte die om Mij heen staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.

43En toen Hij dit gezegd had, riep Hij met een luide stem: Lazarus, kom naar buiten!

44En de gestorvene kwam naar buiten, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn gezicht was omwonden

11:44
Joh. 20:7
met een zweetdoek. Jezus zei tegen hen: Maak hem los en laat hem weggaan.

45Velen dan van de Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

46Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en zeiden tegen hen wat Jezus gedaan had.

De Raad besluit om Jezus te doden

47

11:47
Ps. 2:2
Matt. 26:3
Mark. 14:1
Luk. 22:2
Hand. 4:27
De overpriesters dan en de Farizeeën riepen de Raad bijeen en zeiden:
11:47
Joh. 12:19
Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.

48Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.

49Maar een van hen, Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was, zei tegen hen: U weet niets,

50en u overweegt niet

11:50
Joh. 18:14
dat het nuttig voor ons is dat één Mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.

51Dit zei hij echter niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk,

52en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid,

11:52
Efez. 2:14,15,16
bijeen te brengen.

53Vanaf die dag dan waren zij vastbesloten om Hem te doden.

54Jezus dan verkeerde niet meer openlijk onder de Joden, maar Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.

55En het Pascha van de Joden was nabij en velen uit dat land gingen naar Jeruzalem, vóór het Pascha, om zich te reinigen.

56

11:56
Joh. 7:11
Zij dan zochten Jezus en zeiden onder elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: Wat denkt u? Dat Hij niet op het feest komt?

57De overpriesters nu en de Farizeeën hadden de opdracht gegeven dat, als iemand wist waar Hij was, hij het hun te kennen zou geven, zodat zij Hem konden grijpen.

12

De zalving van Jezus in Bethanië

121Jezus

12:1
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Luk. 7:37
Joh. 11:2
dan kwam zes dagen voor het Pascha in Bethanië, waar Lazarus was, die gestorven was maar die Hij uit de doden opgewekt had.

2Zij nu bereidden daar een maaltijd voor Hem, en Martha bediende; en Lazarus was een van hen die met Hem aanlagen.

3Maria dan nam een pond zuivere narduszalf van zeer grote waarde, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd vervuld met de geur van de zalf.

4Toen zei een van Zijn discipelen, Judas Iskariot, de zoon van Simon, die Hem verraden zou:

5

12:5
Mark. 14:5
Waarom is deze zalf niet voor driehonderd penningen12:5 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. verkocht en aan de armen gegeven?

6En dit zei hij niet omdat hij zich bekommerde om de armen, maar omdat hij een dief was,

12:6
Joh. 13:29
en de beurs beheerde en droeg wat gegeven werd.

7Jezus dan zei: Laat haar begaan; zij heeft dit bewaard met het oog op

12:7
Mark. 14:8
de dag van Mijn begrafenis.

8Want de

12:8
Deut. 15:11
Matt. 26:11
Mark. 14:7
armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.

9Een grote menigte dan van de Joden kwam te weten dat Hij daar was; en zij kwamen niet alleen vanwege Jezus, maar ook om Lazarus te zien,

12:9
Joh. 11:44
die Hij uit de doden opgewekt had.

10En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden,

11omdat omwille van hem velen van de Joden weggingen en in Jezus geloofden.

De intocht in Jeruzalem

12

12:12
Matt. 21:8
Mark. 11:8
Luk. 19:36
Toen de volgende dag een grote menigte die naar het feest gekomen was, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam,

13namen zij de takken van palmbomen en gingen de stad uit Hem tegemoet en riepen: Hosanna!

12:13
Ps. 118:26
Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere, de Koning van Israël!

14En toen Jezus een jonge ezel gevonden had, ging Hij daarop zitten, zoals geschreven is:

15

12:15
Jes. 62:11
Zach. 9:9
Matt. 21:5
Wees niet bevreesd, dochter van Sion, zie, uw Koning komt, zittend op het veulen van een ezelin.

16Dit nu begrepen Zijn discipelen eerst niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, herinnerden zij zich dat dit over Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden.

17De menigte dan die bij Hem geweest was toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan.

18Daarom ging de menigte Hem ook tegemoet, omdat zij gehoord had dat Hij dat teken gedaan had.

19De Farizeeën dan zeiden tegen elkaar:

12:19
Joh. 11:47
U ziet dat u totaal niets bereikt! Zie, de hele wereld loopt achter Hem aan.

Het stervend tarwegraan

20Nu waren er enkele Grieken onder hen

12:20
Hand. 8:27
die gekomen waren om op het feest te aanbidden.

21Die dan gingen naar Filippus,

12:21
Joh. 1:45
die van Bethsaïda in Galilea afkomstig was, en vroegen hem: Heer, wij willen Jezus graag zien.

22Filippus kwam en zei het tegen Andreas, en Andreas en Filippus zeiden het op hun beurt tegen Jezus.

23Maar Jezus antwoordde hun: Het uur is gekomen

12:23
Joh. 13:32
17:1
dat de Zoon des mensen verheerlijkt zal worden.

24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

12:24
1 Kor. 15:36
Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht.

25

12:25
Matt. 10:39
16:25
Mark. 8:35
Luk. 9:24
17:33
Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het behouden tot het eeuwige leven.

26Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen, en

12:26
Joh. 14:3
17:24
waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. En als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.

27Nu

12:27
Matt. 26:37,38,39
Mark. 14:34
Luk. 22:44
is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur. Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen.

28Vader, verheerlijk Uw Naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: En Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem opnieuw verheerlijken.

29De menigte dan die daar stond en dit hoorde, zei dat er een donderslag geweest was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.

30Jezus antwoordde en zei:

12:30
Joh. 11:42
Niet voor Mij is deze stem er geweest, maar voor u.

31

12:31
Joh. 16:11
Efez. 2:2
Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken,
12:31
Joh. 14:30
Kol. 2:15
nu zal de vorst van deze wereld buitengeworpen worden.

32

12:32
Num. 21:9
2 Kon. 18:4
Joh. 3:14
8:28
En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen naar Mij toe trekken.

33En dit zei Hij om aan te duiden welke dood Hij zou sterven.

34De menigte antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord

12:34
2 Sam. 7:16
1 Kron. 22:10
Ps. 45:7
89:37
110:4
Jes. 9:5
Jer. 23:6
Ezech. 37:26
Dan. 2:44
7:14,27
Micha 4:7
Hebr. 1:8
dat de Christus tot in eeuwigheid blijft. En hoe kunt U dan zeggen dat de Zoon des mensen verhoogd moet worden? Wie is die Zoon des mensen?

35Jezus dan zei tegen hen: Nog een korte tijd

12:35
Vers 46;
is het licht bij u;
12:35
Jer. 13:16
Efez. 5:8
1 Thess. 5:4
wandel zolang u het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalt. En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heen gaat.

36Zolang u het licht hebt, geloof in het licht, opdat u kinderen van het licht mag zijn. Deze dingen sprak Jezus. En Hij ging weg en verborg Zich voor hen.

Blijvend ongeloof van de Joden

37Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn gedaan had, geloofden zij niet in Hem;

38opdat het woord van de profeet Jesaja vervuld werd dat hij gesproken heeft:

12:38
Jes. 53:1
Rom. 10:16
Heere, wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm van de Heere geopenbaard?

39Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja verder gezegd heeft:

40

12:40
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Hand. 28:26
Rom. 11:8
Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met de ogen zouden zien en met het hart inzien en zich bekeren en Ik hen zou genezen.

41

12:41
Jes. 6:1
Dit zei Jesaja toen hij Zijn heerlijkheid zag en over Hem sprak.

42

12:42
Joh. 7:13,48
En toch geloofden ook velen van de leiders in Hem, maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet,
12:42
Joh. 9:22
opdat zij niet uit de synagoge geworpen zouden worden.

43

12:43
Joh. 5:44
Want zij hadden de eer van de mensen meer lief dan de eer van God.

44Jezus nu riep en zei: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Míj maar in Hem Die Mij gezonden heeft.

45

12:45
Joh. 10:30
14:9
En wie Mij ziet, ziet Hem Die Mij gezonden heeft.

46

12:46
Vers 35;
Ik ben een licht, in de wereld gekomen opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.

47En als iemand Mijn woorden hoort en niet gelooft, veroordeel Ik hem niet,

12:47
Joh. 3:17
9:39
want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld zalig te maken.

48

12:48
Joh. 3:18
8:24
Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iets wat hem veroordeelt, namelijk
12:48
Mark. 16:16
het woord dat Ik gesproken heb; dat zal hem veroordelen op de laatste dag.

49

12:49
Deut. 18:18
Joh. 3:11
5:20
7:16
8:28
14:10,24
16:13
Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Hijzelf heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet.

50En Ik weet dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zoals de Vader Mij gezegd heeft.

13

De paasmaaltijd en de voetwassing

131En vóór

13:1
Matt. 26:2
Mark. 14:1
Luk. 22:1
het feest van het Pascha, toen Jezus wist dat Zijn uur gekomen was dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader, heeft Hij de Zijnen, die in de wereld waren en die Hij liefgehad had, liefgehad tot het einde.

2Toen dan de maaltijd plaatsvond

13:2
Vers 27;
en de duivel Judas Iskariot, de zoon van Simon, al in het hart gegeven had Hem te verraden,

3stond Jezus, Die wist

13:3
Matt. 11:27
Joh. 3:35
dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had
13:3
Joh. 16:28
en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heen ging,

4op van de maaltijd, legde Zijn kleren af, nam een linnen doek en deed die om Zijn middel.

5Daarna goot Hij water in de waskom en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek die Hij om Zijn middel had.

6Zo kwam Hij bij Simon Petrus en die zei tegen Hem: Heere,

13:6
Matt. 3:14
wilt Ú mij de voeten wassen?

7Jezus antwoordde en zei tegen hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het later inzien.

8Petrus zei tegen Hem: U zult mijn voeten in der eeuwigheid niet wassen! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet was, hebt u geen deel met Mij.

9Simon Petrus zei tegen Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.

10Jezus zei tegen hem: Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein.

13:10
Joh. 15:3
En u bent rein, maar niet allen.

11

13:11
Joh. 6:64
Want Hij wist wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.

12Toen Hij dan hun voeten gewassen had en Zijn kleren weer had aangedaan, ging Hij weer aanliggen en zei tegen hen: Ziet u in wat Ik aan u gedaan heb?

13

13:13
Matt. 23:8,10
1 Kor. 8:6
12:3
Filipp. 2:11
U noemt Mij Meester en Heere, en u zegt het terecht, want Ik ben het.

14Als Ik dan, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb,

13:14
Gal. 6:1,2
moet ook u elkaars voeten wassen.

15

13:15
1 Petr. 2:21
1 Joh. 2:6
Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.

16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

13:16
Matt. 10:24
Luk. 6:40
Joh. 15:20
Een dienaar is niet meer dan zijn heer, en een gezant niet meer dan hij die hem gezonden heeft.

17Als u deze dingen weet, zalig bent u als u ze doet.

18Ik zeg dit niet van u allen; Ik weet wie Ik uitverkoren heb. Maar de Schrift moet vervuld worden:

13:18
Ps. 41:10
Matt. 26:23
1 Joh. 2:19
Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.13:18 heeft zich tegen Mij gekeerd - Letterlijk: heeft de hiel tegen Mij opgeheven.

19

13:19
Joh. 14:29
16:4
Nu al zeg Ik het u voordat het gebeurt, opdat wanneer het gebeurt, u zult geloven dat Ik het ben.

20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

13:20
Matt. 10:40
Luk. 10:16
als iemand hem ontvangt die Ik zal zenden, ontvangt hij Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

De ontmaskering van Judas

21

13:21
Matt. 26:21
Mark. 14:18
Luk. 22:21
Hand. 1:17
1 Joh. 2:19
Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering,13:21 raakte … beroering - Letterlijk: raakte Hij in beroering in de geest. en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.

22De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei.

23

13:23
Joh. 20:2
21:7,20
En een van Zijn discipelen, die Jezus liefhad,13:23 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld. lag aan in de schoot van Jezus.

24Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou wie het toch zou kunnen zijn, over wie Hij sprak.

25En deze ging tegen Jezus' borst liggen en zei tegen Hem: Heere, wie is het?

26Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon.

27En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. Jezus dan zei tegen hem: Wat u wilt doen, doe het snel.

28En niemand van hen die aanlagen, begreep met welke bedoeling Hij dat tegen hem zei.

29Want sommigen dachten,

13:29
Joh. 12:6
omdat Judas de beurs beheerde, dat Jezus tegen hem zei: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven.

30Toen hij dan het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. En het was nacht.

Het nieuwe gebod van de liefde

31Toen hij dan naar buiten gegaan was, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.

32Als God in Hem verheerlijkt is, zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken,

13:32
Joh. 12:23
17:1
en Hij zal Hem meteen verheerlijken.

33Lieve kinderen, nog een korte tijd ben Ik bij u.

13:33
Joh. 7:34
8:21
U zult Mij zoeken, en zoals Ik gezegd heb tegen de Joden, zo zeg Ik het nu ook tegen u: Waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

34

13:34
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Joh. 15:12
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
1 Petr. 4:8
1 Joh. 3:23
4:21
Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben.

35

13:35
1 Joh. 2:5
4:20
Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.

Voorspelling van de verloochening door Petrus

36

13:36
Joh. 21:18
2 Petr. 1:14
Simon Petrus zei tegen Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt u Mij nu niet volgen, maar u zult Mij later volgen.

37Petrus zei tegen Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen?

13:37
Matt. 26:33
Mark. 14:29
Luk. 22:33
Mijn leven zal ik voor U geven.

38Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij geven?

13:38
Matt. 26:34
Mark. 14:30
Luk. 22:34
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De haan zal niet kraaien, voordat u Mij driemaal verloochend zult hebben.