Herziene Statenvertaling (HSV)
26

Vierde aankondiging van het lijden

261En toen Jezus al deze woorden geëindigd had, gebeurde het dat Hij tegen Zijn discipelen zei:

2

26:2
Mark. 14:1
Luk. 22:1
Joh. 13:1
U weet dat over twee dagen het Pascha is, en dan zal de Zoon des mensen overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

Het besluit om Jezus te doden

3

26:3
Ps. 2:2
Joh. 11:47
Hand. 4:27
Toen kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette;

4en zij overlegden met elkaar om Jezus met list te grijpen en te doden.

5Zij zeiden echter: Niet tijdens het feest, opdat er geen opschudding onder het volk komt.

De zalving in Bethanië

6Toen Jezus in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,

7

26:7
Mark. 14:3
Luk. 7:37
Joh. 11:2
12:3
kwam er een vrouw naar Hem toe die een albasten fles met zeer kostbare zalf had; en zij goot die uit op Zijn hoofd terwijl Hij aanlag.

8Toen Zijn discipelen dat zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe deze verkwisting?

9Deze zalf had immers duur verkocht kunnen worden en de opbrengst aan de armen gegeven.

10Maar Jezus, Die dit merkte, zei tegen hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij verricht.

11

26:11
Deut. 15:11
Mark. 14:7
Joh. 12:8
De armen hebt u immers altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.

12Want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.

13Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.

Het verraad van Judas

14

26:14
Mark. 14:10
Luk. 22:4
Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de overpriesters

15en zei: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? En zij kenden hem

26:15
Zach. 11:12
dertig zilverstukken toe.

16En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.

De paasmaaltijd

17

26:17
Mark. 14:12
Luk. 22:7
Op de eerste dag
26:17
Ex. 12:17
van de ongezuurde broden kwamen de discipelen naar Jezus toe en zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij voorbereidingen voor U treffen om het Pascha te eten?

18Hij zei: Ga de stad in naar een zeker persoon en zeg tegen hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen.

19En de discipelen deden zoals Jezus hun opgedragen had, en maakten het Pascha gereed.

20

26:20
Mark. 14:17
Luk. 22:14
Joh. 13:21
Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf.

21En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat

26:21
Hand. 1:17
een van u Mij zal verraden.

22En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere?

23Hij antwoordde en zei:

26:23
Ps. 41:10
Luk. 22:21
Joh. 13:18
Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.

24De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was.

25Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U hebt het gezegd.

26

26:26
Mark. 14:22
Luk. 22:19
1 Kor. 11:23
En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.

27Hij nam ook de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die, en zei: Drink allen daaruit,

28want dit is Mijn bloed,

26:28
Ex. 24:8
het bloed van het nieuwe verbond,26:28 verbond - Het Griekse woord betekent zowel testament als verbond. dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

29Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.

30

26:30
Mark. 14:26
Luk. 22:39
Joh. 18:1
En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.

De verloochening van Petrus voorzegd

31Toen zei Jezus tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven:

26:31
Zach. 13:7
Joh. 16:32
Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden.

32

26:32
Mark. 14:28
16:7
Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

33Maar Petrus antwoordde Hem en zei:

26:33
Luk. 22:33
Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen.

34Jezus zei tegen hem:

26:34
Joh. 13:38
Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

35Petrus zei tegen Hem: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! Hetzelfde zeiden ook al de discipelen.

Gethsémané

36

26:36
Mark. 14:32
Luk. 22:39
Joh. 18:1
Toen ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsémané heette, en zei tegen de discipelen: Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.

37En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met Zich mee en begon bedroefd en zeer angstig te worden.

38

26:38
Joh. 12:27
Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.

39En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad:

26:39
Luk. 22:41
Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze
26:39
Matt. 20:22,23
drinkbeker aan Mij voorbijgaan.
26:39
Joh. 6:38
Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.

40En Hij kwam bij de discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Kon u dan niet één uur met Mij waken?

41Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt;

26:41
Gal. 5:17
de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

42Opnieuw, voor de tweede keer, ging Hij heen en bad: Mijn Vader, als deze drinkbeker aan Mij niet voorbij kan gaan zonder dat Ik hem drink, laat Uw wil dan geschieden.

43En toen Hij bij hen kwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden.

44En Hij liet hen achter, ging nogmaals heen en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.

45Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; zie, het uur is nabijgekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van zondaars.

46Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

Jezus geeft Zich gevangen

47

26:47
Mark. 14:43
Luk. 22:47
Joh. 18:3
En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk.

48Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken26:48 had … afgesproken - Letterlijk: had hun een teken gegeven. en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem.

49En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij

26:49
2 Sam. 20:9
kuste Hem.

50Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

51En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.

52Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats,

26:52
Gen. 9:6
Openb. 13:10
want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.

53Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen?

54Hoe zouden anders de

26:54
Ps. 22:7
69:2,10
Luk. 24:25
Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?

55Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen,

56maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden.

26:56
Job 19:13
Ps. 88:9
Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten.

Voor het Sanhedrin

57

26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
Joh. 18:12
Zij die Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.

58Petrus volgde Hem op een afstand, tot aan het paleis van de hogepriester, en toen hij naar binnen gegaan was, zat hij bij de dienaars om het einde te zien.

59

26:59
Mark. 14:55
Hand. 6:13
De overpriesters en de oudsten en heel de Raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat zij Hem zouden kunnen doden, maar zij vonden niets.

60En hoewel er veel valse getuigen gekomen waren, vonden zij niets.

61Maar ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd:

26:61
Joh. 2:19
Ik kan de tempel van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen.

62

26:62
Mark. 14:60
En de hogepriester stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?

63

26:63
Jes. 53:7
Matt. 27:12,14
Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.

64Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd.

26:64
Ps. 110:1
Dan. 7:13
Matt. 16:27
24:30
Mark. 14:62
Luk. 22:69
Hand. 1:11
Rom. 14:10
1 Thess. 4:16
Openb. 1:7
Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.

65Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.

66Wat denkt u? En zij antwoordden en zeiden:

26:66
Lev. 24:16
Hij is schuldig en verdient de dood.

67

26:67
Jes. 50:6
Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten.

68

26:68
Job 16:10
Joh. 19:3
En anderen sloegen Hem in het gezicht en zeiden:
26:68
Luk. 22:64
Profeteer ons, Christus: wie is het die U geslagen heeft?

Jezus door Petrus verloochend

69

26:69
Mark. 14:66
Luk. 22:55
Joh. 18:16,25
Petrus zat buiten op de binnenplaats; een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was bij Jezus, de Galileeër.

70Maar hij ontkende het in het bijzijn van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.

71Toen hij naar buiten ging, naar de poort, zag een ander dienstmeisje hem, en die zei tegen hen die daar waren: Hij was ook bij Jezus de Nazarener.

72En hij ontkende het opnieuw, met een eed, en zei: Ik ken de Mens niet.

73Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.

74Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet.

75En meteen kraaide de haan; en Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die tegen hem gezegd had:

26:75
Vers 34;
Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Toen ging hij naar buiten en huilde bitter.

27

Het einde van Judas

271Toen

27:1
Ps. 2:2
Mark. 15:1
Luk. 22:66
23:2
Joh. 18:28
het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamenlijk tot het besluit Hem te doden.

2En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan

27:2
Hand. 3:13
Pontius Pilatus, de stadhouder.

3Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en de oudsten terug

4en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien.

5En nadat hij de zilverstukken de tempel in gegooid had, vertrok hij.

27:5
2 Sam. 17:23
Hand. 1:18
Hij ging heen en hing zich op.

6De overpriesters pakten de zilverstukken en zeiden: Het is niet geoorloofd die in de offerkist te leggen, omdat het bloedgeld is.

7En nadat zij beraadslaagd hadden, kochten zij daarvan de

27:7
Hand. 1:19
akker van de pottenbakker als begraafplaats voor de vreemdelingen.

8Daarom wordt die akker tot op de dag van vandaag bloedakker genoemd.

9Toen is vervuld wat gesproken is

27:9
Zach. 11:12
door de profeet Jeremia: En zij hebben de dertig zilverstukken genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten,

10en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.

Voor Pilatus

11

27:11
Mark. 15:2
Luk. 23:3
Joh. 18:33
Jezus stond voor de stadhouder en de stadhouder vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? Jezus zei tegen hem: U zegt het.

12En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.

13

27:13
Matt. 26:62
Toen zei Pilatus tegen Hem: Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?

14

27:14
Jes. 53:7
Hand. 8:32
Maar Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.

15

27:15
Mark. 15:6
Luk. 23:17
Joh. 18:39
Nu had de stadhouder de gewoonte, op het feest voor de menigte een gevangene los te laten, wie zij ook maar wilden.

16

27:16
Mark. 15:7
Luk. 23:19
Joh. 18:40
Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Barabbas heette.

17Toen zij dan bijeenwaren, zei Pilatus tegen hen: Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, Barabbas of Jezus, Die Christus genoemd wordt?

18Want hij wist dat zij Hem uit afgunst overgeleverd hadden.

19Toen hij op de rechterstoel zat, stuurde zijn vrouw hem een boodschap: Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.

20

27:20
Mark. 15:11
Luk. 23:18
Joh. 18:40
Hand. 3:14
Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over dat zij om Barabbas zouden vragen en Jezus zouden ombrengen.

21De stadhouder antwoordde hun en zei: Wie van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten? Zij zeiden: Barabbas.

22Pilatus zei tegen hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen tegen hem: Laat Hem gekruisigd worden!

23Maar de stadhouder zei: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij riepen des te meer: Laat Hem gekruisigd worden!

24Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.

25En heel het volk antwoordde en zei:

27:25
Hand. 5:28
Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!

26Toen liet hij Barabbas voor hen los, maar nadat hij Jezus gegeseld had, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.

Jezus bespot en weggeleid

27

27:27
Mark. 15:16
Joh. 19:2
Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich mee in het gerechtsgebouw en verzamelden heel de legerafdeling om Hem heen.

28En toen zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een scharlakenrode mantel om,

29vlochten een kroon van dorens, zetten die op Zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in Zijn rechterhand. Zij vielen op hun knieën voor Hem neer en bespotten Hem met de woorden: Gegroet, Koning van de Joden!

30Ook bespuwden zij Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op Zijn hoofd.

31En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit, trokken Hem Zijn kleren aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.

32

27:32
Mark. 15:21
Luk. 23:26
Toen zij op weg gingen, troffen zij een man uit Cyrene aan, van wie de naam Simon was; die dwongen zij om Zijn kruis te dragen.

Golgotha

33

27:33
Ps. 69:22
Mark. 15:22
Luk. 23:33
Joh. 19:17
En gekomen bij de plaats die Golgotha genoemd wordt, wat Schedelplaats betekent,

34gaven zij Hem wijn vermengd met gal te drinken; maar toen Hij die geproefd had, wilde Hij niet drinken.

35

27:35
Mark. 15:24
Joh. 19:23
Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren door het lot te werpen, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet:
27:35
Ps. 22:19
Ze hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en om Mijn kleding hebben ze het lot geworpen.

36En zij gingen zitten om Hem daar te bewaken.

37

27:37
Mark. 15:26
Luk. 23:38
Joh. 19:19
En zij brachten boven Zijn hoofd een opschrift aan met de beschuldiging tegen Hem: DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN.

38

27:38
Jes. 53:12
Toen werden met Hem twee misdadigers gekruisigd, een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linkerzijde.

39

27:39
Ps. 22:8
69:21
Mark. 15:29
Luk. 23:35
En de voorbijgangers lasterden Hem, schudden hun hoofd,

40en zeiden:

27:40
Matt. 26:61
Joh. 2:19
U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af!

41En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën, en zij zeiden:

42Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen Hem geloven.

43

27:43
Ps. 22:9
Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is,27:43 als Hij Hem welgezind is - Letterlijk: als Hij Hem wil. want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.

44Hetzelfde verweten Hem ook de misdadigers die met Hem gekruisigd waren.

45

27:45
Mark. 15:33
Luk. 23:44
En vanaf het zesde uur kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe.

46Ongeveer op het negende uur

27:46
Ps. 22:2
Hebr. 5:7
riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

47Sommigen van hen die daar stonden, zeiden, toen zij dit hoorden: Hij roept Elia.

48

27:48
Ps. 69:22
Joh. 19:29
En meteen snelde een van hen toe, nam een spons, doordrenkte die met zure wijn, stak hem op een rietstok en gaf Hem te drinken.

49Maar de anderen zeiden: Houd op, laten wij zien of Elia komt om Hem te verlossen.

50

27:50
Luk. 23:46
Jezus riep nogmaals met luide stem en gaf de geest.

51

27:51
2 Kron. 3:14
Mark. 15:38
Luk. 23:45
En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beefde en de rotsen scheurden;

52ook werden de graven geopend en veel lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;

53en na Zijn opwekking gingen zij uit de graven, kwamen in de heilige stad en zijn aan velen verschenen.

54

27:54
Mark. 15:39
Luk. 23:47
En toen de hoofdman over honderd en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurden, werden zij erg bevreesd en zeiden: Werkelijk, Dit was Gods Zoon!

55

27:55
Mark. 15:40
Luk. 23:49
En er waren daar veel vrouwen, die
27:55
Ps. 38:12
uit de verte toekeken; zij waren Jezus gevolgd van Galilea om Hem
27:55
Luk. 8:2
te dienen.

56Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.

De begrafenis

57

27:57
Mark. 15:42
Luk. 23:50
Joh. 19:38
Toen het avond geworden was, kwam er een rijke man van Arimathea, van wie de naam Jozef was en die ook zelf een discipel van Jezus was.

58Die ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Toen gaf Pilatus bevel dat het lichaam aan hem gegeven zou worden.

59En Jozef nam het lichaam in ontvangst, wikkelde het in zuiver fijn linnen,

60

27:60
Mark. 15:46
Luk. 23:53
en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots uitgehakt had; en nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld had, ging hij weg.

61En daar waren Maria Magdalena en de andere Maria, die tegenover het graf zaten.

De wacht bij het graf

62De volgende dag, dat is de dag na de voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën bij Pilatus bijeen,

63en zeiden: Heer, wij herinneren ons dat deze verleider gezegd heeft toen Hij nog leefde:

27:63
Matt. 16:21
17:23
20:19
Mark. 8:31
10:34
Luk. 9:22
18:33
24:6
Na drie dagen zal Ik opgewekt worden.

64Geef dan bevel dat het graf tot de derde dag toe beveiligd wordt, opdat Zijn discipelen Hem 's nachts misschien niet komen stelen en tegen het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden. En dan zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.

65Pilatus zei tegen hen: Hier hebt u een wacht; ga heen, beveilig het naar uw beste weten.

66Zij gingen erheen en beveiligden het graf met de wacht, nadat zij de steen verzegeld hadden.

28

De opstanding

281

28:1
Mark. 16:1
Luk. 24:1
Joh. 20:1
Laat na de sabbat, toen het licht begon te worden op de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria om naar het graf te kijken.

2En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neerdaalde, ging erheen, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten.

3Zijn gedaante was als een bliksem en zijn

28:3
Dan. 7:9
Hand. 1:10
kleding wit als sneeuw.

4De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden.

5Maar de engel antwoordde en zei tegen de vrouwen: U hoeft niet bevreesd te zijn,

28:5
Mark. 16:6
Luk. 24:4
want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was.

6Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij

28:6
Matt. 16:21
17:23
20:19
Mark. 8:31
9:31
10:34
Luk. 9:22
18:33
24:6
gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft.

7En ga haastig heen en zeg tegen Zijn discipelen dat Hij opgewekt is uit de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea;

28:7
Matt. 26:32
Mark. 16:7
daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.

8

28:8
Mark. 16:8
Joh. 20:18
En zij gingen haastig van het graf weg, met vrees en grote blijdschap, en zij snelden weg om het Zijn discipelen te berichten.

9Toen zij weggingen om het aan Zijn discipelen bekend te maken, zie,

28:9
Mark. 16:9
Joh. 20:14
Jezus kwam hun tegemoet en zei: Wees gegroet! Zij gingen naar Hem toe, grepen Zijn voeten en aanbaden Hem.

10Toen zei Jezus tegen hen: Wees niet bevreesd; ga heen, bericht Mijn broeders dat zij naar Galilea moeten gaan, en

28:10
Hand. 1:3
13:31
1 Kor. 15:5
daar zullen zij Mij zien.

De leugen van het Sanhedrin

11Terwijl zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad en berichtten de overpriesters alles wat er gebeurd was.

12En zij kwamen bijeen met de oudsten, en zij kwamen gezamenlijk tot het besluit om de soldaten veel geld te geven,

13en zij zeiden: Zeg: Zijn discipelen zijn 's nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen.

14En als de stadhouder hiervan hoort, zullen wij hem overtuigen en maken dat u zonder zorgen bent.

15Toen zij het geld in ontvangst genomen hadden, deden zij zoals hun was voorgehouden.28:15 zoals hun was voorgehouden - Letterlijk: zoals hun geleerd was. En dit woord is verbreid onder de Joden tot op de huidige dag.

De opdracht aan de discipelen

16En de elf discipelen zijn naar Galilea gegaan, naar de berg

28:16
Matt. 26:32
Mark. 14:28
waar Jezus hen ontboden had.

17En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden.

18En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei:

28:18
Ps. 8:7
Matt. 11:27
Luk. 10:22
Joh. 3:35
17:2
1 Kor. 15:27
Efez. 1:22
Hebr. 2:8
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

19

28:19
Mark. 16:15
Joh. 15:16
Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.

20

28:20
Joh. 14:18
En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.